Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9422

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
412606 KG ZA 12-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vrouw (woonachtig in de Verenigde Arabische Emiraten, met de Iraakse en Iraanse nationaliteit) vordert in kort geding de afgifte van de minderjarige aan haar. De man (met in ieder geval de Nederlandse nationaliteit) is in februari 2011 alleen met de minderjarige (vanuit Iran) naar Nederland vertrokken. De vrouw zou zich later bij hen voegen, hetgeen echter niet is gebeurd. Partijen verschillen van mening over de reden daarvan. De vordering is gebaseerd op het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De voorzieningenrechter overweegt kort gezegd dat naar haar oordeel de tekst van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet niet met zich brengt dat in deze zaken de procedure tot afgifte of teruggeleiding evenals bij de kinderrechter bij de voorzieningenrechter in kort geding kan worden gevoerd. Met de verwijzing naar de bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt verwezen naar de wettelijke bevoegdheid zoals vermeld in artikel 254 Rv. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een spoedeisend belang i.c. geen sprake is. De procedure bij de kinderrechter is een procedure waarin op een aanvaardbare termijn een beslissing kan worden verkregen, welke procedure bovendien met veel waarborgen, onder meer ten aanzien van het belang van het kind, is omgeven. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkomst van een dergelijke procedure in dit geval niet kan worden afgewacht. Daar komt nog bij dat de feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of het verzoek toewijsbaar is, geenszins tussen partijen vaststaan. Een nader onderzoek naar die feiten en omstandigheden is noodzakelijk, maar voor een dergelijk onderzoek leent de procedure in kort geding zich niet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/77
RFR 2012/74

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 412606 / KG ZA 12-129

Vonnis in kort geding van 16 maart 2012

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw] (Verenigde Arabische Emiraten),

eiseres,

advocaat mr. J.B. Streefkerk te Almere,

tegen:

[de man],

wonende te [woonplaats man],

gedaagde,

advocaat mr. C.F. Roza te Zwolle.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de vrouw' en 'de man'.

1. Het procesverloop

De vrouw heeft de man op [datum] 2012 doen dagvaarden om op [datum] 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, op welke datum de behandeling ook heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter aldaar heeft zich bij vonnis van [datum] 2012 onbevoegd verklaard ten aanzien van de vorderingen van de vrouw en de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar deze rechtbank verwezen, alwaar op [datum] 2012 een mondelinge behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van [datum] 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Partijen zijn op [datum huwelijk] in de [plaats huwelijk] met elkaar gehuwd.

2.2. Uit dit huwelijk is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]), op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten). Partijen verbleven op dat moment in de Verenigde Arabische Emiraten. Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast.

2.3. De man en [de minderjarige] hebben beiden (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Iraakse en Iraanse nationaliteit.

2.4. In augustus 2010 zijn partijen met [de minderjarige] in Iran gaan wonen bij de moeder van de man omdat er problemen waren met hun verblijf in de Verenigde Arabische Emiraten. Gedurende dit verblijf in Iran heeft de man een periode in Nederland verbleven, terwijl de vrouw en [de minderjarige] in Iran verbleven. Korte tijd vóór 20 februari 2011 is de vrouw vanuit Iran naar de Verenigde Arabische Emiraten gereisd, waar zij thans nog verblijft. Op 20 februari 2011 is de man vanuit Iran met [de minderjarige] naar Nederland gereisd waar zij beiden thans nog verblijven.

2.5. De vrouw heeft in [maand] 2011 in de Verenigde Arabische Emiraten een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt.

2.6. Op [datum] 2011 heeft de man een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin door de man onder meer wordt verzocht om bepaling dat hij alleen met het gezag over [de minderjarige] wordt belast en dat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats bij hem zal hebben. Op [datum] 2012 staat de mondelinge behandeling gepland.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert - zakelijk weergegeven - afgifte van [de minderjarige] door de man aan de vrouw, op straffe van een dwangsom.

3.2. Daartoe voert de vrouw het volgende aan. Het was de bedoeling van partijen om gezamenlijk met [de minderjarige] in Nederland te gaan wonen. In tegenstelling tot de man en [de minderjarige] heeft de vrouw voor een verblijf in Nederland een visum nodig. De man heeft de vrouw voorgehouden dat hij dit voor haar zou regelen en dat zij vanuit Iran naar de Verenigde Arabische Emiraten zou moeten reizen om het visum op te halen. De vrouw heeft de man daarop aangegeven niet zonder [de minderjarige] naar de Verenigde Arabische Emiraten te willen reizen. Een dergelijke reis van de vrouw met [de minderjarige] zou echter betekenen dat voor [de minderjarige], die op dat moment illegaal in Iran verbleef, een boete zou moeten worden betaald. Gelet daarop heeft de vrouw ingestemd met het voorstel van de man dat hij met [de minderjarige] rechtstreeks naar Nederland zou reizen en dat de vrouw alleen naar de Verenigde Arabische Emiraten zou reizen om vervolgens, na verkrijging van haar visum, naar Nederland te komen. In de Verenigde Arabische Emiraten is echter gebleken dat de man het visum niet had geregeld en dat aan de vrouw ook geen visum zou worden verleend. Vervolgens heeft de vrouw van de man vernomen dat hij niet wenst dat zij naar Nederland komt en dat hij geen contact meer met haar wil. De man heeft derhalve tegen de vrouw gelogen en hij had blijkbaar een vooropgezet plan om met [de minderjarige] naar Nederland te vertrekken en de vrouw achter te laten. De toestemming die de vrouw aan de man heeft gegeven om met [de minderjarige] naar Nederland te gaan, strekt niet zover dat zij ook toestemming heeft verleend voor een verblijf van de man met [de minderjarige] in Nederland zonder dat de vrouw onderdeel vormt van het gezin. De man heeft [de minderjarige] derhalve onrechtmatig overgebracht dan wel niet laten terugkeren en op grond van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het HKOV) dient [de minderjarige] aan haar te worden afgegeven.

3.3. De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. De vrouw heeft haar vordering uitdrukkelijk gebaseerd op het HKOV. Ingevolge artikel 11, eerste lid, Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is, onverminderd de bevoegdheid van de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage in kort geding, in eerste aanleg uitsluitend de kinderrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

4.2. De uitsluitende bevoegdheid van de kinderrechter staat in deze zaken derhalve voorop, maar de Uitvoeringswet laat de mogelijkheid onverlet dat hierin een kort geding aanhangig wordt gemaakt. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat in deze zaken de procedure tot afgifte of teruggeleiding evenals bij de kinderrechter bij de voorzieningenrechter in kort geding kan worden gevoerd, maar hiermee wordt - wellicht ten overvloede - verwezen naar de wettelijke bevoegdheid van de voorzieningenrechter als vermeld in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, deze te geven.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een spoedeisend belang zoals hiervoor bedoeld geen sprake is. De procedure bij de kinderrechter van deze rechtbank is een procedure waarin op een aanvaardbare termijn een beslissing kan worden verkregen, welke procedure bovendien met veel waarborgen, onder meer ten aanzien van het belang van [de minderjarige], is omgeven. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkomst van een dergelijke procedure in dit geval niet kan worden afgewacht.

4.4. Daar komt nog bij dat de feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of het verzoek toewijsbaar is, geenszins tussen partijen vaststaan. Beide partijen noemen een andere reden waarom de vrouw in 2011 niet naar Nederland is gekomen nu de man, in tegenstelling tot hetgeen de vrouw in dit kader heeft aangevoerd, heeft gesteld dat de vrouw op enig moment zelf heeft besloten niet naar Nederland te komen. Partijen verschillen in dat kader ook van mening over de vraag hoe ver de toestemming van de vrouw aan de man om met [de minderjarige] naar Nederland te vertrekken zich uitstrekt. Voorts staat tussen partijen niet vast wat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] was voorafgaand aan het vertrek van de man en [de minderjarige] naar Nederland. In dit kader is ook de vraag aan de orde gekomen of een terugkeer van [de minderjarige] inhoudt dat hij naar Iran dient terug te keren - waar partijen laatstelijk samen verbleven maar waar thans geen van hen meer verblijft - of dat hij naar de vrouw in de Verenigde Arabische Emiraten dient terug te keren. Tevens is er onduidelijkheid over de verblijfsstatus van de vrouw in de Verenigde Arabische Emiraten, ten aanzien waarvan de man stelt dat zij daar illegaal verblijft. Dit zijn feiten en omstandigheden die van essentieel belang zijn om te kunnen beoordelen of er sprake is van een onrechtmatige overbrenging of achterhouding van [de minderjarige] alsmede om te kunnen beoordelen in welke toestand [de minderjarige] bij terugkeer zal worden gebracht. Een nader onderzoek naar die feiten en omstandigheden is derhalve noodzakelijk, maar voor een dergelijk onderzoek leent deze kort geding procedure zich niet.

4.5. Het vorenstaande brengt met zich dat de door de vrouw gevorderde voorziening zal worden geweigerd.

4.6. In de omstandigheid dat partijen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering van de vrouw af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kramer en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.