Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9946

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
09-754090-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan gijzeling van [X] en poging tot afpersing van haar zus, [Y]. [X] en [Y] zijn bedreigd met geweld en er is ook daadwerkelijk geweld tegen [Y] gebruikt. Hierna is [X] meegenomen als onderpand, opdat haar zus het geld zou regelen. Daarnaast heeft verdachte een pistool en een revolver met bijbehorende munitie voorhanden gehad in zijn huurwoning. Ten slotte heeft verdachte een grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen in zijn huurwoning voorhanden gehad om cocaïne te bewerken en/of te verwerken. Op grond van de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Echter, op grond van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, waarvan bovendien een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd. Gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754090-10

Datum uitspraak: 26 maart 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12 juli 2010 (pro forma), 4 oktober 2010, 6 december 2010, 31 januari 2011, 6 juni 2011 en 12 maart 2012 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Rijsdorp en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks de periode van 6 april 2010 tot en met 8 april 2010, te 's-Gravenhage en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangeefster X] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [aangeefster Y] en/of [aangeefster X] te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft zij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- die [aangeefster X] toegevoegd: "Wil je ook een pak slaag" en/of "Ze praten niet. Ze komen voor het geld. Als we jullie dood moeten maken is dat geen probleem" en/of "Het kan ons niks schelen wat we moeten doen, als we het geld maar krijgen. Het is niet de eerste keer dat dit soort dingen gebeuren. Als hij moet doden om te krijgen wat hij moet krijgen dan doet hij dat. Jij en je zus, we kunnen jullie nu, op dit moment, elimineren", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- die [aangeefster X] beetgepakt en/of

- die [aangeefster Y] en/of [aangeefster X] toegevoegd dat één van hen mee moest komen en/of

- die [aangeefster X] naar een auto begeleid en in die/een auto meegenomen en/of die [aangeefster X] vastgehouden in die/een auto en/of een (afgesloten) woning en/of voortdurend in de nabijheid van die [aangeefster X] gebleven, teneinde [aangeefster Y] te dwingen een bedrag van 4000 euro, althans een hoeveelheid geld af te staan, immers heeft/hebben hij/zij en/of een van zijn mededader(s) van die [aangeefster Y] (teruggave van) dat bedrag/die hoeveelheid geld geëist;

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 06 april 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangeefster Y] en/of [aangeefster X] te dwingen tot de afgifte van een bedrag van 4000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster Y], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van haar mededader(s), althans alleen

- die [aangeefster Y] (telkens) heeft toegevoegd "Ik kom voor het geld, jij hebt mijn geld", althans woorden van gelijke aard of strekking" en/of

- (vervolgens) (met kracht) (met een vuist) op het (voor)hoofd van die [aangeefster Y] heeft gestompt/geslagen en/of

- die [aangeefster X] heeft toegevoegd:"Wil je ook een pak slaag", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- die [aangeefster Y] heeft toegevoegd:"Ik maak je af als je het geld niet geeft, wij zijn Dominicanen, het maakt ons niet uit", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- die [aangeefster Y] bij de keel heeft vastgepakt en/of

- (met kracht) met een ijzeren staaf tegen de keel van die [aangeefster Y] heeft geduwd/gedrukt/geprikt (ten gevolge waarvan die [aangeefster Y] geen lucht meer kreeg) en/of

- (daarbij) die [aangeefster Y] en/of die [aangeefster X] heeft toegevoegd:"Ze praten niet, ze komen voor het geld. Als we jullie dood moeten maken is dat geen probleem" en/of "Het kan ons niks schelen wat we moeten doen, als we het geld maar krijgen. Het is niet de eerste keer dat dit soort dingen gebeuren. Als hij moet doden om te krijgen wat hij moet krijgen dan doet hij dat. Jij en je zus, we kunnen jullie nu, op dit moment, elimineren",

althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- die [aangeefster X] heeft beetgepakt en/of

- die [aangeefster Y] heeft toegevoegd dat zij nu geld wilden hebben en dat die [aangeefster Y] of [aangeefster X] anders met hun mee moest gaan, althans woorden van gelijk aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 08 april 2010 te Amsterdam een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten een pistool en/of een revolver, en/of munitie van categorie III, te weten een pistool merk [merk], kaliber [kaliber] en/of 5 stuks munitie, merk [merk], kaliber [kaliber] en/of een revolver, merk [merk], kaliber [kaliber] en/of 4 stuks revolvermunitie kaliber [kaliber], voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 08 april 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van art. 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) 7336,90 gram, althans (een) hoeveelheid/hoeveelheden poeder, bevattende fenacetine en/of lidocaïne en/of procaïne voorhanden gehad;

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding; samenvatting van de zaak

Op dinsdag 6 april 2010 omstreeks 22:00 uur is [aangeefster Y] opgebeld door [medeverdachte B], die in dat gesprek heeft gezegd dat ze voor de deur van de woning van [Y] aan de [adres] in Den Haag stond. [Y] was op dat moment niet thuis en is samen met haar zusje [aangeefster X] naar haar woning gegaan. Aldaar aangekomen bleek dat een huisgenoot van [aangeefster Y], [medeverdachte B], haar broer [verdachte] - verdachte -, [medeverdachte C], [medeverdachte D] en een zekere [E] al had binnengelaten. In de woning heeft verdachte tegen [Y] gezegd dat hij voor geld kwam. Hij heeft [Y] ervan beschuldigd dat zij, toen zij enkele dagen eerder in zijn woning in Amsterdam had geslapen, een bedrag van € 4.000,- uit zijn woning had weggenomen. Dit geld kwam hij nu halen. [Y] heeft gezegd dat zij het geld niet had. Er ontstond een woordenwisseling waarbij [Y] door verdachte in haar gezicht is geslagen. Op een gegeven moment heeft [X] gezegd dat zij met verdachte en de anderen mee zou gaan, terwijl [Y] dan kon proberen het geld te regelen. Omstreeks 22:30 uur is [X] met verdachte, [medeverdachte B], [medeverdachte C], [medeverdachte D] en [E] meegegaan in een auto. [medeverdachte D] was de bestuurder van de auto. In de namiddag van 7 april 2010 is [Y] naar de politie gegaan, waar zij heeft verteld wat er gebeurd was en dat haar zusje [X] inmiddels in de woning van verdachte en [medeverdachte B] aan de [adres] in Amsterdam verbleef. Naar aanleiding hiervan is op 7 april 2010 het onderzoek met de naam 15BRR10160 "Nikkel" gestart. In de nacht van 7 op 8 april 2010 is [X] door de politie uit de woning gehaald en is [medeverdachte B] in de woning aangehouden. Op 9 april 2010 zijn verdachte en [medeverdachte C] aangehouden en op 30 april 2010 is [medeverdachte D] op Schiphol aangehouden.

Naar aanleiding van dit voorval is verdachte gedagvaard, zoals hiervoor vermeld.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de gebeurtenissen in de avond en nacht van 6 op 7 april 2010 en vervolgens in de woning van verdachte in Amsterdam op 7 april 2010 als - kort gezegd- medeplegen van gijzeling en poging tot afpersing in vereniging kunnen worden gekwalificeerd.

In de nacht van 8 april 2010 is de woning aan de [adres] in Amsterdam doorzocht en zijn aldaar een pistool, een revolver en bijbehorende munitie, alsmede twaalf blauwe zakjes met wit poeder aangetroffen en inbeslaggenomen.

Ook hiervoor is verdachte gedagvaard, zoals hiervoor vermeld.

De rechtbank dient met betrekking tot de aangetroffen stoffen de vraag te beantwoorden of sprake is van het plegen van voorbereidingshandelingen bij misdrijven bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid,van de Opiumwet.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het door haar overgelegde schriftelijk requisitoir gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 heeft begaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu [aangeefster X] vrijwillig met verdachte en de medeverdachten is meegegaan naar Amsterdam, zodat geen sprake is van een wederrechtelijke vrijheidsberoving. Wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit, omdat het dossier voor de poging tot afpersing onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. Voorts heeft de raadsman zich in afwijking van zijn pleitnotities gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 3 en zich ten aanzien van feit 4 op het standpunt gesteld dat de enkele vondst van de stoffen tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres] te Amsterdam zonder enig steunbewijs onvoldoende is om voorbereidingshandelingen bewezen te verklaren, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden gesproken.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Uit het geheel van feiten en omstandigheden leidt de rechtbank op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

3.4.1 feit 1 en feit 2

Verdachte, [medeverdachte B], [medeverdachte C] en de verder onbekend gebleven [E] zijn op 6 april 2010 door [medeverdachte D] naar het huis van [Y en [X] in Den Haag gebracht. Verdachte en [medeverdachte B] hebben hen daar de woorden toegevoegd, zoals in de dagvaarding is vermeld. Verder heeft verdachte [Y] met zijn vuist met kracht tegen haar voorhoofd gestompt, omdat hij € 4.000,- van [Y] wilde hebben. Deze feiten zijn deels niet weersproken en blijken overigens uit de aangiftes van [Y]2 en [X]3 en hun latere verklaringen bij de rechter-commissaris, alsmede uit de verklaringen van verdachte4, [medeverdachte B]5, [medeverdachte C]6 en [medeverdachte D]7. Dat [X] vervolgens met verdachte, [medeverdachte B] en [medeverdachte C] door [medeverdachte D] naar de woning van verdachte en [medeverdachte B] in Amsterdam is gebracht, waar zij tot haar bevrijding door de politie op 8 april 2010 is gebleven, wordt ook niet weersproken en blijkt tevens uit de verklaringen van verdachte8, [medeverdachte B]9, [medeverdachte C]10 en [medeverdachte D]11.

[Y] heeft verklaard dat verdachte op 6 april 2010 in haar woning een ijzeren staaf pakte, die daar op de tafel lag en dat hij deze staaf vervolgens tegen haar keel drukte. Verdachte bleef die staaf tegen haar keel gedrukt houden, waardoor zij minder lucht kreeg.

[Y] heeft ook verklaard dat verdachte in haar woning heeft gezegd dat één van hen mee moest, waarmee hij [X] of [Y] bedoelde. Hierop heeft [X] gezegd dat zij wel mee zou gaan, zodat [Y] het geld kon regelen. [Y] heeft gezien dat haar zusje is meegegaan met verdachte en de anderen. Tijdens een van de telefoongesprekken die [X] en [Y] vervolgens hadden, heeft [Y] van [X] vernomen dat zij in een kamer met een roze bloem sliep. Deze kamer herkende [Y] als zijnde een kamer in de woning van verdacht [medeverdachte B], waardoor zij wist dat haar zusje inmiddels in Amsterdam verbleef12.

[X] heeft verklaard dat zij gezien heeft dat verdachte haar zusje bij de keel vastpakte, waarna hij een ijzeren staaf tegen haar keel drukte. Voorts heeft [X] verklaard dat [medeverdachte B] zei dat zij nu geld wilde en dat anders één van hen mee moest gaan. [X] begreep hieruit dat bedoeld werd dat [Y] of zijzelf mee moest gaan als onderpand totdat het geld er zou zijn. [X] was bang dat als [Y] mee zou gaan, zij erger mishandeld zou worden en daarom besloot zij zelf mee te gaan. Verdachte, [medeverdachte B], [medeverdachte D] en [medeverdachte C] zijn met haar in de auto van Juliana gestapt. [X] heeft verklaard dat zij vervolgens naar een woning in Amsterdam is gebracht, waar zij midden in de nacht aankwamen. Totdat zij bevrijd werd in de nacht van 8 april 2010 liepen de hele tijd mensen in en uit de woning, maar [X] werd steeds in de gaten gehouden13.

Nadat het onderzoek "Nikkel" was opgestart, is toestemming gegeven voor het opnemen van diverse gesprekken die zijn gevoerd met telefoons waarvan aangevers en verdachten de gebruikers waren. Met name de tapgesprekken T3/4 op 7 april 2010 om 20:46 uur tussen [X], [Y] en [medeverdachte B] en T1/62 op 8 april 2010 om 05:15 uur tussen [X] en [naam] ondersteunen hetgeen [X] en [Y] hebben verklaard over wat er op 6 en 7 april 2010 gebeurd is, namelijk dat [X] van haar vrijheid is beroofd en beroofd gehouden voor € 4.000,-. In het gesprek T3/4 heeft [medeverdachte B] tegen [Y] gezegd dat zij haar zus zal overhandigen als de mensen komen om haar, [B], aan te raken en in het gesprek T1/62 heeft [X] aan [naam] verteld dat haar zus bij de keel is gegrepen en met een ijzeren staaf te lijf is gegaan en dat [X] is meegegaan om [Y] te sparen, nadat tegen hen gezegd was dat één van hen moest meegaan.

[medeverdachte C] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat [X] bang was en dat zij vervolgens is meegegaan14.

[medeverdachte D] heeft verklaard dat [X] is meegegaan om haar zus te beschermen en omdat haar zus de volgende dag zou gaan betalen15.

Ook uit de verklaring van verdachte blijkt dat het verblijf van [X] in zijn woning onvrijwillig was, als onderpand voor de € 4.000,-. Hij heeft immers verklaard dat hij op 7 april 2010 tegen [X] heeft gezegd dat zij nog een nachtje moest blijven slapen, omdat [Y] het geld nog niet had geregeld16.

Onvrijwilligheid

Gezien het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat [X] vrijwillig is meegegaan en overweegt daartoe in het bijzonder nog als volgt.

[Y] is in het bijzijn van [X] mishandeld, waarbij een ijzeren staaf is gebruikt en dreigende taal is geuit. Daarmee is hen ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat het opgeëiste bedrag van € 4.000,- hoe dan ook betaald moest worden. Gelet op de feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang gezien, kan er bij [X] geen sprake zijn geweest van vrijwilligheid. Dat zij zich tegen het verblijf in Amsterdam niet heeft verzet en dat zij vrijelijk kon beschikken over haar telefoon, kan niet tot de conclusie leiden dat zij heeft ingestemd met haar verblijf. De druk op [X] om mee te gaan, de overmacht waarmee zij werd geconfronteerd en de dreiging die van verdachte en de medeverdachten is uitgegaan, lieten haar uiteindelijk geen andere mogelijkheid dan zich ter bescherming van haar zusje te schikken in de eisen van verdachte en de medeverdachten en met hen mee te werken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook in toereikende mate dat de verdachte zich ervan bewust moet zijn geweest dat vrijwilligheid bij [X] ontbrak. Het medeplegen van de gijzeling van [X] kan daarmee bewezen worden verklaard.

Poging tot afpersing in vereniging

Het feit dat de verdachte [Y] om geld heeft gevraagd, dat hij dreigende taal heeft geuit tegen [Y] en haar zusje, dat hij [Y] heeft mishandeld en dat hij met de medeverdachten [X] als onderpand naar Amsterdam heeft meegenomen, beschouwt de rechtbank als een begin van uitvoering van het bemachtigen van het geld, waarmee de poging tot afpersing in vereniging bewezen kan worden verklaard.

3.4.2 feit 3

Nu verdachte heeft bekend vuurwapens en munitie in de woning voorhanden te hebben gehad en de raadsman zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zal de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van de woning aan de [adres] te Amsterdam, op 8 april 2010 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van politie Amsterdam-Amstelland (blz. 132);

- een proces-verbaal van politie Haaglanden, ploeg wapens en explosieven en narcotica, nummer PL 15 2010072052 15BRR101060, WEN nummer 88/2010, op 19 april 2010 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van politie Haaglanden (blz. 162);

- een proces-verbaal van politie Haaglanden, ploeg wapens en explosieven en narcotica, nummer PL 15 2010072052 15BRR101060, WEN nummer 89/2010, op 19 april 2010 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van politie Haaglanden (blz. 165 + 167);

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2012.

3.4.3 feit 4

Op 8 april 2010 werden in de woning van verdachte aan de [adres] te Amsterdam twaalf plastic zakjes met wit poeder in de gangkast en de kleine slaapkamer van de woning aangetroffen17. Er waren zeven plastic zakjes met een bruto gewicht van respectievelijk 1002, 1002, 1002, 1002, 1004, 1003 en 1005 gram wit poeder, dus in totaal 7020 gram. Er waren twee plastic zakjes met respectievelijk 1002, 1003 gram wit poeder en drie plastic zakjes met respectievelijk 294, 124,7 en 192,2 gram wit poeder18. Er zijn monsters van de witte poeders onderzocht door twee verschillende NFI-deskundigen, die beiden tot de conclusie kwamen dat hier sprake was van fenacetine, procaïne en lidocaïne19.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wist dat het poeder, dat in zijn woning was aangetroffen, fenacetine betrof20.

De zus van verdachte, [medeverdachte B], heeft bij de politie verklaard dat zij weet dat haar broer dat spul dat voor drugs wordt gebruikt, verkoopt. Zij heeft gezien dat verdachte zakken verkocht aan Afrikaanse mensen in kilo's. Zij heeft zelf wel eens € 700,- gekregen voor een zak die ze aan iemand moest geven, waarna ze die € 700,- aan verdachte heeft gegeven21.

Aangeefster [Y] heeft bij de politie verklaard dat zij tijdens het logeren bij verdachte en [medeverdachte B] heeft gezien dat er mannen over de vloer kwamen met grote zakken wit poeder. Zij heeft ook gezien dat er voor een grote zak met wit poeder duizenden euro's werden betaald22.

De verbalisanten, die tevens materiedeskundigen narcotica zijn, hebben verklaard dat bij hen bekend is dat de stoffen fenacetine en procaïne worden gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne. Door de toevoeging van een stof als fenacetine of procaïne neemt het gewicht en daarmee de winst toe. Bovendien is de stof procaïne volgens informatie van de inspectie voor de gezondheidszorg niet meer als grondstof voor een humaan geneesmiddel in Nederland geregistreerd. Procaïne is alleen als grondstof voor de diergeneesmiddelen geregistreerd23. De beide NFI-deskundigen, die de monsters van de witte poeders hebben onderzocht, hebben in hun rapporten vermeld dat fenacetine een pijnstillend en koortsverlagend middel is dat sinds 1984 vanwege de bijwerkingen niet meer mag worden afgeleverd. Procaïne is een plaatselijk verdovingsmiddel dat nauwelijks meer wordt toegepast en lidocaïne is een stof die op ruime schaal in de geneeskunde toepassing vindt als (plaatselijk) verdovingsmiddel en ter bestrijding van hartritmestoornissen. Fenacetine, lidocaïne en in mindere mate procaïne worden regelmatig aangetroffen als versnijdingsmiddelen in illegale cocaïne monsters24.

Het gaat, aldus de Memorie van Toelichting, in artikel 10a, eerste lid, onder ten derde van de Opiumwet om stoffen waarvan een verdachte weet, of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van het in die bepaling bedoelde feit, dan wel niet of nauwelijks voor een ander doel kunnen worden toegepast. Die bestemming zal uit alle ter zake relevante omstandigheden kunnen worden afgeleid.

In dit verband overweegt de rechtbank dat stoffen als fenacetine, lidocaïne en procaïne naast (mogelijk) legale toepassingen, ook gebruikt (kunnen) worden als versnijdingsmiddel bij de bereiding en bewerking van harddrugs in het illegale circuit. Uit onderzoeken van o.a. het Nederlands Forensisch Instituut is komen vast te staan dat monsters van de in de woning van verdachte aangetroffen stoffen cocaïne versnijdingsmiddelen als fenacetine, lidocaïne en procaïne bevatten.

Gelet op het hiervoor overwogene, op het feit dat de zakjes wit poeder op verschillende plaatsen in de woning verborgen waren en dat het grote hoeveelheden betrof, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte handelde met het opzet om een feit van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij in de periode van 6 april 2010 tot en met 8 april 2010, te 's-Gravenhage en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [aangeefster X] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [aangeefster Y] te dwingen iets te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met anderen,

- die [aangeefster X] toegevoegd: "Wil je ook een pak slaag" en "Ze praten niet. Ze komen voor het geld. Als we jullie dood moeten maken is dat geen probleem" en "Het kan ons niks schelen wat we moeten doen, als we het geld maar krijgen. Het is niet de eerste keer dat dit soort dingen gebeuren. Als hij moet doden om te krijgen wat hij moet krijgen dan doet hij dat. Jij en je zus, we kunnen jullie nu, op dit moment, elimineren", althans woorden van gelijke aard of strekking en

- die [aangeefster Y] en [aangeefster X] toegevoegd dat één van hen mee moest komen en

- die [aangeefster X] naar een auto begeleid en in die auto meegenomen en die [aangeefster X] vastgehouden in die auto en een woning en voortdurend in de nabijheid van die [aangeefster X] gebleven, teneinde [aangeefster Y] te dwingen een bedrag van 4000 euro af te staan, immers hebben hij en zijn mededaders van die [aangeefster Y] teruggave van dat bedrag geëist;

2.

hij op 06 april 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangeefster Y] te dwingen tot de afgifte van een bedrag van 4000 euro toebehorende aan [aangeefster Y], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, met zijn mededaders,

- die [aangeefster Y] heeft toegevoegd "Ik kom voor het geld, jij hebt mijn geld", althans woorden van gelijke aard of strekking" en

- vervolgens met kracht met een vuist op het voorhoofd van die [aangeefster Y] heeft gestompt en

- die [aangeefster X] heeft toegevoegd:"Wil je ook een pak slaag", althans woorden van gelijke aard of strekking en

- die [aangeefster Y] heeft toegevoegd:"Ik maak je af als je het geld niet geeft, wij zijn Dominicanen, het maakt ons niet uit", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- die [aangeefster Y] bij de keel heeft vastgepakt en

- met kracht met een ijzeren staaf tegen de keel van die [aangeefster Y] heeft gedrukt ten gevolge waarvan die [aangeefster Y] geen lucht meer kreeg en

- daarbij die [aangeefster Y] en die [aangeefster X] heeft toegevoegd:"Ze praten niet, ze komen voor het geld. Als we jullie dood moeten maken is dat geen probleem" en "Het kan ons niks schelen wat we moeten doen, als we het geld maar krijgen. Het is niet de eerste keer dat dit soort dingen gebeuren. Als hij moet doden om te krijgen wat hij moet krijgen dan doet hij dat. Jij en je zus, we kunnen jullie nu, op dit moment, elimineren",

althans woorden van gelijke aard of strekking en

- die [aangeefster Y] heeft toegevoegd dat zij nu geld wilden hebben en dat die [aangeefster Y] of [aangeefster X] anders met hen mee moest gaan, althans woorden van gelijk aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 08 april 2010 te Amsterdam wapens van categorie III, te weten een pistool en een revolver, en munitie van categorie III, te weten een pistool merk [merk], kaliber [kaliber] en 5 stuks munitie, merk [merk], kaliber [kaliber] en een revolver, merk [merk], kaliber [kaliber] en 4 stuks revolvermunitie kaliber [kaliber], voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 08 april 2010 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte hoeveelheden poeder, bevattende fenacetine en lidocaïne en procaïne voorhanden gehad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat deze vordering is opgebouwd uit tien maanden voor feiten 1 en 2 en tien maanden voor feiten 3 en 4. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven bij uitspraak.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat, indien verdachte zal worden veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten, aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd. Gelet op het tijdsverloop van de zaak, dat verdachte geen recidive heeft op het gebied van geweldsdelicten, dat verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet met politie en justitie in aanraking is gekomen en omdat verdachte de zorg voor zijn drie kinderen heeft en hij een opleiding volgt bij het ROC, vindt de verdediging een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk een passende straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan gijzeling van [aangeefster X] en poging tot afpersing van haar zus, [aangeefster Y]. [Y] zou € 4.000,- gestolen hebben van de zus van verdachte en toen zij dit geld niet kon teruggeven, hebben verdachte en zijn medeverdachten het recht in eigen hand genomen. [X] en [Y] zijn bedreigd met geweld en er is ook daadwerkelijk geweld tegen [Y] gebruikt. Hierna is [X] meegenomen als onderpand, opdat haar zus het geld zou regelen. Het hoeft geen betoog dat de gijzeling, de poging tot afpersing en de geweldplegingen voor [X] en [Y] beangstigende en bedreigende ervaringen zijn geweest. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk, te meer omdat hij de initiatiefnemer van het gebeuren is geweest. De rechtbank neemt echter ook in aanmerking dat het toegepaste geweld beperkt is gebleven, waarna door enkelen de-escalerend is opgetreden en dat, zoals [X] zelf heeft verklaard, zij goed is behandeld gedurende de vrijheidsberoving.

Daarnaast heeft verdachte een pistool en een revolver met bijbehorende munitie voorhanden gehad in zijn huurwoning in Amsterdam. Het voorhanden hebben van een wapen levert een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt veelal tot het plegen van ernstige geweldsdelicten. Het voorhanden hebben van een wapen doet dan ook afbreuk aan de veiligheid in de samenleving.

Ten slotte heeft verdachte een grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen in zijn huurwoning in Amsterdam voorhanden gehad om cocaïne te bewerken en/of te verwerken. Deze zogenoemde voorbereidingshandelingen zijn bedoeld om cocaïne in omloop te brengen. De bij verdachte aangetroffen versnijdingsmiddelen worden in zijn algemeenheid gebruikt om de cocaïne te versnijden en daarmee de winst te verhogen. Verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid en het gebruik ervan werkt criminaliteit in de hand. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne een ernstige bedreiging vormt voor de gezondheid en psychische stabiliteit van de gebruikers en dat het leidt tot allerlei maatschappelijke problemen en problemen van sociale veiligheid.

Voorts neemt de rechtbank ten nadele van verdachte in aanmerking dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 februari 2012, in 2005 is veroordeeld voor een strafbaar feit betreffende de Opiumwet.

Op grond van de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Echter, op grond van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, waarvan bovendien een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd. Het voorwaardelijke deel dient verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 45, 47, 57, 282a en 317 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van gijzeling;

ten aanzien van feit 2:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: een revolver [merk] 136629.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mrs A.L. Frenkel en C.H.M. Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.N. Schuurmans-van Erkel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

2 Proces-verbaal aangifte [Y] op 7 april 2010, blz. 12 onderaan

Getuigenverklaring bij de rechter-commissaris van [Y] op 1 en 13 september 2010

3 Proces-verbaal verhoor aangever [X] op 8 april 2010, blz. 18 midden

Getuigenverklaring bij de rechter-commissaris van [X] op 1, 13 en 23 september 2010

4 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] op 10 april 2010, blz. 43 midden

5 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte B] op 8 april 2010, blz. 109 onderaan

6 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte C] op 10 april 2010, blz. 84

7 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte D] op 1 mei 2010, blz. 148 bovenaan

8 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] op 10 april 2010, blz. 43 midden en eind

9 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte B] op 8 april 2010, blz. 110 bovenaan

10 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte C] op 10 april 2010, blz. 84 onderaan

11 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte D] op 1 mei 2010, blz. 149 midden

12 Proces-verbaal aangifte [Y] op 7 april 2010, blz. 13

13 Proces-verbaal verhoor aangever [X] op 8 april 2010, blz. 18, blz. 19 bovenaan en blz. 20 midden

14 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte C] op 10 april 2010, blz. 85 onderaan

15 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte D], blz. 149 midden en onderaan

16 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] op 10 april 2010, blz 44 midden

17 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van politie Amsterdam-Amstelland, blz. 132-133

18 Proces-verbaal van materiedeskundigen narcotica van politie Haaglanden, blz 125

19 Rapport, NFI zaaknummer 2010.06.03.011/Aanvraag 1, op 10 juni 2010 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, blz. 156

Rapport, NFI zaaknummer 2010.06.03.011/Aanvraag 1, op 9 juni 2010 opgemaakt door ing. P.H. Wallinga, blz. 158

20 Proces-verbaal verklaring verdachte op 12 april 2010, blz 51 bovenaan

21 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte B] op 8 april 2010, blz. 111 onderaan

22 Proces-verbaal aangifte [Y] op 7 april 2010, blz. 14 bovenaan

23 Proces-verbaal van politie Haaglanden, bureau forensisch technische opsporing wapens, explosieven en narcotica van 8 april 2010, blz 125 onderaan en blz. 126 bovenaan

24 Zie voetnoot 4