Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9771

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 4671 + AWB 12 / 4669
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter staving van zijn stelling dat ten aanzien van Polen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft verzoeker (onder meer) verwezen naar een rapport van het Belgisch comité voor hulp aan vluchtelingen van december 2011 en een rapport van the Society for Threatened Peoples van januari 2011.

De voorzieningenrechter overweegt dat in de door verzoeker ingeroepen rapporten weliswaar een beeld wordt geschetst van opvangfaciliteiten en (medische en sociale) voorzieningen die op onderdelen te kort schieten, maar uit deze stukken volgt nog niet dat ten aanzien van Polen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij is van belang dat verzoekers vorenstaand relaas geen indicaties biedt voor het oordeel dat de Poolse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet nu uit verzoekers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij in Polen werd bedreigd met uitzetting naar zijn land van herkomst, dan wel dat hij anderszins in het verleden in Polen slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

zittinghoudende te Maastricht

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 4671 + AWB 12 / 4669

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2012 in de zaak tussen

[R.B.], te Arnhem, verzoeker

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen),

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het besluit van 10 februari 2012 beroep ingesteld. Voorts is de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 maart 2012, alwaar verzoeker en verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Verzoeker stelt te zijn geboren op 13 januari 1979 en de Russische nationaliteit te hebben. Op 2 februari 2012 heeft verzoeker voornoemde aanvraag ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat Polen verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker. Uit dactyloscopisch onderzoek met behulp van het Eurodac-systeem is gebleken dat verzoeker in Polen een asielaanvraag heeft ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Verordening), zijn de Poolse autoriteiten op 18 januari 2012 verzocht verzoeker terug te nemen. Op 1 februari 2012 hebben de Poolse autoriteiten dit verzoek ingewilligd.

Verzoeker heeft betoogd dat ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit geen rekenschap gegeven van het feit dat verzoeker in Polen (slechts) een gedoogstatus had, hij illegaal in zijn onderhoud diende te voorzien, aangezien hij geen opvang meer kreeg en dat de Poolse politie te kennen heeft gegeven dat verzoeker wordt opgepakt als hij niet als informant voor de Poolse politie gaat werken. Verzoeker is weliswaar tweemaal vrijgesproken door de rechter, maar heeft desondanks een lange gevangenisstraf in Polen moeten ondergaan. Verder heeft verweerder gesteld dat verzoeker dient te klagen bij de (hogere) autoriteiten, maar verweerder heeft niet onderzocht of dit (daadwerkelijk) mogelijk is. Verweerder dient te motiveren dat het van verzoeker kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de (hogere) autoriteiten in Polen. In het bestreden besluit heeft verweerder ten onrechte niet duidelijk gemaakt of de door verzoekers afgelegde verklaringen over hetgeen hem is overkomen in Polen geloofwaardig worden geacht. Ter staving van zijn stellingen heeft verzoeker verwezen naar een rapport van het Belgisch comité voor hulp aan vluchtelingen van december 2011, een rapport van the Society for Threatened Peoples van januari 2011 en een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen van 4 oktober 2011. Ten slotte heeft verzoeker zich beroepen op een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 21 december 2011 (C-411/10 en C-493/10).

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In het onderhavige geval is de Verordening van toepassing bij het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Op grond van artikel 16, eerste lid onder c, van de Verordening is de lidstaat die krachtens deze verordening verantwoordelijk is voor een asielverzoek verplicht een asielzoeker wiens verzoek in behandeling is en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen onder de voorwaarden bepaald in artikel 20 van de Verordening terug te nemen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoeker in Polen is geregistreerd als asielzoeker en dat Polen daarom in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of verweerder ten aanzien van Polen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover thans van belang, wordt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening het asielverzoek zelf te behandelen, terughoudend gebruik gemaakt.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de vreemdeling niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

De voorzieningenrechter neemt voorts in aanmerking dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer in haar uitspraken van 14 juli 2011 (nrs. 201009278/1/V3, 201007479/1/V3 en 201002796/1/V3, www.raadvanstate.nl) heeft overwogen dat uit het arrest inzake M.S.S. tegen België en Griekenland (zaaknr. 30696/09, JV 2011, 68) blijkt dat het EHRM bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel artikel 13 van het EVRM, in het bijzonder de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land betrekt. Voorts houdt het arrest in dat ook in een situatie waarin ten aanzien van deze aspecten informatie is overgelegd die niet specifiek op de betrokken vreemdeling ziet, een lidstaat die een asielzoeker wenst over te dragen, zich ervan dient te vergewissen dat de wetgeving van de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, op deze punten wordt toegepast op een wijze die in overeenstemming is met het EVRM.

Ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, is een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden. Het is immers mogelijk dat deze informatie tot de conclusie moet leiden dat zich, gelet op tekortkomingen bij de behandeling van asielzoekers in het land waaraan wordt overgedragen, feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM zoals bedoeld in vorenstaand beleid wordt weerlegd.

Gelet op de beoordeling waartoe het arrest in de zaak M.S.S. noopt, kan er volgens de Afdeling vanuit worden gegaan dat eventuele schendingen van het Unierecht in het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, die buiten het kader van de door het EHRM bij de beoordeling betrokken aspecten vallen en derhalve niet leiden tot de conclusie dat bij overdracht aan een andere lidstaat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM, het Hof van Justitie niet tot het oordeel zullen leiden dat een lidstaat vanwege dergelijke schendingen de behandeling van een asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich zou moeten trekken. Daarbij acht de Afdeling van belang dat een verdergaande uitleg van artikel 3, tweede lid, van de Verordening in alle zaken waarin de Verordening wordt toegepast tot een geheel andere wijze van beoordeling zou moeten leiden, hetgeen de Afdeling - naar de voorzieningenrechter begrijpt - thans vooralsnog niet aannemelijk voorkomt.

In het licht van vorenstaand toetsingskader overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

In beginsel mag worden aangenomen dat de lidstaten van de Europese Unie het beginsel van non-refoulement eerbiedigen en de verdragsverplichtingen voortkomende uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM nakomen. Het is daarom aan verzoeker om aannemelijk te maken dat dit ten aanzien van Polen anders is.

Verzoeker heeft zijn stelling dat in dit geval niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel onderbouwd met een aantal documenten. Voorts heeft hij in zijn nader gehoor en zijn verzoekschrift - samengevat weergegeven - gesteld dat hij in Polen een gedoogstatus heeft, aan hem een gevangenisstraf is opgelegd, terwijl hij onschuldig is, hij geen opvang meer kreeg in Polen en dat hij zal worden opgepakt in Polen, omdat hij heeft geweigerd als informant voor de Poolse politie te werken.

De voorzieningenrechter overweegt dat in de door verzoeker ingeroepen rapporten weliswaar een beeld wordt geschetst van opvangfaciliteiten en (medische en sociale) voorzieningen die op onderdelen te kort schieten, maar uit deze stukken volgt nog niet dat ten aanzien van Polen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij is van belang dat verzoekers vorenstaand relaas geen indicaties biedt voor het oordeel dat de Poolse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet nu uit verzoekers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij in Polen werd bedreigd met uitzetting naar zijn land van herkomst, dan wel dat hij anderszins in het verleden in Polen slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Verzoeker heeft verklaard dat hij in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in Polen, geldig tot december 2013. Uit verzoekers verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij alle (redelijkerwijs te verwachten) mogelijkheden heeft benut ter verkrijging van opvang en dat hij heeft getracht bescherming te verkrijgen van de (hogere) Poolse autoriteiten.

De stelling van verzoeker dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of van hem kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de (hogere) Poolse autoriteiten volgt de voorzieningenrechter niet, aangezien het in beginsel aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat hij zich niet tot deze autoriteiten kan wenden. De door verzoeker ingeroepen uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen leidt niet tot een ander oordeel, nu uit deze uitspraak niet volgt dat ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit geldt ook voor de eerdergenoemde uitspraak van het Hof van Justitie waarnaar verzoeker heeft verwezen. Voor zover verzoeker heeft beoogd te stellen dat voornoemd toetsingskader in strijd is met deze uitspraak wordt hij daarin door de voorzieningenrechter niet gevolgd.

De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding vormt voor het oordeel dat door de overdracht van verzoeker aan Polen een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 dan wel artikel 13 van het EVRM. Verweerder heeft zich om die reden dan ook met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kunnen stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Polen zijn internationale verdragsverplichtingen niet zal schenden en geen aanleiding hoeven te vinden om de behandeling van verzoekers asielverzoek aan zich te trekken.

De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten tot afwijzing van verzoekers asielaanvraag.

Het beroep is ongegrond. Gelet op de omstandigheid dat uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan en het bestreden besluit daardoor niet langer onderwerp vormt van een door de voorzieningenrechter te beslissen geschil, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81, van de Awb, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.

w.g. S. Wenders w.g. R. Gijselaers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden: 7 maart 2012

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak staat voor belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt één week na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, van de Awb of aan artikel 85, eerste of tweede lid, van de Vw 2000.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel op