Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9977

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
09/752657-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van de officier van justitie tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van veroordeelde wegens het feit dat de veroordeelde zich in de eerste plaats na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen en in de tweede plaats weigert mee te werken aan een noodzakelijk geachte klinische behandeling om het recidiverisico te beperken. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie, voor zover de disciplinaire straffen daaraan ten grondslag zijn gelegd, dient te worden afgewezen. Ook voor zover het weigeren van een klinische behandeling aan de vordering van de officier van justitie ten grondslag is gelegd, dient de vordering te worden afgewezen. De rechtbank adviseert het openbaar ministerie aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht te verbinden, ook indien dat inhoudt dat de veroordeelde ambulante behandelingen dient te volgen. Om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen een dergelijke bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te verbinden, zal de rechtbank de datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling bepalen op 22 maart 2012, met de bepaling dat deze eerder in zal gaan indien het openbaar ministerie vóór die datum aan een eventuele bijzondere voorwaarde gestalte heeft kunnen geven dan wel heeft besloten geen bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

VI-zaaknummer : 99-000133-23

Parketnummer : 09/752657-10

BESLISSING OP DE VORDERING TOT HET ACHTERWEGE LATEN VAN DE VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank, rechtdoende in strafzaken op 27 juli 2011 (parketnummer 09/752657-10) is

[X],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

thans gedetineerd in de PI Haaglanden, locatie Zoetermeer te Zoetermeer

veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van 11 januari 2011 is gestart.

Veroordeelde komt, gelet op artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 9 maart 2012 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

1. De vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 3 februari 2012, strekt ertoe dat de rechtbank deze voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege laat wegens het feit dat de veroordeelde zich in de eerste plaats na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen en in de tweede plaats weigert mee te werken aan een noodzakelijk geachte klinische behandeling om het recidiverisico te beperken.

2. De ontvankelijkheid van de vordering

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 7 februari 2012 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.

3. De behandeling ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 7 maart 2012.

De veroordeelde is ter terechtzitting verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. Felix, advocaat te 's-Gravenhage.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De veroordeelde heeft zich terechtzitting verzet tegen het gevorderde achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling en daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd:

Ik vind het erg jammer dat ik niet deel heb kunnen nemen aan het programma Terugdringen Recidive. Ik wilde dit graag, maar in de gevangenis werd aangegeven dat mijn detentieduur hiervoor te kort was.

Het klopt dat ik mij niet aan de regels heb gehouden door een aantal keer te blowen. Ik ben echter wel geheel gestopt met het gebruik van harddrugs. Ik heb hiervoor zelf hulp gezocht bij De Waag. Ik heb inmiddels al 14 maanden geen harddrugs gebruikt.

Voor het overige heb ik mij juist wel heel goed aan de regels geprobeerd te houden. Ik ben een aantal keer bijna in gevecht gekomen, maar heb mij steeds teruggetrokken, juist omdat ik mijn voorwaardelijke invrijheidstelling niet in gevaar wilde brengen.

Ik sta niet open voor klinische behandeling, omdat ik echt denk dat dat niet nodig is. Ik wil echter wel heel graag aan mijn toekomst werken en besef dat ik mijn gedrag zal moeten veranderen. Ik besef bovendien heel goed wat er boven mijn hoofd hangt als ik dit niet zou doen. Ik ben nu nog als jong volwassene gestraft, maar dat is straks niet meer het geval. Zoals gezegd heb ik zelf al hulp gezocht bij De Waag en als ik vrij kom, wil ik ook graag deel gaan nemen aan familietherapie. Mijn moeder en mijn zus zijn daartoe ook bereid. Ik sta ook open voor andere behandelingen die mij mogelijk binnen een ambulant kader zouden worden aangeraden.

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit de vordering af te wijzen en heeft daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de gedragingen waarvoor de veroordeelde tijdens zijn detentie disciplinaire straffen opgelegd heeft gekregen, niet kunnen leiden tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling, omdat zij geen ernstige misdragingen in de zin van artikel 15d, eerste lid, aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht opleveren.

Ook de tweede grond waarop de vordering rust, kan niet leiden tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De veroordeelde weigert weliswaar een klinische behandeling te volgen, maar is wel (bijzonder) gemotiveerd om ambulante behandeling te volgen. De reclassering heeft niet vastgesteld dat een klinische behandeling de enige mogelijkheid is om het recidiverisico in te perken en de stelling van het openbaar ministerie dat dit wel het geval is, is gebaseerd op gegevens van anderhalf jaar geleden. De situatie was toen echter heel anders, omdat de veroordeelde toen verslaafd was aan harddrugs en nu niet meer.

4. De beoordeling

4.1 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt de veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren, voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte heeft ondergaan.

In artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

(...)

2. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen daarnaast bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld.

3. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden deelname aan programmatische activiteiten gericht op terugkeer in de maatschappij of het ondergaan van bijzondere zorg, zoals verslavingszorg of geestelijke gezondheidszorg. De bijzondere voorwaarden kunnen tevens beperkingen betreffende het gedrag en de bewegingsvrijheid van de veroordeelde omvatten. (...)

4. De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken.

5. Het openbaar ministerie neemt de beslissing omtrent het stellen van bijzondere voorwaarden.

(...)

In artikel 15d, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is -voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

Voorwaardelijke invrijheidstelling kan achterwege blijven indien:

(...)

b. is gebleken dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, welke misdraging kan blijken uit

(...)

2° gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf;

(...)

d. door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven;

(...)

Volgens paragraaf 1.2.2.2 van de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling (Stcrt. 20 juni 2008, nr. 117) (hierna: de Aanwijzing) worden misdragingen tijdens de detentie primair via disciplinaire bestraffing op grond van het penitentiaire recht afgedaan. Bij herhaaldelijke ernstige misdragingen kan echter de wens ontstaan om het niet bij disciplinaire bestraffing te laten, maar uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling te vorderen.

Indien, aldus paragraaf 1.2.2.2 van de Aanwijzing, een gedetineerde bijvoorbeeld meermalen disciplinair bestraft is voor het vertonen van agressief gedrag (gepaard gaande met lichamelijk letsel) richting medewerkers van de inrichting of medegedetineerden, ofwel voor het aanrichten van (grove) vernielingen in de inrichting, zal zodoende uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden gevorderd.

Onder paragraaf 2.2.3 van de Aanwijzing is aangegeven dat de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden een verplichting kunnen betreffen die betrekking heeft op het gedrag van de veroordeelde, zoals deelname aan scholing en vaardigheidstrainingen of het accepteren van intensieve hulpverlening bijvoorbeeld in verband met een verslaving. Het kan ook gaan om een beperkende voorwaarde, zoals een meldingsplicht, een contactverbod, een locatieverbod of -gebod en een alcohol- en/of drugsverbod.

Volgens de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) bij de wetwijziging tot invoering van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan door de voorwaardelijke invrijheidstelling voorwaardelijk te maken de terugkeer in de samenleving meer gecontroleerd plaatsvinden en kunnen de risico's die soms aan de invrijheidstelling kleven, beter worden teruggedrongen. De herroeping van de invrijheidstelling fungeert daarbij als stok achter de deur (TK, 2005-2006, 30 513, nr. 3, Algemeen, onder 3a).

In de MvT is voorts met betrekking tot bijzondere voorwaarden, aangegeven dat het gaat om verplichtingen die betrekking hebben op het gedrag van de veroordeelde. Het kan gaan om programmatische voorwaarden, zoals deelname aan scholing en vaardigheidstrainingen of het accepteren van intensieve hulpverlening bijvoorbeeld in verband met een verslaving. Het kan ook gaan om beperkende voorwaarden, zoals een meldingsplicht, een contactverbod, een locatieverbod of -gebod en een alcohol- en/of drugsverbod. Bijzondere voorwaarden kunnen variëren van beperkt tot zeer ingrijpend. Daarbij dient er voor te worden gewaakt dat de bijzondere voorwaarden zulke ingrijpende beperkingen aan de betrokkene opleggen dat van invrijheidstelling nauwelijks sprake meer is (TK, 2005-2006, nr. 3, Algemeen, onder 3e, sub Bijzondere voorwaarden).

De MvT vermeldt bij artikel 15a onder meer dat wat de formulering van de (algemene en bijzondere) voorwaarden betreft, aansluiting is gezocht bij de formulering van de aan de voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden (artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht) en bij de regeling van het penitentiair programma (artikel 5, tweede lid, van de Penitentiaire maatregel) (TK, 2005-2006, artikelsgewijs, artikel 15a).

Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat gedwongen opname (in een psychiatrische inrichting) niet als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verbonden gelet op het doel van de invrijheidstelling, maar dat een ambulante behandeling wel mogelijk is. Of andere vormen van therapie met opname mogelijk zijn, zou de Minister van Justitie niet willen uitsluiten. Het is volgens de Minister denkbaar dat het er wel deel van uitmaakt, maar gedwongen opname in de strikte betekenis valt onder een andere rubriek. Dan moet ook de procedure voor gedwongen opname worden gevolgd conform de Wet BOPZ (TK 2006-2007, 30 513, nr 49, blz 2939-2953).

Omtrent toepassing van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht ontleent de rechtbank aan de jurisprudentie het volgende.

Een poliklinische behandeling, zolang de reclassering dat nodig oordeelt, kan als bijzondere voorwaarde aan een voorwaardelijke straf worden verbonden (HR 2-10-2001, LJN AB2806).

De Hoge Raad heeft bij arrest van 15-4-1975, LJN AB4875, overwogen dat het enkele feit dat iemand ter beschikking van de regering is gesteld of ter executie van een gevangenisstraf is ingesloten, niet kan meebrengen dat een arts hem een door hem niet gewenste behandeling doet ondergaan.

Voorts heeft de Hoge Raad bij arrest van 30-1-2007, LJN AZ0262, mede onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 14c, tweede lid, onder 2 Wetboek van Strafrecht, overwogen dat het wettelijk systeem meebrengt dat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter.

4.2 De eerste grondslag van de vordering: ernstige misdragingen

De rechtbank overweegt over de eerste grondslag van de vordering - de ernstige misdragingen - als volgt.

Uit het advies voorwaardelijke invrijheidstelling dat de directeur van de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer op 9 januari 2012 heeft opgesteld (verder: het v.i.-advies), blijkt dat aan de veroordeelde gedurende zijn detentieperiode twee keer een rapport is aangezegd en aan hem meermalen een disciplinaire straf is opgelegd.

De veroordeelde is eenmaal één dag in een afzonderingscel geplaatst naar aanleiding van een vechtpartij met een celgenoot, opdat gezocht kon worden naar een passende oplossing. Dit incident heeft niet geleid tot oplegging van een disciplinaire straf aan veroordeelde.

Wel is de veroordeelde eenmaal twee dagen in een strafcel geplaatst wegens het op cel hebben van een (ontvreemde) televisie tijdens een periode dat hij een maatregel opgelegd had gekregen. Disciplinaire straffen zijn voorts opgelegd naar aanleiding van positieve urinecontroles op THC en het voorhanden hebben van contrabande.

De in het advies gegeven opsomming van misdragingen is door de veroordeelde niet betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de opsomming worden gezegd dat veroordeelde zich meermalen heeft misdragen en dat hij in verband daarmee al dan niet disciplinair is gestraft.

Gelet op het bepaalde in paragraaf 1.2.2.2 Aanwijzing, met name de aldaar genoemde voorbeelden, kunnen de onderwerpelijke misdragingen naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden aangemerkt als ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 15d, eerste lid, aanhef, onder b en sub 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vordering van de officier van justitie, voor zover de disciplinaire straffen daaraan ten grondslag zijn gelegd, dient te worden afgewezen.

4.3 De tweede grondslag van de vordering: weigeren klinische behandeling

De rechtbank overweegt over de tweede grondslag van de vordering - het weigeren van een klinische behandeling - als volgt.

Volgens het advies van GGZ Reclassering Palier van 30 januari 2012, is de reclassering van mening dat om de kans op recidive te verlagen een klinische behandeling de enige mogelijkheid lijkt, gelet op de complexe problematiek, de grote kans op recidive en het ontbreken van een gezond steunsysteem. De veroordeelde is volgens de inrichtingspsycholoog gediagnosticeerd met ADHD gecombineerd type, misbruik van verschillende middelen en verhoogde psychosegevoeligheid bij familiaire belasting.

Hoewel de veroordeelde nagedacht heeft over de invulling van zijn leven na detentie en gemotiveerd is voor een ambulante behandeling, is de reclassering van mening dat het plan van de veroordeelde onvoldoende is in relatie tot de problematiek.

Ter zitting heeft de reclasseringswerker, de heer [reclasseringswerker], desgevraagd verklaard dat aan het advies geen beoordeling ten grondslag ligt van een psychiater of psycholoog.

De rechtbank stelt voorts vast dat in het reclasseringsrapport niet is aangegeven welke behandeling nodig wordt geacht, in welke instelling en hoe lang die behandeling duurt.

De rechtbank stelt voorop dat de eis van een klinische behandeling een zeer verstrekkende voorwaarde betreft.

Daargelaten dat in dit geval het vaststellen van de voorwaarde tot klinische behandeling niet door de rechter doch door het openbaar ministerie zou plaatsvinden, en nog afgezien van de omstandigheid dat het advies onvoldoende informatie bevat om überhaupt een dergelijke voorwaarde te kunnen formuleren, is de rechtbank van oordeel dat een klinische behandeling, waarvan de aard en duur niet bekend is, zo'n ingrijpende bepaling betreft dat van invrijheidstelling in wezen geen sprake meer zou zijn.

Gelet op de aard en strekking van de voorwaardelijke invrijheidstelling is de rechtbank dan ook van oordeel dat de voorshandse weigering van veroordeelde om aan de voorwaarde tot klinische behandeling mee te werken, hem niet kan worden tegengeworpen in de zin van artikel 15d, eerste lid, aanhef, en onder d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vordering van de officier van justitie, ook voor zover het weigeren van een klinische behandeling daaraan ten grondslag is gelegd, dient te worden afgewezen.

5. Advies ex artikel 15f, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht

Uit voornoemd reclasseringsrapport volgt dat veroordeelde momenteel is gediagnosticeerd met ADHD gecombineerd type, misbruik van verschillende middelen en verhoogde psychosegevoeligheid bij familiaire belasting. Tevens is er een vermoeden van cluster B-trekken. Gelet op de complexe problematiek, het ontbreken van duidelijke kaders, alsmede de conclusie dat veroordeelde onvoldoende inzicht heeft in zijn problematiek, acht de reclassering de kans op recidive hoog.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inmiddels al 14 maanden geen harddrugs meer gebruikt. Deze verklaring is ter zitting onweersproken gebleven. De rechtbank ziet geen reden aan deze verklaring te twijfelen

De veroordeelde heeft bovendien zowel bij de reclassering als ter terechtzitting verklaard dat hij bijzonder gemotiveerd is om ambulante behandeling te aanvaarden en heeft dit ook aangetoond door tijdens zijn detentie op eigen initiatief te starten met behandeling bij De Waag.

Gelet hierop en al hetgeen hiervoor is overwogen, adviseert de rechtbank het openbaar ministerie aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht te verbinden, ook indien dat inhoudt dat de veroordeelde ambulante behandelingen dient te volgen.

Om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen een dergelijke bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te verbinden, zal de rechtbank de datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling bepalen op 22 maart 2012, met de bepaling dat deze eerder in zal gaan indien het openbaar ministerie vóór die datum aan een eventuele bijzondere voorwaarde gestalte heeft kunnen geven dan wel heeft besloten geen bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden.

6. Beslissing

De rechtbank

wijst de vordering tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af;

bepaalt de datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling op uiterlijk 22 maart 2012 (of zoveel eerder als het openbaar ministerie een bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft verbonden dan wel heeft besloten af te zien van het stellen van een bijzondere voorwaarde).

Deze beslissing is gegeven door

mr. Groenendijk, voorzitter,

mrs Hink en van Paridon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van der Graaff, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2012.