Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9136

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
AWB 11-31802
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 64 Vw 2000. Medische noodsituatie. Dreiging van suïcide.

De rechtbank onderschrijft het ter zake ingenomen standpunt van verweerder dat de dreiging van suïcide vanwege een gedwongen terugkeer niet valt onder de definitie medische noodsituatie, omdat dit niet direct voortkomt uit het stopzetten van de behandeling. Bij de beoordeling of bij uitzetting van eiseres een medische noodsituatie dreigt, heeft verweerder (althans de BMA-arts) dan ook terecht van belang geacht dat de suïcidegedachten van eiseres voortkomen uit de angst voor terugkeer naar Burundi en dus niet direct voortkomen uit het onderliggend ziektebeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/31802

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2012 tussen

[eiseres] eiseres,

gemachtigde mr. Y.E. Verkouter,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

gemachtigde: mr. J.E.J. ten Berg.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2010 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Bij besluit van 8 september 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Eiseres, noch haar gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Op 28 juli 2010 heeft eiseres verzocht om toepassing van artikel 64 Vw 2000. Bij brief van 3 september 2010 heeft zij dit verzoek onderbouwd met een brief van drs. J.G.Th. Dullaert (hierna: Dullaert), klinisch psycholoog-psychotherapeut, van 31 augustus 2010.

3. Op 1 oktober 2010 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) een advies uitgebracht (hierna: advies). In dit advies staat het volgende:

“(…)

1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten?

Er is sprake van een PTSS (posttraumatisch stresssyndroom) met depressieve klachten. De klachten hiervan zijn: slaapstoornissen, nachtmerries, somberheid, geen eetlust, wanhoop, rusteloosheid, suïcidale ideaties. Ze is bij de crisisdienst in Eindhoven geweest toen ze hoorde dat ze geen verblijfsvergunning kreeg. Voordien was ze succesvol behandeld voor haar PTSS klachten, maar na de afwijzing waren de klachten weer helemaal terug. Sindsdien heeft ze doorlopend suïcide gedachten.

(…)

2b. Zo ja, wat is de aard van deze behandeling, door wie wordt deze behandeling gegeven en is de behandeling van tijdelijke of van blijvende aard?

(…)

Therapie: crisisinterventie en suïcide preventie en motivering voor verdere behandeling, aangezien betrokkene geen uitweg meer ziet, dan zelfmoord te plegen nu ze terug moet naar het land van herkomst.

(…)

De behandeling zal net zo lang duren als haar sociale situatie moeilijk is.

3. Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2 genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn?

Nee, aangezien haar huidige klachten voortkomen uit haar problematische sociale situatie en niet in eerste instantie vanuit een onderliggend psychiatrisch ziektebeeld.

(…)

4. Kan betrokkene reizen (…)?

Ja.

Gezien de huidige medische inzichten acht ik betrokkene in staat te reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, bus, auto en vliegtuig.

Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is, namelijk:

- Tijdens een reis naar het thuisland dient betrokkene vergezeld te worden door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige vanwege de dreiging van suïcide. Tevens dient deze toe te zien op de benodigde medicatie inname.

(…)”.

4. Op 5 januari 2011 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning vanwege “bijzondere individuele omstandigheden”. In dat kader heeft het BMA op 17 maart 2011 advies uitgebracht, mede op basis waarvan deze aanvraag bij besluit van 27 april 2011 is afgewezen.

5. In het advies van 17 maart 2011 staat het volgende:

“(…)

1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten?

Er is sprake van een PTSS (posttraumatisch stresssyndroom), en een aanpassingsstoornis. Er zijn klachten van depressie en angst. Er is suïcidaliteit in mindere mate aanwezig.

De verwachting is dat de angst en suïcidaliteit zullen toenemen zodra van uitzetting naar Burundi sprake zal zijn.

In juni 2010 werd ze heraangemeld: eerdere behandeling was succesvol afgesloten. Ze kwam in behandeling bij de crisisdienst vanwege verregaande suïcideplannen. (Zij had een negatieve beslissing van de IND gekregen toen.)

3. Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2 genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn?

Nee, daarvan is geen sprake. Er is geen opname indicatie geweest, er is geen geobjectiveerde zelfmoordpoging beschreven. Daarbij is er aangegeven dat haar suïcidegedachten voortkomen uit de angst voor terugkeer naar Burundi, en dus niet direct uit het onderliggend ziektebeeld.

(…)

4. Kan betrokkene reizen (…)?

Ja.

Gezien de huidige medische inzichten acht ik betrokkene in staat te reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, bus, auto en vliegtuig.

Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is, namelijk:

- Tijdens een reis naar het thuisland dient betrokkene vergezeld te worden door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige vanwege haar suïcidale ideaties in relatie met terugkeer. Deze kan tevens tozien op de benodigde medicatie inname.

(…)”.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 gehandhaafd, omdat uit de adviezen blijkt dat eiseres in staat is om te reizen en dat geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie. Voorts bestaat er geen grond om aan te nemen dat bij daadwerkelijke uitzetting niet aan de gestelde reisvoorwaarden zal worden voldaan. Volledigheidshalve heeft verweerder in het bestreden besluit opgemerkt dat de dreiging op suïcide vanwege een gedwongen terugkeer niet valt onder de definitie van een medische noodsituatie, omdat de die dreiging niet voortkomt uit het stoppen met de medische behandeling en dus niet valt onder de toetsing van artikel 64 van de Vw 2000.

7. Eiseres heeft hiertegen – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Uit de brief van dr. A.C. Kole, psychiater, en Dullaert van 8 september 2010 blijkt dat eiseres naast PTSS tevens lijdt aan een depressieve stoornis, waarbij sprake is van doorlopende suïcidaliteit. In de brief van 4 november 2010 van voornoemde behandelaars wordt gesteld dat eiseres lijdt aan PTSS, dat bij terugkeer naar het land van herkomst een medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is en dat psychiatrische behandeling in deze situatie beslist geïndiceerd is. Verder wordt gesteld dat de huidige behandeling, waarbij getracht wordt met eiseres het voor haar dreigende perspectief (terugkeer naar Burundi) ondanks haar forse angsten stapje voor stapje enigszins bespreekbaar te maken en te verkennen, inmiddels tot een lichte afname van haar forse klachten heeft geleid en deze tendens zich langzaam in gunstige richting lijkt voort te zetten. Uit deze brieven volgt volgens eiseres dat de dreiging op suïcide te herleiden is tot het ziektebeeld van eiseres (namelijk PTSS) en te scharen is onder de definitie van een medische noodsituatie. Verweerder heeft dit miskend. Voorts stelt eiseres dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder stelt eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure. Nu verweerder zich baseert op een nieuw BMA-advies, kan niet worden volgehouden dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens eiseres is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

8. Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

9. Verweerder heeft in zijn beleid zoals weergegeven in de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) onder A4.7.1 onder meer opgenomen dat het een tijdelijke maatregel betreft, gericht enkel op de opschorting van de uitzetting en/of de rechtsplicht om Nederland te verlaten. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw 2000 achterwege indien de medisch adviseur aangeeft dat:

-het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of

-de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan en de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waar betrokkene naar kan vertrekken.

10. Onder medische noodsituatie wordt blijkens verweerders beleid zoals weergegeven in de Vc 2000 onder B8.2.1 verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn besluit heeft gebaseerd op de BMA-adviezen. Een advies van BMA is aan te merken als een deskundigenadvies ten behoeve van de uitoefening van verweerders bevoegdheden. Indien een zodanig advies op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, onder aanduiding van bronnen waaraan dit is ontleend, mag verweerder bij zijn besluitvorming over verzoeken als de onderhavige in beginsel uitgaan van een dergelijk advies, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

12. In de BMA-adviezen staat vermeld dat de BMA-arts geen medische noodsituatie aanwezig acht, omdat de suïcidegedachten van eiseres voortkomen uit de angst voor terugkeer naar Burundi en dus niet direct uit het onderliggend ziektebeeld. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat uit de door haar genoemde brieven van de behandelaars van eiseres volgt dat de dreiging op suïcide is te herleiden tot het ziektebeeld van eiseres (namelijk PTSS), maar eiseres heeft evenbedoelde constatering van de BMA-arts niet gemotiveerd betwist. Voor zover eiseres en verweerder (althans de BMA-arts) al van mening verschillen over de vraag of het suïcidegevaar voortvloeit uit het ziektebeeld, is de rechtbank van oordeel dat een verschil van inzicht tussen de BMA-arts en de behandelaars op zichzelf niet betekent dat het door de BMA-arts verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest en verweerder de aan dat onderzoek verbonden conclusies niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2011, LJN: BU3498). Ook overigens is niet gebleken van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de BMA-adviezen. Uit evenbedoelde brieven blijken verder geen andere medische inzichten dan die in de

BMA-adviezen zijn opgenomen. In de BMA-adviezen is ook uitgegaan van de verwachting dat de angst en suïcidaliteit zullen toenemen zodra van uitzetting naar Burundi sprake zal zijn.

13. De rechtbank onderschrijft het ter zake ingenomen standpunt van verweerder dat de dreiging van suïcide vanwege een gedwongen terugkeer niet valt onder de definitie medische noodsituatie, omdat dit niet direct voortkomt uit het stopzetten van de behandeling. Bij de beoordeling of bij uitzetting van eiseres een medische noodsituatie dreigt, heeft verweerder (althans de BMA-arts) dan ook terecht van belang geacht dat de suïcidegedachten van eiseres voortkomen uit de angst voor terugkeer naar Burundi en dus niet direct voortkomen uit het onderliggend ziektebeeld.

14. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Voor het oordeel dat uitzetting van eiseres zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM bestaat, gezien het voorgaande, geen grond.

15. Eiseres heeft ten slotte gesteld dat de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. Verweerder heeft gesteld dat de hoorplicht in dit geval niet van toepassing is ingevolge het bepaalde in artikel 7:3, onder b, van de Awb. Van de in artikel 7:2 van de Awb vervatte algemene hoorplicht kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Zoals verweerder ook ter zitting heeft verklaard, is het BMA-advies van 17 maart 2011 uitgebracht in het kader van een andere procedure en niet naar aanleiding van hetgeen eiseres in bezwaar heeft gesteld. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen heeft verweerder het BMA-advies van 17 maart 2011 wel meegenomen in de besluitvorming. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eiseres heeft kunnen afzien.

16. Het beroep is ongegrond.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. F.A.M.C. Habraken-Hermans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

?

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: