Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9892

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
AWB 12/3359 & 12/3357
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA0606, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Minderjarige asielzoeker

Uit het rapport van Thomas Hammarberg van 7 september 2011 blijkt onder meer dat Italië tekort schiet in het snel herkennen van kwetsbare personen, zoals alleenstaande minderjarigen, zwangere of alleenstaande vrouwen, gehandicapte personen en slachtoffers van seksueel of gendergerelateerd geweld, als gevolg waarvan de desbetreffende vreemdelingen adequate zorg ontberen. Daarnaast heeft de president van het EHRM in de interim measures van 7 september 2011 en 23 januari 2012 aan Italië gevraagd of, en zo ja, welke praktische en effectieve stappen gezet zijn om te garanderen dat aan asielzoekers die op grond van de Verordening aan Italië worden overgedragen, onderdak, ondersteuning en medische zorg wordt geboden. Verzoeker is evenals de vreemdeling in de zaak waarop de interim measure van 23 januari 2012 betrekking heeft, een minderjarige. Verzoeker behoort daarom tot de kwetsbare groep asielzoekers, genoemd in voormeld rapport van Hammarberg.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek -met name naar de omstandigheden van minderjarige asielzoekers in Italië- heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/233

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 12 / 3359 (voorlopige voorziening)

AWB 12 / 3357 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 maart 2012

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum] van Somalische nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. S. Sewnath, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: drs. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Op 26 juli 2009 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 19 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verzoeker heeft tegen het besluit op 20 februari 2010 beroep ingesteld.

1.2 Bij uitspraak van 18 oktober 2010 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd (AWB 10/6728).

1.3 Verweerder heeft vervolgens de aanvraag bij besluit van 30 januari 2012 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 30 januari 2012 beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 30 januari 2012 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten naar Italië.

1.5 Bij brief van 12 maart 2012 heeft verzoeker nadere stukken ingebracht.

1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de bij brief van 12 maart 2012 ingebrachte stukken, waaronder een drietal interim measures en een brief van Nidos van 24 oktober 2011. Bij brief van 16 maart 2012 heeft verweerder een reactie gegeven. Verzoeker heeft hierop bij brief van 19 maart 2012 gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven het onderzoek te sluiten en zonder nadere zitting uitspraak te doen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

2.5 Italië heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek, zodat Italië op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, Verordening verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker.

2.6 Verzoeker heeft aangevoerd dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Verzoeker heeft verwezen naar het artikel “Asiel in Europa: het Italiaanse asielsysteem in het kader van de EU-wetgeving” van mr. A Ricci Ascoli in de NAV nr. 3 van juni 2009 en naar de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) getroffen interim measures tegen Finland, Italië, Nederland en het VK van 12 juni 2009 (no. 30815/09), 16 juni 2009 (no. 31333/09), 18 augustus 2009 (no. 44517/09), 12 oktober 2009 (no. 53992/09), 2 december 2009 (no. 63469/09), 7 september 2011 (no. 55887/11), 27 oktober 2011 (no. 63388/11) en 23 januari 2012 (no. 4107/10). Verder heeft verzoeker verwezen naar vragen van het EHRM aan Italië van 18 november 2009 (no. 27765/09), Handvatten als geformuleerd door Vluchtelingenwerk en de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo van 11 februari 2010 (AWB 09/39818). Voorts heeft verzoeker gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 17 mei 2010 (AWB 10/821). Er bestaat in Italië risico op refoulement en toegang tot een effectief rechtsmiddel ontbreekt. Voorts is sprake van mogelijke schending artikel 3 EVRM. Verzoeker behoort tot een kwetsbare groep asielzoekers, genoemd in het rapport van Thomas Hammarberg van 7 september 2011. Verzoeker is minderjarig, heeft medische klachten en staat onder voogdijschap van Nidos. Tevens voldoet Italië niet aan de verplichting tot het bieden van onderdak, ondersteuning en medische zorg. Verweerder kan niet zonder nader onderzoek volstaan met verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

2.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor het oordeel dat de stukken waar verzoeker zich op beroept moeten leiden tot de conclusie dat hij niet aan Italië mag worden overgedragen. In hetgeen is aangevoerd wordt geen aanleiding gezien toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Er is geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van verzoeker aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM en verweerder zich om die reden niet met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de refoulementverboden niet zal schenden dan wel dat, indien verzoeker wordt overgedragen aan Italië, Nederland zich schuldig maakt aan schending van het beginsel van gemeenschapstrouw, zoals neergelegd in artikel 10 van het EG-Verdrag (thans: artikel 4, derde lid, Verdrag betreffende de Europese Unie -VEU-). Verweerder heeft voorts aangegeven dat de verwijzing naar de brief van Nidos geen doel treft nu verzoeker meerderjarig is en er geen recente medische documenten zijn overgelegd, waaruit zou blijken dat verzoeker onder specialistische behandeling staat dan wel (in Nederland) behoeft. Tevens verwijst verweerder naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 februari 2012 (AWB 12/3526-3528-3531-3532). Het beroep van verzoeker op de interim measures kan ook niet slagen. Hier kan geen concrete aanwijzing uit worden afgeleid dat Italië zich niet aan de verdragsverplichtingen zou houden. Ter adstructie verwijst verweerder verder naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 november 2011 (201007173/1).

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 3, tweede lid, Verordening kan, in afwijking van het eerste lid, verweerder een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

2.9 In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De vraag is of eiseres op grond van concrete, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat dit in dit geval wat betreft Italië anders is. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

2.10 De Afdeling heeft in de uitspraken van 14 juli 2011 (201009278/1/V3, 201007479/1 en 201002796/1/V3) overwogen dat de interim measures van het EHRM waarnaar de vreemdeling heeft verwezen, niet van een motivering zijn voorzien, zodat daaruit niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, indien dat het geval is, welke betekenis dit zou kunnen zijn. In dat kader heeft de Afdeling voorts van belang geacht dat verweerder ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht dat de president van het EHRM ten aanzien van overdrachten aan Italië nog steeds, ook recentelijk, verzoeken om interim measures afwijst.

2.11 Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel niet dat aan de vraagstelling van de president van het EHRM voor het onderhavige geval geen betekenis toekomt. Uit die vraagstelling leidt de voorzieningenrechter namelijk af dat Italië al niet voldeed aan de verplichting tot het bieden van onderdak, ondersteuning en medische zorg aan zogeheten Dublinclaimanten, dat voor het EHRM onduidelijk is of Italië inmiddels stappen heeft gezet om die opvangvoorzieningen te verzekeren en -in de zaak waarop de interim measure betrekking heeft- dat de president van het EHRM overdracht van de asielzoekster en haar jonge kind niet aangewezen acht voordat daarover zekerheid is verkregen.

2.12 De president van het EHRM heeft vervolgens op 7 september 2011 opnieuw een interim measure getroffen, welke door de Afdeling niet bij de beoordeling in de uitspraken van 14 juli 2011 is betrokken. Daarbij is onder meer aan Italië de volgende vraag voorgelegd: "What, if any, concrete practical and effective steps are taken by the Italian authorities to ensure that aliens returned to Italy under the terms of the Dublin II Regulation, like the applicant and her young child, are provided with shelter, subsistence and medical care upon arrival in Italy?”

2.13 Voorts is na de uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2011 verschenen het rapport van de Mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, Thomas Hammarberg van 7 september 2011. Hierin is het volgende, voor zover hier van belang opgenomen: “(…) The Commissioner notes that following the arrivals from Northern Africa, the Ministry of Interior asked the regions of Italy to identify facilities for the reception of migrants, since CARAs and CDAs were not sufficient to meet the needs. The State Secretary at the Ministry of Interior, Ms Sonia Viale shared with the Commissioner her appreciation of the solidarity displayed by the different Italian regions in this respect. While welcoming this, the Commissioner also notes reports according to which centres in which asylum seekers are hosted do not always meet the relevant standards, in particular as concerns provision of legal aid and psychosocial assistance. Difficulties in the speedy identification of vulnerable persons and the preservation of family unity during transfers from the points of disembarkation to the different centres have also been reported, with resulting inadequate care and follow-up for the individuals concerned (59). (…) The Commissioner also encourages the Italian authorities to ensure that in all centres where they are accommodated, asylum seekers enjoy conditions that meet national and international, including Council of Europe, standards as well as adequate access to legal aid and psycho-social assistance. This is important in order to ensure that the currently good levels of protection – the commissioner understands that in 2010 around 45% of asylum seekers obtained either refugee status or subsidiary or humanitarian protection are maintained also in a context of increasing asylum applications It is also particularly important that special measures are effectively implemented to identify and cater for the special needs of vulnerable individuals, including unaccompanied children, single or pregnant women, persons with disabilities and victims of torture and sexual and gender-based violence (65). “

2.14 De rechtbank is van oordeel dat verzoeker voldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen dat Italië zijn internationale verdragsverplichtingen niet nakomt. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.15 Uit het rapport van Thomas Hammarberg van 7 september 2011 blijkt onder meer dat Italië tekort schiet in het snel herkennen van kwetsbare personen, zoals alleenstaande minderjarigen, zwangere of alleenstaande vrouwen, gehandicapte personen en slachtoffers van seksueel of gendergerelateerd geweld, als gevolg waarvan de desbetreffende vreemdelingen adequate zorg ontberen.

Daarnaast heeft de president van het EHRM in de interim measures van 7 september 2011 en 23 januari 2012 aan Italië gevraagd of, en zo ja, welke praktische en effectieve stappen gezet zijn om te garanderen dat aan asielzoekers die op grond van de Verordening aan Italië worden overgedragen, onderdak, ondersteuning en medische zorg wordt geboden aan welke vraagstelling, zoals hiervoor overwogen in 2.11, naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook betekenis toekomt in andere gevallen dan die waar de interim measure op ziet.

Verzoeker is, in tegenstelling tot hetgeen verweerder stelt, evenals de vreemdeling in de zaak waarop de interim measure van 23 januari 2012 betrekking heeft, een minderjarige. Verzoeker behoort daarom tot de kwetsbare groep asielzoekers, genoemd in het rapport van Hammarberg van 7 september 2011.

2.16 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek -zo ook ten aanzien van het rapport van voogdij-instelling Nidos van 24 oktober 2011- bezien tegen de achtergrond van de algemene situatie, heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft, door na te laten nader onderzoek te verrichten, met name naar de omstandigheden van minderjarige asielzoekers in Italië, geen gevolg gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 18 oktober 2011.

2.17 Voor zover verweerder zich beroept op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, merkt de voorzieningenrechter op dat die uitspraak ziet op andere stukken van het Nidos, ten opzichte van een ander land. De door de rechtbank in die zaak getrokken conclusie zijn niet van toepassing op de brief van 27 oktober 2011.

2.18 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.19 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.20 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 30 januari 2012;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan verzoeker, in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 437,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.