Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9414

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
11/36394
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft bij de aanvraag een gemotiveerd beroep gedaan op artikel 13 van Besluit nr. 1/80 en het arrest van het Hof van Justitie van 24 januari 2008 (LJN: BC5728, Payir e.a.). Verweerder is hier in het besluit niet op ingegaan.

Verzoeker heeft betoogd dat uit het Payir-arrest volgt dat de omstandigheid dat een Turks staatsburger is toegelaten als au pair niet betekent dat hij niet de hoedanigheid van werknemer bezit en niet tot de legale arbeidmarkt van de lidstaat behoort. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat, afgezien van het mvv-vereiste, verzoeker aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf als au pair” voldoet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 (LJN: BC6595) volgt dat het aan de vreemdeling tegenwerpen van het mvv-vereiste, zonder onderzoek naar de vraag of overigens aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt voldaan in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Naar vaste jurisprudentie van het Hof is jurisprudentie die ziet op die standstillbepaling eveneens van toepassing op de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1/80.

Gezien de aanvraag, de arresten van het Hof van 29 april 2010 (Europese Commissie tegen Nederland, LJN: BM3843), 17 september 2009 (LJN: BJ8590, Sahin) en het Payir-arrest - in onderlinge samenhang bezien - alsmede de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008, kon verweerder in het besluit niet volstaan met de standaardoverweging dat het mvv-vereiste op verzoeker van kracht blijft. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het besluit kennelijk onrechtmatig is. Voorts leent deze zaak zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor een hoorzitting en nader onderzoek door verweerder naar de rechten die verzoeker zou kunnen ontlenen aan artikel 13 van Besluit nr. 1/80. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting echter aangegeven dat verzoeker niet op zijn bezwaar zal worden gehoord en verzocht om toepassing van artikel 78 van de Vw 2000. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat sprake zal zijn van schending van de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/36394

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. D. Schaap,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde: mr. M.O. Kanhai.

Ter zitting is verschenen verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen K. Efe, tolk in de Turkse taal.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder uitzetting van verzoeker achterwege laat tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-;

- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Overwegingen

1. In geschil is het besluit van 9 november 2011 waarbij de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is afgewezen vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het bezwaar is beslist.

3. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

3.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in het bij de aanvraag behorende begeleidend schrijven van 9 november 2011 een gemotiveerd beroep heeft gedaan op artikel 13 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: Besluit nr. 1/80) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna: het Hof) van 24 januari 2008 (LJN: BC5728, Payir e.a.).

De voorzieningenrechter stelt tevens vast dat verweerder hier in het besluit niet op is ingegaan, maar enkel heeft overwogen dat het mvv-vereiste voor verzoeker van kracht blijft, dit onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 maart 2008 (LJN: BC6595).

3.2. In het arrest van het Hof van 29 april 2010 (Europese Commissie tegen Nederland, LJN: BM3843) heeft het Hof, onder verwijzing naar het arrest van 17 september 2009 (LJN: BJ8590, Sahin), geoordeeld dat artikel 13 van Besluit nr. 1/80 niet bedoeld is om reeds in de arbeidsmarkt van een lidstaat geïntegreerde Turkse staatsburgers te beschermen, maar juist van toepassing is op Turkse staatsburgers die nog niet in aanmerking komen voor de rechten op het gebied van arbeid en, in samenhang daarmee, van verblijf uit hoofde van artikel 6, lid 1, van dit besluit. Verzoeker heeft betoogd dat uit het Payir-arrest volgt dat de omstandigheid dat een Turks staatsburger is toegelaten als au pair niet betekent dat hij niet de hoedanigheid van werknemer bezit en niet tot de legale arbeidmarkt van de lidstaat behoort.

3.3. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat, afgezien van het mvv-vereiste, verzoeker aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf als au pair” voldoet. Niet betwist is dat verzoeker uitvoering geeft aan de overeenkomst au pair-gastgezin van 9 november 2011, waarbij is bepaald dat verzoeker maximaal 30 uur per week licht huishoudelijk werk verricht. Uit eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 volgt dat het aan de vreemdeling tegenwerpen van het mvv-vereiste, zonder onderzoek naar de vraag of overigens aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt voldaan. in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije, namens die Gemeenschap gesloten en goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963. Naar vaste jurisprudentie van het Hof is jurisprudentie die ziet op die standstillbepaling eveneens van toepassing op de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1/80.

3.4. Gezien de aanvraag, de genoemde arresten van het Hof - in onderlinge samenhang bezien - en genoemde uitspraak van de Afdeling, kon verweerder in het besluit niet volstaan met de standaardoverweging dat het mvv-vereiste op verzoeker van kracht blijft. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het besluit kennelijk onrechtmatig is. Voorts leent deze zaak zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor een hoorzitting en nader onderzoek door verweerder naar de rechten die verzoeker zou kunnen ontlenen aan artikel 13 van Besluit nr. 1/80. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting echter aangegeven dat verzoeker niet op zijn bezwaar zal worden gehoord en verzocht om toepassing van artikel 78 van de Vw 2000. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat sprake zal zijn van schending van de hoorplicht van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. Het verzoek wordt dus toegewezen.

5.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.2. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ’t Laar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.