Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0202

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
09-753093-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot moord en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord, door een vrouw die hem onderdak had verschaft met een mes in haar buik, in haar flank en bij haar linkerborststreek te steken. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte heeft aangeefster, nadat hij haar had gestoken, had geslagen en haar keel had dichtgedrukt, urenlang belet om haar woning te verlaten en medische hulp in te schakelen, terwijl er bloed uit haar wonden kwam en ingewanden uit haar buik puilden. Dat aangeefster, gelet op deze omstandigheden, niet is komen te overlijden is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. De rechtbank komt tot een minder hoge straf dan de officier van justitie heeft geëist omdat zij bij het bepalen van de strafmaat, kennelijk meer dan de officier van justitie heeft gedaan, rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verder is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf niet in verhouding staat tot straffen in soortgelijke zaken. Gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/753093-11

Datum uitspraak: 27 maart 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboortedatum],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Den Haag PPC te Den Haag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 16 december 2011 en 13 maart 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.F. Baas en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. C.C. Peterse, advocaat te

's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [aangeefster] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, een of meermalen die [aangeefster] tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of de keel heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of met een mes (meermalen) in de borststreek en/of buikstreek heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [aangeefster] zwaar lichamelijk letsel (te weten multipele dunne darmletsels, waardoor operatieve verwijdering van ongeveer 15 centimeter van de dunne darm noodzakelijk was), in elk geval lichamelijk letsel en/of pijn heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, een of meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden en/of met een mes (meermalen) in de borststreek en/of buikstreek, in elk geval in het lichaam te steken/snijden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 31 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet in de woning van die [aangeefster], nadat hij, verdachte, die [aangeefster] had gestoken en/of geslagen en/of de keel had dichtgedrukt, terwijl hij verdachte, zichtbaar voor die [aangeefster] een mes op tafel had gelegd, de voordeur van die woning heeft gesloten en/of vergrendeld en/of een (mobiele) telefoon van die [aangeefster] heeft afgepakt en/of die [aangeefster] heeft belet te bellen en/of contact op te nemen met de politie en/of die [aangeefster] (dwingend) heeft aangegeven waar ze moest zitten of liggen en/of (nagenoeg voordurend) controle op die [aangeefster] heeft gehouden en/of die [aangeefster] heeft aangegeven dat zij telefonische oproepen niet mocht beantwoorden en/of die [aangeefster] dreigend een mes heeft getoond, in elk geval die [aangeefster] toen en daar heeft belet te gaan en staan waar zij wilde.

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Begin januari 2011 kwamen [A], [B] en verdachte bij aangeefster [aangeefster] op bezoek. [B] heeft toen aan [aangeefster] gevraagd of verdachte enige tijd bij haar mocht overnachten. [aangeefster] heeft daarmee ingestemd. Tijdens het verblijf van verdachte bij [aangeefster] hebben zij seks met elkaar gehad. Enige tijd daarna vernam verdachte van [A] dat [aangeefster] ooit een geslachtsziekte heeft gehad. Verdachte werd toen kwaad op [aangeefster] en kreeg ruzie met haar omdat hij dacht dat zij hem mogelijk had besmet. Hij heeft vervolgens een deel van haar inboedel vernield en is daarna naar Frankrijk vertrokken. In Frankrijk heeft verdachte zich onder een andere naam laten testen op geslachtziektes, maar hij heeft toen geen uitsluitsel gekregen of hij mogelijk was besmet. Verdachte is daarna weer naar Nederland gegaan. Op 31 januari 2011 heeft [aangeefster] verdachte in haar woning binnengelaten. Verdachte is pas in de ochtend van 1 februari 2011 weer uit haar woning vertrokken. Tijdens dit verblijf heeft verdachte [aangeefster] meermalen geslagen, bij haar keel gepakt en meermalen met een mes in haar lichaam gestoken. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe deze handelingen juridisch moeten worden gekwalificeerd, meer in het bijzonder of sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet en of deze handelingen met voorbedachten rade zijn gepleegd (feit 1 primair en feit 1 subsidiair). Daarna zal de rechtbank bespreken of verdachte [aangeefster] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden (feit 2).

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Door aangeefster in haar buik en borststreek te steken en te trachten haar te wurgen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster zou komen te overlijden. Door het steken in de buikstreek kunnen infecties en ernstig inwendig bloedverlies optreden met de dood tot gevolg. Verdachte heeft aangeefster bovendien de nodige medische hulp onthouden. Uit het feit dat verdachte zich op meerdere momenten heeft kunnen beraden en rekenschap heeft kunnen geven over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad blijkt dat hij aangeefster met voorbedachten raad van het leven heeft willen beroven. Aldus kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord.

Ook het tweede feit op de dagvaarding kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Verdachte heeft [aangeefster] wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd door haar middels dwang en bedreiging te verhinderen haar woning te verlaten en medische hulp te krijgen.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte niet het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, om [aangeefster] van het leven te beroven. Door [aangeefster] te slaan, haar keel beet te pakken en haar te steken, heeft verdachte niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij daardoor zou kunnen komen te overlijden. Verdachte heeft [aangeefster], zoals hij heeft verklaard, niet van het leven willen beroven, maar hij heeft haar alleen willen straffen. Aldus dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Indien de rechtbank echter van oordeel is dat wel sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet, dient voor het onderdeel voorbedachten raad in het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak te volgen. Nu de verklaringen van aangeefster over de volgorde van de gebeurtenissen wisselend zijn en de verklaringen van verdachte duiden op een daad die in een opwelling is gepleegd, blijkt onvoldoende dat bij verdachte sprake was van kalm beraad en rustig overleg voordat hij [aangeefster] heeft verwond.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte heeft verklaard dat [aangeefster] de politie, brandweer en ambulance mocht bellen als zij dat wilde. Ten slotte hebben verdachte en aangeefster samen de nacht doorgebracht, terwijl de telefoon binnen handbereik was. Dit alles duidt niet op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Wellicht heeft zij door haar verstandelijke beperking gedacht dat er sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Aangezien de verklaring van aangeefster, inhoudende dat verdachte haar wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd, onvoldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen dient verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1 Feit 1 (poging moord/doodslag)

Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat zij op zondag 31 januari 2011 een Egyptische man, aan wie zij eerder die maand enkele dagen onderdak had verleend en met wie zij toen ook seks had gehad, in haar woning in Alphen aan den Rijn heeft binnengelaten.2 De man heeft haar in die woning op een gegeven moment eenmaal met een mes in haar borst gestoken, waarna zij constateerde dat zij hevig bloedde.3 Tevens heeft de man haar driemaal met dat mes in haar buik gestoken en het mes na de laatste steek in haar buik laten zitten.4 Op het moment dat zij het mes uit haar buik haalde, constateerde zij dat haar ingewanden uit de wond puilden.5 De volgende ochtend is de man uit de woning vertrokken.6

Een ter plaatse gekomen verbalisant heeft op aanwijzing van aangeefster in de wasbak in haar keuken het mes aangetroffen, waarmee de dader haar zou hebben gestoken.7

Een arts heeft aangeefster onderzocht en geconstateerd dat er sprake was van een steekwond aan de voorzijde van de linkerborsthelft, drie steekwonden in de bovenbuik en een steekwond in de rechterflank. Er is een operatie verricht, waarbij een stuk darm van 15 centimeter is verwijderd. Aangeefster heeft tot 2 maart 2011 in het ziekenhuis verbleven.8

Verdachte heeft ter terechtzitting en bij de politie bekend dat hij aangeefster in haar woning meermalen met een mes heeft gestoken, omdat hij haar wilde straffen voor het feit dat zij hem mogelijk zou hebben besmet met een seksueel overdraagbare aandoening.9 Verdachte heeft op 6 september 2011 verklaard dat hij haar wilde ombrengen en dat hij om die reden naar haar toe is gegaan.10 Hij heeft verder verklaard:"Ik heb haar gestoken, maar het is niet zo dat ik mij zorgen maakte over haar leven." en "Ik wilde haar ook gestraft zien worden. Ik wilde haar zien lijden."11

Op 16 september 2011 heeft hij verklaard dat hij vanuit Frankrijk naar aangeefster toeging om haar te vermoorden en dat hij uit Frankrijk een mes had meegenomen.12

Opzet

De handelingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op de dood van aangeefster dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van verdachte op haar dood gericht is geweest. De rechtbank neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat verdachte bij de politie geen misverstand heeft laten bestaan over het doel van zijn bezoek aan aangeefster. Hij heeft bij zijn beide verhoren bij de politie verklaard dat hij naar de woning van aangeefster is teruggekeerd omdat hij haar wilde vermoorden. Verdachte heeft deze verklaringen ruim 7 maanden na 31 januari 2011 afgelegd en na consultatie van een raadman en raadsvrouw. Het tweede verhoor van verdachte heeft 10 dagen na het eerste verhoor plaatsgevonden. De rechtbank acht op grond hiervan niet aannemelijk dat verdachte deze verklaringen in een opwelling heeft afgelegd. Verdachte heeft aangeefster met een mes meermalen in haar buik, eenmaal in haar borststreek en eenmaal in haar rechterflank gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in deze delen van het lichaam vitale organen bevinden. Door met een mes in deze delen van het lichaam te steken, is aangeefster levensgevaarlijk gewond geraakt en bestond de reële kans dat zij zou komen te overlijden. Daarbij komt dat verdachte aangeefster gedurende langere tijd de benodigde medische behandeling door een arts heeft onthouden (zie ook hierna onder feit 2).

Voorbedachten rade

De rechtbank is met name op grond van de bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Uit die verklaringen blijkt namelijk dat de besluitvorming en uitvoering niet in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, maar dat verdachte zich gedurende meerdere momenten heeft kunnen beraden op het (kennelijk in Frankrijk) genomen besluit om aangeefster van het leven te beroven en dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte heeft aldus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord.

Uit de verklaringen van verdachte en aangeefster noch anderszins blijkt hoe lang of op welke wijze verdachte de keel van aangeefster dichtgedrukt heeft gehouden. Het geconstateerde letsel geeft hiervoor ook onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank kan om die reden niet beoordelen of aangeefster als gevolg van deze handeling had kunnen komen te overlijden en zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Nu voorts het slaan van aangeefster niet heeft bijgedragen aan de kans dat aangeefster zou komen te overlijden, zal de rechtbank verdachte daarom ook van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.4.2 Feit 2 (wederrechtelijke vrijheidsberoving)

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte, nadat hij haar bij de keel had gepakt en haar had gestoken en geslagen, haar dwong op een stoel aan de eettafel te gaan zitten, waarna hij haar voordeur vergrendelde. Het mes dat aangeefster uit haar buik had gehaald, legde verdachte op tafel. Toen de telefoons van aangeefster overgingen, mocht zij niet opnemen. Hij maakte zwaai- en prikbewegingen met het mes. Op een gegeven moment beduidde hij dat zij op de bank mocht slapen. Hij sliep zelf op een andere bank, maar liep vaak naar het raam om te kijken of er politie aankwam.13 Hij heeft meermalen tegen aangeefster gezegd dat hij haar zou steken als zij haar mond zou opendoen.14 Aangeefster mocht niet uit haar huis gaan. Zij was bang dat verdachte zou gaan steken als zij iets zou doen. Verdachte is de hele nacht van 31 januari op 1 februari 2011 bij haar geweest,15 waardoor zij niet durfde te bellen.16

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij tegen [aangeefster] heeft gezegd dat zij niet naar de politie mocht gaan en niet mocht bellen.17 Hij heeft haar in eerste instantie belet om een ambulance te bellen.18 Pas in de ochtend heeft hij tegen haar gezegd dat ze een ambulance mocht bellen.19 Ook heeft verdachte verklaard dat hij bij haar is gebleven om haar eten en drinken te ontzeggen en dat hij pas in de ochtend is vertrokken.20

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 2

Dat aangeefster door de heftige gebeurtenissen zich niet meer precies kan herinneren in welke volgorde de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden acht de rechtbank gelet op de omstandigheden zeer begrijpelijk en doet niets af aan haar overtuiging dat verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Uit bovengenoemde verklaringen van aangeefster blijkt namelijk duidelijk dat aangeefster niet mocht gaan en staan waar ze wilde en niet mocht bellen om hulp in te schakelen. Voorts blijkt daaruit dat zij niet uit haar woning weg durfde te gaan, omdat zij bang was dat verdachte haar weer zou steken. Verdachte is voortdurend in de buurt van aangeefster geweest, terwijl er een mes in de buurt was en heeft haar geen moment uit het oog verloren. De rechtbank acht, in het licht van het feit dat aangeefster zwaargewond was en dringend medische hulp nodig had, het zeer ongeloofwaardig dat verdachte tegen aangeefster zou hebben gezegd dat ze een ambulance mocht bellen, maar dat zij dit desondanks niet wilde doen, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. De rechtbank acht het verder zeer onaannemelijk dat aangeefster onder deze omstandigheden vrijwillig de hele nacht met verdachte in haar woning heeft doorgebracht.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 31 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangeefster].

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij in de periode van 31 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [aangeefster] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een mes in de borststreek en buikstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 31 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, met dat opzet in de woning van die [aangeefster], nadat hij, verdachte, die [aangeefster] had gestoken en geslagen en de keel had dichtgedrukt, terwijl hij, verdachte, zichtbaar voor die [aangeefster] een mes op tafel had gelegd, de voordeur van die woning heeft vergrendeld en die [aangeefster] (dwingend) heeft aangegeven waar ze moest zitten of liggen en (nagenoeg voordurend) controle op die [aangeefster] heeft gehouden en die [aangeefster] heeft aangegeven dat zij telefonische oproepen niet mocht beantwoorden en die [aangeefster] dreigend een mes heeft getoond.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair (poging tot moord) en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, nu er bij verdachte aanwijzingen zijn voor een verstandelijke beperking, de gewetensfuncties van verdachte passen bij een kind van jonger dan 10 jaar en verdachte functioneert op een beduidend lager intellectueel, affectief, emotioneel, sociaal en gewetensniveau dan uit de rapportages naar voren komt, de psycholoog en psychiater ten onrechte slechts hebben geconcludeerd tot enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid. De raadsvrouw heeft verzocht een mindere mate van toerekeningsvatbaarheid aan te nemen. Subsidiair heeft zij verzocht de zaak aan te houden voor nader onderzoek op dit punt.

De raadsvrouw heeft verder betoogd dat de door de officier van justitie voorgestelde straf te hoog is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord, door een vrouw die hem onderdak had verschaft met een mes in haar buik, in haar flank en bij haar linkerborststreek te steken. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte heeft aangeefster, nadat hij haar had gestoken, had geslagen en haar keel had dichtgedrukt, urenlang belet om haar woning te verlaten en medische hulp in te schakelen, terwijl er bloed uit haar wonden kwam en ingewanden uit haar buik puilden. Dat aangeefster, gelet op deze omstandigheden, niet is komen te overlijden is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Uit de slachtofferverklaring van aangeefster blijkt dat bovengenoemde gebeurtenis een enorme impact op haar leven heeft gehad en dat zij thans nog elke dag de gevolgen van de gebeurtenis ondervindt.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport van 20 december 2011 dat omtrent verdachte is opgemaakt. Uit dit rapport blijkt dat verdachte vindt dat hij niet verkeerd heeft gehandeld en dat hij geen berouw toont. Om die reden vreest de reclasseringsmedewerker dat verdachte niet gemotiveerd zal zijn om mee te werken aan gedragsveranderende behandeling. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat sprake is van een taalbarrière (verdachte beheerst de Nederlandse taal niet) en het feit dat verdachte niet legaal in Nederland verblijft, concludeert de reclasseringsmedewerker dat reclasseringstoezicht niet geïndiceerd is.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport betreffende verdachte dat op 21 december 2011 is opgesteld door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog. Bullens concludeert dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking (waarbij hij op een beduidend lager intellectueel/affectief-emotioneel/sociaal en gewetensniveau functioneert). Bij bewezenverklaring van de feiten moet verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was namelijk sprake van deze problematiek en het ten laste gelegde kan deels uit deze problematiek worden verklaard. Bullens adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu een bijzondere voorwaarde, gelet op onder meer de beperkte behandelbaarheid van verdachte, niet geïndiceerd is.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport betreffende verdachte dat op 22 december 2011 is opgesteld door K. Foeken, psychiater. Foeken concludeert dat er aanwijzingen zijn voor een verstandelijke beperking en dat ook sprake is van verslavingsproblematiek. De cognitieve beperking was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en het ten laste gelegde kan daardoor deels worden verklaard. Zij concludeert dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Zij acht behandeling in Nederland niet geïndiceerd, nu verdachte geen Nederlands spreekt en illegaal in Nederland verblijft.

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid uit deze rapportages over en maakt deze tot de hare. In hetgeen de raadsvrouwe heeft opgemerkt ziet de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid te komen. De rechtbank acht zich voldoende ingelicht over de persoon van verdachte en ziet geen noodzaak tot aanhouding van de zaak ter verdere voorlichting daaromtrent.

De rechtbank heeft ten slotte kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie van 7 september 2011 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verdachte heeft echter ter terechtzitting verklaard dat hij in januari 2011 in Nederland is gekomen en dat hij in Egypte wegens een steekincident met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank komt tot een minder hoge straf dan de officier van justitie heeft geëist nu zij bij het bepalen van de strafmaat, kennelijk meer dan de officier van justitie heeft gedaan, rekening zal houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verder is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf niet in verhouding staat tot straffen in soortgelijke zaken. De door de officier van justitie ter terechtzitting genoemde voorbeelden (veelal schietpartijen op de openbare weg) zijn niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

Gelet op het hiervoor gaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.004,00.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Hij heeft verzocht daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft over de vordering opgemerkt dat de benadeelde partij langer dan noodzakelijk in het ziekenhuis is verbleven.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post vergoeding i.v.m. verblijf in het ziekenhuis van 1-2-2011 tot 2-3-2011 (post 1), is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Zij heeft, gelet op haar persoon en persoonlijke omstandighedengenoemde periode in het ziekenhuis doorgebracht en daarvoor past toewijzing van een forfaitair bedrag zoals gevorderd.

De rechtbank acht de vordering ter zake van immateriële schade toewijsbaar, nu door en namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.004,00.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van 31 januari 2011 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 4.004,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 januari 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [aangeefster].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikelen 24c, 36f, 45, 57, 282 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair: poging tot moord;

ten aanzien van feit 2: opzettelijk iemand van de vrijheid beroven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie, verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangeefster] een bedrag van

€ 4.004,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 januari 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 DAGEN;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Krans, voorzitter,

mrs. E.C. van Veen en E.E. Schotte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's 1 tot en met 196, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL2011016142 van de regiopolitie Hollands Midden, gedateerd 7 november 2011, met bijlagen. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's 197 tot en met 285, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL2011016142A van de regiopolitie Hollands Midden, gedateerd 14 februari 2012, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina 38.

3 Proces-verbaal van aangifte, pagina 38.

4 Proces-verbaal van aangifte, pagina 38.

5 Proces-verbaal van aangifte, pagina's 38 en 39.

6 Proces-verbaal van aangifte, pagina 39.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 18.

8 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, opgesteld door C.M. Woudenberg-van Den Broek, arts, forensisch geneeskundige, pagina 46.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 180.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 186 en 213.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 181.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 213.

13 Proces-verbaal van aangifte, pagina's 38 en 39.

14 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, pagina 246.

15 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, pagina 247.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 18.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling op 8 september 2011 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, pagina 2 van dit verhoor onder 4.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 188.

19 Proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling op 8 september 2011 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, pagina 2 van dit verhoor onder 5.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 187.