Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9695

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
AWB 12/7453, 12/7451 & 12/7455
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA-procedure

Asielzoeker van Jemenitische nationaliteit, Somalische afkomst, discriminatie, gronden voortzetting maatregel

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat in het relaas van verzoeker onvoldoende aanknopingspunten zijn om hem als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag aan te kunnen merken.

Met betrekking tot het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel blijkt uit het dossier dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de reis naar Nederland. Eiser is met een (toeristen)visum kort verblijf, geldig van 11 februari 2012 tot 1 maart 2012, Nederland ingereisd. Voorts heeft hij onvoldoende middelen van bestaan voor het thans beoogde langer verblijf en beschikt hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats. Nu er meer dan één van de feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, Vb op eiser van toepassing is en voortzetting van de maatregel noodzakelijk is voor een geslaagde verwijdering van eiser, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel, dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 12 / 7453 (voorlopige voorziening)

AWB 12 / 7451 (beroep)

AWB 12 / 7455 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 20 maart 2012

in de zaak van:

[naam eiser/verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Jemenitische nationaliteit, verblijvende in

het [locatie],

eiser/verzoeker,

gemachtigde, tevens raadsman: mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 24 februari 2012 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 maart 2012 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 18 februari 2012 aan verzoeker op grond van artikel 13 juncto 5 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 (Schengengrenscode) de toegang tot Nederland geweigerd. Bij besluit van 21 februari 2012 is verzoeker op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij het besluit op de asielaanvraag de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Het verzoek om een voorlopige voorziening

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat - het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft in 1999 Somalië verlaten, nadat in 1992 zijn broer is vermoord. Verzoeker is naar Jemen gevlucht en heeft in 2011 de Jemenitische nationaliteit verkregen. Hij heeft Jemen verlaten, omdat hij aldaar wordt gediscrimineerd. Verzoeker was werkzaam als assistent automonteur en van 2006 tot 2007 als autowasser. Verzoeker is in Jemen in 2007 mishandeld door een klant, die niet wilde betalen voor verrichtte werkzaamheden. Voorts is verzoeker in 2011 beroofd en is de algemene situatie in Jemen slecht.

2.4 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat in het relaas van verzoeker onvoldoende aanknopingspunten zijn gevonden om hem als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) aan te kunnen merken. Voorts is niet gebleken dat verzoeker bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

2.5 Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in Yemen vanwege zijn Somalische afkomst dusdanig werd gediscrimineerd dat voor hem een onhoudbare situatie ontstond. Voorts dient de asielaanvraag te worden beoordeeld in het licht van de huidige situatie van Somalische vluchtelingen in Yemen. Ter ondersteuning verwijst verzoeker naar een uitspraken van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen en diverse documenten:

1. IRIN ‘Somalia: Yemen returnee numbers soar’, 1 december 2011;

2. UN News Service ‘Somalis fleeing insecurity at home find more insecurity in Yemeni haven’, 21 oktober 2011;

3. ADRA Yemen, website;

4. IRIN ‘Integrated Regional Information Network, UNHCR concerned over allegations of Somali mercenaries, 10 maart 2011;

5. The Washington Post ‘Somalis fleeing to Yemen prompt new worries in flight against al-Qaeda’, 12 januari 2010.

2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, gelet op de gebezigde overwegingen in het bestreden besluit, waarin het voornemen is herhaald en ingelast, terecht heeft geoordeeld dat in het relaas van verzoeker onvoldoende aanknopingspunten zijn om hem als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag aan te kunnen merken. Ten aanzien van de aangevoerde mishandeling heeft verweerder er terecht op gewezen dat verzoeker de hulp kan inroepen van autoriteiten. Gesteld noch gebleken is dat de autoriteiten verzoeker bij een aangifte niet ter zijde hadden willen staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voorts in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van dermate ernstige en systematische discriminatie, dat ten aanzien van hem tot vluchtelingenschap moet worden geconcludeerd. Uit het relaas van verzoeker kan niet worden afgeleid dat er in zijn geval sprake is geweest van een ernstige beperking in de bestaansmogelijkheden en het maatschappelijk functioneren. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat verzoeker nimmer verstoken is geweest van elementaire levensbehoeften als opleiding, werk, inkomen sociale contacten en huisvesting. Met de door verzoeker geformuleerde beroepsgrond dat Somaliërs in Jemen in een moeilijke situatie verkeren ontkracht hij de overwegingen van verweerder niet. De in dit verband door verzoeker overgelegde stukken zien op Somalische vluchtelingen in een situatie, die niet vergelijkbaar is met die van verzoeker. Daarin is geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft kunnen stellen dat niet gebleken is van een voor verzoeker dermate negatieve bejegening dat sprake is van een onhoudbare situatie.

2.7 Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat hij bij terugkeer zal worden onderworpen aan mishandeling en beroving door medeburgers. Bovendien stelt verzoeker dat hij vanwege zijn Somalische afkomst zal worden vervolgd vanwege de asielaanvraag in het buitenland. Nu verzoeker deze stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

2.8 Uit het voorgaande vloeit voorts dat de voorzieningenrechter het beroep ongegrond zal verklaren.

2.9 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.10 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel

2.11 Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond. Indien de rechtbank de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, kan zij ingevolge artikel 106, eerste lid, Vw aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.12 Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.13 Eiser heeft, samengevat, aangevoerd dat de maatregel ten onrechte is voortgezet omdat verweerder aan de voortduring daarvan geen zorgvuldige motivering ten grondslag heeft gelegd. Het door verweerder gestelde ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats van eiser, het over onvoldoende middelen beschikken en het grensbewakingsbelang betreffen geen gronden als bedoeld in richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn), artikel 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en/of artikel 5.1b Vb.

2.14 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel terecht is opgelegd en voortgezet, omdat sprake was van risico op onderduiken. In dat verband heeft verweerder aangevoerd dat verzoeker geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft, niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en getracht heeft om onder valse voorwendselen toegang te krijgen tot Nederland. Bovendien beroept verweerder zich op het grensbewakingsbelang.

2.15 Na de afwijzende asielbeschikking van 1 maart 2012 heeft verzoeker geen rechtmatig verblijf in Nederland meer, waardoor op hem vanaf die datum de Terugkeerrichtlijn van toepassing is.

2.16 In artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn staat - voor zover thans van belang - dat een onderdaan van een derde land in bewaring kan worden gehouden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.17 Ingevolge artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de bewaring gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

2.18 Bij besluit van 22 december 2011, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (verder: Vb) ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn (Staatsblad 2011, nr. 664 en inwerking getreden 31 december 2011) is onder meer artikel 5.1a, eerste lid, toegevoegd. Artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is met deze bepaling geïmplementeerd. Deze bepaling luidt als volgt.

1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:

a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of

b. de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.19 In artikel 5.1b, eerste lid, Vb is bepaald dat aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, wordt voldaan indien de vreemdeling: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; b. zich niet aan een of andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; e. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; f. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; g. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; h. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; i. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; j. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; k. (.); l. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; of m. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet.

In artikel 5.1b, tweede lid, Vb is bepaald dat aan de voorwaarden voor inbewaringstelling niet wordt voldaan indien slechts één van de feiten of omstandigheden, als bedoeld in voormeld artikellid, van toepassing is.

2.20 Blijkens het dossier heeft eiser onjuiste gegevens verstrekt met betrekking tot de reis naar Nederland. Eiser is met een (toeristen)visum kort verblijf, geldig van 11 februari 2012 tot 1 maart 2012, Nederland ingereisd. Voorts heeft hij onvoldoende middelen van bestaan voor het thans beoogde langer verblijf en beschikt hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats. Nu er meer dan één van de feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, Vb op eiser van toepassing is en voortzetting van de maatregel noodzakelijk is voor een geslaagde verwijdering van eiser, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel, dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.21 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.22 De rechtbank zal het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.

2.23 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank:

3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

3.4 wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 20 maart 2012 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om toekenning van schadevergoeding betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.