Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9058

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/4964 ABP
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag tegemoetkoming in de kosten van tandheelkundige behandeling ten gevolge van invaliditeit van een ex-militair aan wie vanwege een PTSS met dienstver-band een militair invaliditeitspensioen is toegekend. De aanvraag is gebaseerd op de Voorzieningenregeling militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. Het gaat om de kosten van een gebitsreconstructie als gevolg van (nachtelijk) tandenknarsen (bruxisme). De rechtbank (militaire MK) is van oordeel dat uit de gedingstukken voldoende aannemelijk is geworden dat er verband bestaat tussen de PSS, nachtmerries en (nachtelijk) tandenknarsen. Bij de toepassing van de Voorzieningenregeling gaat het niet om een causaal verband dat op basis van gedegen wetenschappelijk onderzoek moet zijn aangetoond. In het kader van de Voorzieningenregeling is het voldoende dat sprake is van kosten voor tandheelkundige behandeling waarvan het aannemelijk is dat deze zonder de dienstverbandaandoening van eiser niet noodzakelijk zouden zijn geweest. Op grond van enkele medische verklaringen, onder meer van de behandelend psychiater, is causaal verband hier voldoende aannemelijk. Beroep gegrond met finale geschilbeslechting in de vorm van toekenning van de aangetoonde kosten na herroeping van het primaire weigeringsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4964 ABP

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats],

(gemachtigde: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden),

en

de minister van Defensie (Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds), verweerder

(gemachtigde: mr. W.R.C. Adang).

Procesverloop

Per e-mail van 12 juli 2010 heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van de kosten van tandheelkundige behandeling (gebitsrenovatie).

Bij besluit van 9 september 2010 heeft verweerder op dat verzoek afwijzend beslist.

Tegen dat besluit heeft eiser bij brief van 14 oktober 2010 bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 januari 2011 zijn de gronden van het bezwaar ingediend. Bij brief van 18 mei 2011 heeft eisers gemachtigde verweerder medegedeeld dat eiser geen behoefte had om op zijn bezwaar te worden gehoord.

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft eiser bij brief van 7 juni 2011 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van

16 september 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 januari 2012 heeft eiser nadere stukken in het geding gebracht.

Verweerder heeft in deze brief aanleiding gezien de verzekeringsarts om een inhoudelijke reactie te vragen.

Het beroep is op 18 januari 2012 op zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op de daartegen ingebrachte beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Eiser heeft betoogd dat hij wordt behandeld in het [kliniek A] in [B] voor zijn posttraumatische stressstoornis (verder: PTSS). Verweerder heeft hem in verband met de PTSS een militair invaliditeitspensioen toegekend naar een mate van invaliditeit van 70%. Aan deze beslissing is ten grondslag gelegd een medisch rapport van de psychiater [C], die eiser op 29 maart 2006 heeft onderzocht. In dat rapport geeft deze psychiater aan, dat signalen aanwezig zijn van verhoogde angst en dat sprake is van vermijdingsgedrag. Eiser heeft tijdens twee uitzendingen naar Irak en Cambodja doodsangsten uitgestaan. Die belevenissen van eiser komen opnieuw naar boven, ook tijdens zijn slaap. Door de spanningen waarin eiser leeft heeft hij in de nachtelijke uren zijn gebit stuk gekauwd. Bij de klinische behandeling van eiser in het [kliniek A] is gebleken dat eiser in de periode daarvoor nooit melding heeft gemaakt van gebitsproblemen en daarvoor geen behandeling heeft gezocht. Dit past in het vermijdingsgedrag van eiser. Hij bleek als gevolg van bruxisme (tandenknarsen) een totaal kapot gebit te hebben, dat inmiddels is gerenoveerd. De totale kosten van deze gebitssanering bedroegen € 6.633,63. Eiser heeft verzocht om vergoeding van deze kosten op grond van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (verder: de Voorzieningenregeling).

Eiser heeft enkele medische verklaringen overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt.

Eiser heeft ten slotte nog aangevoerd dat uit de Inleiding bij de Voorzieningenregeling blijkt dat het voorkomen van onbillijkheden bij de toepassing van de regeling voorop dient te staan.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het tandenknarsen van eiser (met de gevolgen daarvan voor zijn gebit) niet kan worden beschouwd als het gevolg van de dienstverbandaandoening PTSS. Eiser heeft een leefstijl op basis van zijn persoonlijkheid en deze is bepalend geweest voor het tandenknarsen. Verweerder is van oordeel dat eiser zijn standpunt over een relatie tussen de PTSS en het tandenknarsen in het geheel niet heeft onderbouwd.

Verweerder doet zijn opvatting steunen op het oordeel van de verzekeringsarts

[D], die er in zijn advies van 14 januari 2011 voorts zijn verbazing over uitspreekt dat eiser tijdens een uitvoerig psychologisch onderzoek in november/december 2010 geen melding heeft gemaakt van het tandenknarsen en de tandheelkundige behandeling.

In zijn nader advies van 6 mei 2011 wijst genoemde verzekeringsarts erop dat ook met de nader overgelegde verklaringen niet is aangetoond waarom juist in eisers geval een relatie zou moeten worden gelegd tussen het bruxisme en de PTSS respectievelijk de uitoefening van de militaire dienst. Ook de medische literatuur waarnaar in één van de overgelegde verklaringen wordt verwezen wordt door eiser niet genoemd. Hierdoor zijn geen nieuwe medische feiten naar voren gebracht, die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Ten slotte heeft de verzekeringsarts er op gewezen dat eiser niet heeft voldaan aan het voorschrift dat vooraf toestemming van verweerder moet worden gevraagd voor de tandheelkundige behandeling.

In een aanvullend advies van 1 september 2011 komt genoemde verzekeringsarts na het raadplegen van deskundigen van het Centraal Militair Hospitaal en van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie tot de conclusie dat een relatie tussen PTSS en bruxisme

- vooral in dit geval - niet aannemelijk is.

4. In artikel 1, eerste lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931 (hierna: MAW) is bepaald: Militaire ambtenaren zijn zij, die zijn aangesteld in militaire openbare dienst om bij de zeemacht, de landmacht of de luchtmacht werkzaam te zijn.

In artikel 1, derde lid, van de MAW is bepaald dat, tenzij het tegendeel blijkt, in deze wet onder militaire ambtenaren gewezen militaire ambtenaren zijn begrepen.

In de Kaderwet militaire pensioenen (Stb. 2001, 37) is in artikel 1 onder b. als "beroepsmilitair" gedefinieerd: de militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire ambtenarenwet 1931, voor zover hij behoort tot degenen die zijn aangesteld bij het beroepspersoneel of daarmee gelijk zijn gesteld.

In artikel 2, vijfde lid, van genoemde wet is bepaald dat aanvullende aanspraken op militair pensioen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de beroepsmilitair, de pensioenaanspraken voor de dienstplichtige of reservist en hun nagelaten betrekkingen, alsmede de grondslag voor het verstrekken van de met die invaliditeit samenhangende bijzondere leef- en werkvoorzieningen, worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

In artikel 21 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen (Stb. 2001, 139) is bepaald dat de minister van Defensie, in aanvulling op de bij of krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels ten behoeve van de krachtens dit besluit gepensioneerde militair, die lijdt aan een ziekte of gebrek waarvoor in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV, verband met de uitoefening van de militaire dienst is aangenomen, nadere en zo nodig afwijkende regels kan stellen op grond waarvan genoemde gepensioneerde militairen in aanmerking kunnen worden gebracht voor, naar het oordeel van genoemde minister, noodzakelijke voorzieningen ter verbetering van de levensomstandigheden en geneeskundige verstrekkingen. De door genoemde minister krachtens dit artikel te stellen regels mogen niet afwijken ten nadele van de belanghebbenden.

De Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (Stcrt. 1996, 244, sedertdien gewijzigd) (hierna: de Voorzieningenregeling) dient ter uitvoering van deze bepaling.

In artikel 2, aanhef en onder c., van de Voorzieningenregeling is bepaald dat voorzieningen worden verleend in de vorm van voorzieningen ter zake van de kosten van geneeskundige verzorging als bedoeld in hoofdstuk 4a.

Hoofdstuk 4a van de Voorzieningenregeling is uitgewerkt in artikel 10a.

Ingevolge artikel 10a, aanhef en onder c., van de Voorzieningenregeling worden onder voorzieningen ter zake van de kosten van geneeskundige verzorging verstaan: de financiële tegemoetkoming in de kosten van kleine medische hulpmiddelen dan wel behandelingen noodzakelijk tengevolge van de invaliditeit.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1 Aan eiser, gewezen marinier der eerste klasse, is door verweerder in 2006 een militair invaliditeitspensioen toegekend in verband met een psychische aandoening (PTSS), ten aanzien waarvan oorzakelijk dienstverband is aangenomen, naar een mate van invaliditeit van 70%. Hij wordt thans voor zijn PTSS-klachten behandeld in het [kliniek A] te [B].

Partijen zijn het er over eens dat de aanvraag van eiser moet worden beschouwd als een aanvraag om toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c., van de Voorzieningenregeling.

5.2 Verweerder heeft aan de - in bezwaar gehandhaafde - afwijzing van eisers aanvraag voor vergoeding van een tandheelkundige behandeling ten grondslag gelegd dat eiser een leefstijl heeft op basis van zijn persoonlijkheid. De afwijzing is gebaseerd op - voor zover thans van belang - de inhoud van de Regeling zonder enige nadere toelichting. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op twee adviezen van de verzekeringsarts [E] van onderscheidenlijk 6 en 9 september 2010. In het eerste advies heeft genoemde arts de vraag "Is het tandenknarsen een gevolg van de dv-aandoening ?" met "NEEN" beantwoord. In een daarop gevraagd aanvullend advies ter motivering van dat standpunt heeft genoemde arts daaraan toegevoegd: "Cliënt heeft een leefstijl op basis van zijn persoonlijkheid." Verder is aanvullend vermeld: "dv: psych. aand. (zie rapport)".

De rechtbank kan in het leefstijlargument, op zich genomen, geen dragende motivering voor de afwijzende beslissing onderkennen, omdat dat argument onvoldoende onderscheidend is en op ieder individu van toepassing is. Met de aanvullende aantekening heeft de genoemde arts de relatie gelegd met het bij verweerder beschikbare medisch dossier over eiser betreffende diens aanvraag om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Verweerder heeft ter zitting doen aanvoeren dat eiser tijdens verscheidene onderzoeken die in dat kader hebben plaatsgevonden, laatstelijk op 16 november en 3 december 2010 bij de HSK-groep (rapportage van 8 december 2010) geen melding heeft gemaakt van (nachtelijk) tandenknarsen met ernstige gebitsschade als gevolg. Eiser heeft ter zitting daarover opgemerkt dat dat onderzoek plaatsvond in het kader van een ander verzoek, namelijk om vervoersvoorzieningen. Hij droeg toen 's nachts al een Nightguard (gebitsbeschermer), waardoor het tandenknarsen niet langer een acuut probleem was.

5.3 Eiser erkent dat hij tijdens verscheidene onderzoeken geen melding heeft gemaakt van bruxisme met aanmerkelijke gebitsschade als gevolg. Hij wijt dat aan vermijdingsgedrag.

In dat kader verwijst eiser naar verklaring van zijn behandelend psychiater [F] van het [kliniek A] van 3 januari 2011. Deze verklaart dat eiser sinds 21 maart 2010 klinisch wordt behandeld voor een chronische PTSS, recidiverende depressieve stoornis en paniekstoornis met agorafobie. Hij was bekend met een totaal kapot gebit. Eiser heeft in de afgelopen jaren bezoeken aan een tandarts vermeden op basis van zijn angsten en in het kader van de vermijding die bij PTSS thuishoort. Vanuit de klinische behandelsituatie is het eiser gelukt om zijn gebit te laten saneren. Eiser heeft jarenlang last van PTSS gehad, o.a. met nachtmerries in een frequentie van vier keer per week. Bij de intense nachtmerries was er altijd sprake van tandenknarsen (bruxisme) waardoor zijn gebit beschadigd raakte, aldus deze psychiater.

In een aanvullende verklaring van 18 maart 2011 heeft [G], klinisch psycholoog, verbonden aan het [kliniek A], verklaard dat bruxisme een klacht is, die zo blijkt ook uit de wetenschappelijke literatuur, een uitvoerig gedocumenteerd en veel voorkomend verschijnsel is bij patiënten met PTSS en ook in het bijzonder bij veteranen met PTSS.

Ook de huisarts, [H] te [I], verklaart op 16 maart 2011 dat eiser geteisterd wordt door nachtmerries naar aanleiding van zijn uitzendingen, waarbij sprake is van tandenknarsen.

Ook de door eiser in het geding gebrachte wetenschappelijke artikelen wijzen in de richting van een verband tussen PTSS en tandenknarsen.

De door verweerder geraadpleegde deskundigen en de door eiser geraadpleegde deskundige [J], verbonden het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, (brief van 22 november 2011) rapporteren dat een causale relatie tussen PTSS en bruxisme niet kan worden bevestigd vanwege het tot dusver ontbreken van sterk bewijs op basis van gedegen wetenschappelijk onderzoek. Mede op grond van deze overweging heeft verweerder in bezwaar het primaire besluit gehandhaafd.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare medische artikelen en medische verklaringen over eiser voldoende aannemelijk is geworden dat er een verband bestaat tussen PTSS, nachtmerries en (nachtelijk) tandenknarsen. Zij overweegt daarbij dat het bij de toepassing van de Voorzieningenregeling niet gaat om een causaal verband dat op basis van gedegen wetenschappelijk onderzoek moet zijn aangetoond. In het kader van de Voorzieningenregeling is het voldoende dat sprake is van kosten voor tandheelkundige behandeling waarvan het aannemelijk is dat deze zonder de psychische aandoening van eiser waarvoor bij de toekenning van een militair invaliditeitspensioen dienstverband is aangenomen, niet noodzakelijk zouden zijn geweest. Eiser heeft er terecht op gewezen, onder verwijzing naar artikel 1, aanhef en onder c., van de Voorzieningenregeling, dat die regeling voorziet in het direct of indirect opheffen of verminderen van de nadelige gevolgen van de beperkingen die de betrokkene ten gevolge van zijn invaliditeit ondervindt of in een financiële vergoeding van de kosten die daarvan een gevolg zijn. Blijkens een door eiser overgelegde toelichting op de Voorzieningenregeling gaat het om de mogelijkheid van de verstrekking van bijzondere voorzieningen indien niet-verstrekking daarvan tot onbillijkheden zou leiden. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich ten aanzien van eiser voordoet. Zij acht het niet redelijk dat eiser de verzochte vergoeding is onthouden, mede omdat hij het probleem van het (nachtelijk) tandenknarsen niet eerder naar voren heeft gebracht. Ook de reden voor dat laatste lijkt de rechtbank, in het licht van de verklaring van de behandelend psychiater [G], voldoende aannemelijk.

6. Op grond van de voorgaande overwegingen kan het bestreden besluit geen stand houden. Het beroep moet gegrond worden verklaard.

7. De rechtbank ziet voorts aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, over te gaan tot finale geschilbeslechting. Zij zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat, met toepassing van de artikelen 2, aanhef en onder c., en 10a, aanhef en onder c., van de Voorzieningenregeling, aan eiser een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van € 5.916,17. Dit bedrag is gebaseerd op door eiser overgelegde kopieën van de acceptgiro's van de Kliniek [K] te [L], waar eiser is behandeld voor zijn gebitsrenovatie. Nu door eiser in het kader van zijn aanvraag deze bewijsstukken van zijn betalingen bij verweerder zijn ingediend, dient de vergoeding aan eiser tot dit bedrag beperkt te blijven. Het meer en overigens gevorderde wordt door de rechtbank afgewezen.

8. Verweerder wordt veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten voor een bedrag van € 1.039,37.

Daarbij zijn ingevolge artikel 1, aanhef en onder a en b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in het kader van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

2 punten toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting), waarde per punt € 437,--, bij een zaak van gemiddeld gewicht (factor 1), derhalve € 874,-- en € 165,37 voor de kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige [J], die aan eiser verslag heeft uitgebracht.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit;

kent aan eiser een vergoeding toe ten bedrage van € 5.916,17;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.039,37, welk bedrag verweerder aan eiser moet vergoeden;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop, mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel en

M.P. Celie, militair lid, in aanwezigheid van A.J. Faasse-van Rossum, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.