Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9748

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
400882 / HA ZA 11-2252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, geboren in Egypte, stelt – samengevat – dat hij tussen januari 1999 en augustus 2007 in Libië ten onrechte in detentie heeft gezeten en aldaar is gefolterd door gedaagden als gevolg waarvan hij schade heeft geleden ten belope van € 1.000.000,-- (€ 750.000,-- aan materiële schade en € 250.000,-- aan immateriële schade).

Gedaagden zijn niet in de procedure verschenen. Volgens eiser hebben zij geen bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland en is het – ondanks pogingen daartoe – ook niet gelukt om hun woonplaats of werkelijke verblijfplaats te achterhalen. Dit betoog kwam de rechtbank niet ongegrond voor, zodat – nu aan de termijnen en formaliteiten voor betekening was voldaan – tegen gedaagden verstek is verleend.

De rechtbank heeft in haar vonnis allereerst beoordeeld of zij in deze zaak rechtsmacht heeft.

Uitgangspunt is dat voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beslissend is de

situatie en omstandigheden in Libië op het tijdstip van het aanhangig maken van de procedure,

derhalve op of rond 27 juli 2011 (de datum van de dagvaarding). De rechtbank heeft overwogen dat

gelet op hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd – dat niet is weersproken nu tegen gedaagden

verstek is verleend en dat de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt – zij op grond van

artikel 9 aanhef en onder c Rv, bevoegd is van deze zaak kennis te nemen.

Indien tegen gedaagden verstek is verleend, dient de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel

139 Rv de vordering van eiser toe te wijzen, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De

rechtbank heeft in deze zaak geoordeeld dat van deze uitzondering in dit geval geen sprake is en de

vorderingen van eiser derhalve toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 400882 / HA ZA 11-2252

Vonnis van 21 maart 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. W.P. den Hertog te ’s-Gravenhage,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland;

2. [gedaagde sub 2],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland;

3. [gedaagde sub 3],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

4. [gedaagde sub 4],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

5. [gedaagde sub 5],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

6. [gedaagde sub 6],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

7. [gedaagde sub 7],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

8. [gedaagde sub 8],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

9. [gedaagde sub 9],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

10. [gedaagde sub 10],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

11. [gedaagde sub 11],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland,

12. [gedaagde sub 12],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland.

gedaagden,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 juli 2011, waarvan een kopie aan dit vonnis is gehecht, met 38 producties;

- de mondelinge uitspraak van 14 december 2011;

- de akte houdende toelichting, met 14 producties.

1.2. Gedaagden zijn niet verschenen. Volgens eiser hebben zij geen bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland en is het – ondanks pogingen daartoe – ook niet gelukt om hun woonplaats of werkelijke verblijfplaats te achterhalen. Dit betoog komt de rechtbank niet ongegrond voor, zodat – nu aan de voorgeschreven termijnen en formaliteiten is voldaan – tegen gedaagden verstek is verleend.

1.3. Ten slotte is een datum voor verstekvonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. Aangezien er sprake is van een geschil met een internationaal karakter, dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Eiser heeft daartoe gesteld dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 9 aanhef en onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd is van de zaak kennis te nemen, omdat het onaanvaardbaar is van hem te vergen dat hij deze zaak aan het oordeel van een rechter in Libië onderwerpt.

2.2. De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beslissend is de situatie en omstandigheden in Libië op het tijdstip van het aanhangig maken van de procedure, derhalve op of rond 27 juli 2011 (de datum van de dagvaarding). Gelet op hetgeen eiser in dit verband in zijn dagvaarding en in de akte houdende toelichting heeft aangevoerd, dat – nu gedaagden niet zijn verschenen – niet is weersproken en de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van artikel 9 aanhef en onder c Rv, bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

2.3. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad dienen de vorderingen naar Libisch recht te worden beoordeeld.

2.4. Eiser vordert onder I van het petitum van de dagvaarding – kort gezegd – hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een bedrag van € 1.000.000,-- als vergoeding voor de gestelde geleden immateriële schade. Gelet op hetgeen eiser onder paragraaf 112 van de dagvaarding heeft gesteld, begrijpt de rechtbank deze vordering aldus dat eiser heeft bedoeld te vorderen een bedrag van € 750.000,-- aan geleden materiële schade en een bedrag van € 250.000,-- aan geleden immateriële schade.

2.5. Nu tegen gedaagden verstek is verleend en de vorderingen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zullen deze – op de wijze zoals hierna vermeld – worden toegewezen.

2.6. Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, om aan eiser te betalen een bedrag van € 750.000,-- aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 250.000,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente naar Libisch recht vanaf 27 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.2. verklaart voor recht dat gedaagden onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld en jegens eiser aansprakelijk zijn voor de toekomstige immateriële en materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3.3. veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 5.139,79, waarvan

a. € 3.941,-- te voldoen aan eiser (€ 3.870,-- aan salaris advocaat (1,5 punten x tarief VII, € 2.580,--) en € 71,-- aan griffierecht);

b. € 1.198,79 (incl. BTW), wegens explootkosten en advertentiekosten, aan de griffier van deze rechtbank door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van MvJ. Arrondissement Den Haag 537 onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

3.4. verklaart dit vonnis ten aanzien van de beslissingen onder 3.1. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. J. Mendlik en mr. M.E. Honée en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.