Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9575

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
12/3926, 12/3925
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Anders dan verweerder betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het, gezien het bepaalde in artikel 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn juncto artikel 6.5a Vb en de toelichting hierop, aan verweerder is om in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden bij het bepalen van de duur van het inreisverbod. Vervolgens dient verweerder aan de hand van de vergaarde relevante feiten en omstandigheden de duur van het inreisverbod kenbaar te motiveren. Daar is in het onderhavig geval niet van gebleken.

Het beleid in de Vc waarop verweerder zich beroept sluit derhalve niet aan bij het hieromtrent bepaalde in de Terugkeerrichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 6.5a Vb en de toelichting hierop. Er is derhalve grond voor het oordeel dat vorengenoemd beleid in strijd is met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 6.5a Vb. Om die reden heeft verweerder ter motivering van de duur van het inreisverbod niet mogen verwijzen naar het bepaalde in de Vc.

De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 12 / 3926 (voorlopige voorziening)

AWB 12 / 3925 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2012

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Nigeriaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: drs. F. Gieskes, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 27 januari 2012 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 2 februari 2012 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit beroep ingesteld en gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag aangevoerd dat hij vanaf 1997 tot 1999 gewoond en gewerkt heeft in de plaats [plaatsnaam], gelegen in [naam staat], Nigeria en hier problemen heeft ondervonden.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekers stelling dat hij heeft verbleven en gewerkt in de plaats [plaatsnaam], [naam staat] ongeloofwaardig wordt geacht en derhalve evenmin geloof wordt gehecht aan de overige verklaringen van verzoeker ter zake van de door hem aldaar gesteld ondervonden problemen of de problemen die hij in de toekomst vreest te ondervinden. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft verweerder de omstandigheid betrokken dat verzoeker niet beschikt over een document voor grensoverschrijding en zich niet onverwijld heeft gemeld. Voorts heeft verzoeker toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en reisroute overgelegd. Verzoeker komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2.5 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker, zoals ook ter zitting is bevestigd, geen gronden heeft aangevoerd tegen de overweging in het bestreden besluit waarin verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw bij de beoordeling van verzoekers aanvraag kan worden betrokken omdat verzoeker niet beschikt over een document voor grensoverschrijding en zich niet onverwijld heeft gemeld. Uitgangspunt is dan ook de toetsingsmaatstaf van de positieve overtuigingskracht.

2.6 In beroep heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het relaas van verzoeker ongeloofwaardig is. Dat standpunt heeft verzoeker onderbouwd door allereerst te stellen dat de geografische kennis van [plaatsnaam] en omgeving gelet op het tijdsverloop van dertien jaar deels verloren gegaan en verschoonbaar is en om die reden van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht terstond algemene zaken te beschrijven met betrekking tot die plaats. Voorts is het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig door enerzijds te erkennen dat verzoeker enige kennis heeft van [plaatsnaam] en anderzijds te stellen dat deze kennis van een dergelijk algemene aard is dat hieruit niet herleid kan worden dat verzoeker ooit in [plaatsnaam] heeft gewoond. Bovendien werpt verweerder verzoeker ten onrechte eerst in het bestreden besluit tegen dat verzoeker had moeten kunnen vertellen uit welke stammen de Ljaw bevolkingsgroep bestaat dan wel welke substammen in [plaatsnaam] zouden leven en dat verzoeker daarnaast niet zou weten welke talen lokaal dan wel interregionaal gesproken worden, aldus verzoeker.

2.7 De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet en is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van iemand die stelt dat hij gedurende twee jaar heeft verbleven en gewerkt in de plaats [plaatsnaam], [naam staat], mag worden verwacht dat hij méér informatie kan verstrekken over zijn woon- en verblijfplaats. Verweerder heeft het daarbij in redelijkheid opmerkelijk kunnen bevinden dat iemand die stelt ongeveer twee jaar in een plaats te hebben verbleven zo weinig kan vertellen over de plaats zelf en de omgeving. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen grond bestaat voor de conclusie dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat verzoeker geen plaatsen of dorpen in de omgeving van [plaatsnaam] heeft kunnen noemen, dat hij niet weet waar hij woonde in [plaatsnaam], dat hij niet heeft kunnen aangeven wanneer hij precies in [plaatsnaam] is gaan wonen en werken en wanneer hij daar weer vertrokken is. Voorts heeft verweerder daarbij kunnen betrekken dat verzoeker geen tot weinige informatie heeft kunnen geven over [naam staat]. Zo is, anders dan verzoeker heeft gesteld, reeds op pagina 4 in het voornemen tegengeworpen dat hij niet weet welke bevolkingsgroepen er in die staat voorkomen, welke talen er worden gesproken, wanneer de staat is opgericht en aan welke andere staten [naam staat] grenst. Daarbij heeft verweerder eveneens in aanmerking kunnen nemen dat verzoeker zijn gestelde verklaringen met betrekking tot zijn werk en verblijf in de plaats [plaatsnaam] evenmin met documenten heeft kunnen onderbouwen. De verklaring die verzoeker heeft gegeven voor de omstandigheid dat hij niet méér informatie heeft kunnen verstrekken, namelijk dat het lang geleden is dat hij uit [plaatsnaam] is vertrokken, heeft verweerder in redelijkheid niet verschonend hoeven achten.

2.8 Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet slaagt.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

2.9 Namens verzoeker is allereerst gesteld dat, gelet op de omstandigheid dat uit niets blijkt dat ten aanzien van hem een terugkeerbesluit is genomen, aan hem ten onrechte een inreisverbod is opgelegd. Nog daargelaten dat reeds in het bestreden besluit van 2 februari 2012 uitdrukkelijk is bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten, kan dit beroep niet slagen, omdat het onderhavige besluit waarbij de asielaanvraag wordt afgewezen ingevolge het met ingang van 31 december 2011 luidende artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, Vw als terugkeerbesluit geldt en van rechtswege tot gevolg heeft dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet. De beroepsgrond van verzoeker dat aan hem ten onrechte een inreisverbod is opgelegd, kan, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin slagen gelet op artikel 66a, eerste lid aanhef en onder a, Vw, waarin is bepaald dat de minister een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

2.10 In het voornemen van 31 januari 2012, dat herhaald en ingelast is in het bestreden besluit van 2 februari 2012, is onder het kopje ‘Vertrektermijn en inreisverbod’ het volgende opgenomen:

‘Tevens geeft dit aanleiding om aan betrokkene een inreisverbod op te leggen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. Niet is gebleken van humanitaire redenen of andere redenen om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Gelet op artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 juncto artikel 6.5a, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit wordt het inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.’

2.11 Namens verzoeker is hiertegen aangevoerd dat aan voormeld inreisverbod een gebrek kleeft nu verweerder heeft nagelaten te motiveren waarom in het geval van verzoeker niet met een kortere duur van het inreisverbod kan worden volstaan dan de ingevolge artikel 6.5a, eerste lid Vb geldende maximum duur van twee jaar. Verweerders beleid is kennelijk onredelijk en in strijd met zowel het hiervoor genoemde artikellid als artikel 11, tweede lid van de richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (verder: de Terugkeerrichtlijn). Anders dan verweerders beleid is in artikel 6.5a Vb de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan hooguit gedeeltelijk verdisconteerd, immers (hooguit) slechts in zoverre dat de in het betrokken artikellid vermelde omstandigheden nooit zo ernstig zijn dat een langere duur van het inreisverbod dan voor twee jaar gerechtvaardigd is. Uit de tekst noch uit de toelichting op het betrokken artikellid of anderszins is af te leiden dat uitsluitend in de maximum duur van het inreisverbod de ernst van de in het artikel vermelde omstandigheden tot uitdrukking komt. Het woordgebruik “ten hoogste” in artikel 6.5a Vb duidt onmiskenbaar op het tegendeel, aldus verzoekers gemachtigde ter zitting.

2.12 Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het geval bepaald en bedraagt (deze) in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

2.13 Ingevolge het thans luidende artikel 6.5a, eerste lid Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is vermeld dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt.

2.14 In de toelichting bij voornoemd artikel is het volgende vermeld: ‘Dit onderdeel strekt ertoe om artikel 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn voor een belangrijk deel om te zetten. Daarin is bepaald dat de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval wordt bepaald, en dat die duur in principe niet meer bedraagt dan vijf jaren. (…) Teneinde te voldoen aan de verplichting die is neergelegd in de richtlijn om de duur te bepalen volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval is in artikel 6.5a opgenomen dat de duur niet meer mag bedragen dan de daar vermelde duur, die afhankelijk is van de reden waarom het inreisverbod wordt opgelegd. Het is de minister voor Immigratie en Asiel daarom wel toegestaan om een kortere duur vast te stellen en het is dan ook de bedoeling, dat die duur inderdaad afhankelijk moet zijn van de individuele omstandigheden van het geval en dat daarbij bepaalde grenzen niet mogen worden overschreden. Voor het overige wordt de implementatie van artikel 11, tweede lid, veilig gesteld door de bestaande artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin is immers, voor zover hier van belang, bepaald dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt en dat de voor ene of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.’

2.15 Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod heeft gemotiveerd waarom een duur van twee jaar is opgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder evenwel volstaan met verwijzing naar en onder gelijktijdige overlegging van een ongedateerde brief aan de griffier van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarin het standpunt van verweerder nader is toegelicht.

2.16 In voormelde brief staat -voor zover hier van belang- het volgende vermeld:

(…) De Minister merkt op dat de maximale duur van het inreisverbod afhankelijk is van het bepaalde in artikel 6.5a Vb. In artikel 6.5a, eerste lid, Vb is bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaar bedraagt. In artikel 6.5a, lid 2 tot en met 6, Vb is voorts bepaald onder welke omstandigheden van de duur van het inreisverbod van twee jaar wordt afgeweken. In artikel 6.5a Vb is dus reeds verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere indiviuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals deze in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb genoemd staan. Vorenstaande blijkt ook uit de Nota van Toelichting bij het besluit van 22 december 2011 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Staatsblad, jaargang 2011, nr. 644, pagina 25), (…):

(…)

Indien door de vreemdeling relevante, individuele omstandigheden naar voren worden gebracht, kan dit voor de Minister aanleiding zijn om de duur van het inreisverbod te verkorten. De Minister heeft dit standpunt ook zo verwoord tijdens de parlementaire behandeling betreffende het wetsvoorstel implementatie Terugkeerrichtlijn:

Het gaat om maximale termijnen die worden opgenomen in het Vreemdelingenbesluit 2000. dat brengt met zich mee dat ten gunste van de vreemdeling kan worden afgeweken. Door de verschillende categorieën op te nemen in het besluit, is echter al met de belangrijkste omstandigheden rekening gehouden. In het belang van de rechtszekerheid zal zo veel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de termijnen in het besluit.

Hierbij merkt de Minister op dat vorenstaande standpunt inmiddels ook tot uiting is gekomen in het beleid van de Minister, te weten hoofdstuk A5/5 Vc 2000, waarin staat vermeld:

De maximale duur van het inreisverbod is afhankelijk van het bepaalde in artikel 6.5a Vb. in dit artikel is reeds verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb staan genoemd.

Nu in het onderhavige geval door *eiser(-es) geen relevante, individuele omstandigheden naar voren zijn gebracht die tot het verkorten van de duur van het inreisverbod noopten, is dan ook terecht en op juiste gronden geconcludeerd tot het opleggen van onderhavig inreisverbod alsmede de daarin vervatte termijn.

2.17 Anders dan verweerder in diens hiervoor weergegeven standpunt betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het, gezien het bepaalde in artikel 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn juncto artikel 6.5a Vb en de toelichting hierop, aan verweerder is om in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden bij het bepalen van de duur van het inreisverbod. Vervolgens dient verweerder aan de hand van de vergaarde relevante feiten en omstandigheden de duur van het inreisverbod kenbaar te motiveren. Daar is in het onderhavig geval niet van gebleken.

2.18 Het hiervoor weergegeven beleid in de Vc waarop verweerder zich beroept sluit derhalve niet aan bij het hieromtrent bepaalde in de Terugkeerrichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 6.5a Vb en de toelichting hierop. Er is derhalve grond voor het oordeel dat vorengenoemd beleid in strijd is met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 6.5a Vb. Om die reden heeft verweerder ter motivering van de duur van het inreisverbod niet mogen verwijzen naar het bepaalde in de Vc.

De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De overige beroepsgronden van verzoeker behoeven daarom thans geen bespreking.

2.19 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.20 Vanwege de gegrondverklaring van het beroep zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 februari 2012 voor zover het de duur van het opgelegde inreisverbod betreft;

3.2 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.3 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 874,- en in verband met het beroep ad € 437,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem te voldoen;

3.4 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzieningenrechter, en op 19 maart 2012 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. El Aqde, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.

Let wel:

Gegrondverklaring van het beroep betekent niet dat verzoeker op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. In de uitspraak heeft de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beroepsgronden verworpen. Als verzoeker het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de voorzieningenrechter komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.