Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9053

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
09-757210-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging ex artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging door meer dan 65.000 maal te bellen naar de winkel van het slachtoffer en hem vele e-mailberichten toe te zenden. Verder kan ook het veelvuldig bellen naar de dochter van het slachtoffer worden aangemerkt als inbreuk op aangevers persoonlijke levenssfeer. De rechtbank legt verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/757210-11

Datum uitspraak: 15 maart 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 maart 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van der Zwan en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J. Verschuren, advocaat te 's-Gravenhage, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 15 januari 2011 te

's-Gravenhage en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [X], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte (telkens):

- veelvuldig gebeld naar een mobiel telefoonnummer van die [X] (en/of //

in gebruik bij) de dochter van die [X]) en/of

- veelvuldig sms-berichten verstuurd naar een mobiel telefoonnummer van die

[X] (en/of // in gebruik bij) de dochter van die [X]) en/of

- veelvuldig gebeld naar het telefoonnummer van de winkel ([winkel]) waar die

[X] werkzaam is en/of

- veelvuldig e-mails verzonden naar het/een mailadres van die [X];

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 januari 2011 tot en met 5 september 2011 te

's-Gravenhage en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [X], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte (telkens):

- veelvuldig gebeld naar een mobiel telefoonnummer van die [X] (en/of //

in gebruik bij) de dochter van die [X]) en/of

- veelvuldig sms-berichten verstuurd naar een mobiel telefoonnummer van die

[X] (en/of // in gebruik bij) de dochter van die [X]) en/of

- veelvuldig gebeld naar het telefoonnummer van de winkel ([winkel]) waar die

[X] werkzaam is en/of

- veelvuldig e-mails verzonden naar het/een mailadres van die [X] en/of

- (meermalen) de winkel waar die [X] werkt bezocht;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 juni 2010 tot en met 15 januari 2011 (feit 1) en in de periode van 16 januari 2011 tot en met 5 september 2011 (feit 2) de heer [X] (hierna: [X]) heeft belaagd door onder meer veelvuldig telefonisch contact te zoeken en hem veelvuldig e-mailberichten te versturen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank beide feiten wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

3.2 Het standpunt van de verdediging

3.2.1 Verweer inzake onrechtmatige binnentreding en doorzoeking

De raadsman heeft betoogd dat de in de woning van verdachte in beslaggenomen goederen en de daaruit voortgekomen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze zijn verkregen na een onrechtmatige binnentreding en doorzoeking in de woning van verdachte. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de machtiging tot binnentreden van 2 september 2011 staat als doel mede vermeld 'doorzoeking ter inbeslagneming', terwijl een verwijzing naar de artikelen 96 en 97 van het Wetboek van Strafvordering niet in de machtiging en het proces-verbaal van binnentreden is opgenomen. Voorts ontbreekt een machtiging tot doorzoeking van de rechter-commissaris. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de machtiging tot binnentreden uitsluitend is afgegeven ten behoeve van verbalisant [verbalisant 1] en zij zich bij het binnentreden dus niet had mogen doen vergezellen van verbalisant [verbalisant 2]. Ten slotte zouden de verbalisanten zich voorafgaand aan het binnentreden niet hebben gelegitimeerd, waardoor verdachte niet weloverwogen de toegang heeft kunnen verschaffen.

3.2.2 De overige standpunten van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat mede als gevolg van de bewijsuitsluiting als hiervoor bedoeld de telefoontjes, sms-berichten en e-mailberichten die verdachte betwist te hebben gepleegd, respectievelijk verzonden de strafbare feiten niet bewezen kunnen worden verklaard. Subsidiair heeft hij betoogd dat de telefoontjes naar de dochter van [X] geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [X] kunnen opleveren. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de e-mailberichten afkomstig van de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] wat betreft stijl en inhoud onderling zo sterk verschillen van de e-mailberichten die verdachte heeft erkend te hebben verstuurd, dat reeds daarom niet aannemelijk is dat de betwiste e-mails van verdachte afkomstig zijn. De zich in het dossier bevindende e-mailberichten zijn daarbij de door [X] doorgestuurde e-mailberichten, zodat niet kan worden uitgesloten dat [X] de inhoud van die e-mailberichten heeft veranderd. Voor wat betreft het beperkte aantal telefoontjes en e-mailberichten die verdachte heeft erkend te hebben gepleegd en verstuurd, komt de raadsman tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat het opzet van verdachte gericht was op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [X]. Mocht een zodanige inbreuk niettemin worden vastgesteld dan kan deze volgens de raadsman niet worden aangemerkt als wederrechtelijk, nu verdachte een geldvordering heeft op [X] en zij in de hoedanigheid van schuldeiser gerechtigd was om [X] herhaaldelijk aan te manen teneinde haar vordering op hem te incasseren.

3.3 Oordeel van de rechtbank inzake binnentreding en doorzoeking

De rechtbank stelt vast dat hoewel in de machtiging tot binnentreden mede het doel 'doorzoeking ter inbeslagname' is vermeld en een machtiging van de rechter-commissaris daartoe ontbreekt, uit het dossier blijkt dat er geen doorzoeking heeft plaatsgevonden. Nu verdachte niet in enig belang is geschaad kan het bij de constatering blijven dat de machtiging niet correct was ingevuld.

Op grond van artikel 55 Wetboek van Strafvordering juncto artitkel 8, tweede lid van de Algemene Wet op het binnentreden waren voorts zowel verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bevoegd tot het betreden van de woning ter aanhouding van verdachte, waarbij de rechtbank aanneemt dat dit redelijkerwijs was vereist voor het doel waartoe werd binnengetreden: de aanhouding van verdachte. In het hiertoe opgemaakte proces-verbaal binnentreden woning, is ook de naam van verbalisant [verbalisant 1] vermeld.

De rechtbank stelt met de raadsman vast dat uit het proces-verbaal van binnentreden niet zonder meer blijkt dat de verbalisanten zich voorafgaande aan het binnentreden hebben gelegitimeerd, maar ziet geen reden daaraan consequenties te verbinden. Uit voornoemd proces-verbaal binnentreden volgt immers dat voorafgaand aan het binnentreden de machtiging tot binnentreden is getoond en het doel van binnentreden is medegedeeld, hetgeen met zich brengt dat het voor verdachte kenbaar moet zijn geweest dat zij met de politie te maken had en zij dus onder een juiste voorstelling van zaken de verbalisanten de toegang tot de woning heeft verschaft.

De in de woning in beslag genomen goederen zijn vervolgens rechtmatig in beslag genomen op grond van de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van artikel 96, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt mitsdien de gevoerde verweren en ziet geen reden tot bewijsuitsluiting over te gaan.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aangiften en verklaringen [X]

Op 14 januari 2011 heeft [X] aangifte gedaan van belaging. Hij verklaarde sinds ongeveer 4 maanden 50 à 60 keer per dag te worden gebeld door [verdachte] op de telefoonlijn van zijn winkel. Ook belde zij veelvuldig naar zijn mobiele telefoon die in gebruik was bij zijn dochter. [verdachte] zou hierbij volgens [X] gebruik maken van 4 à 5 verschillende telefoonnummers. Ook stuurde zij hem dagelijks e-mailberichten vanaf het adres [e-mailadres 5].2

Op 17 maart 2011 heeft [X] verklaard sinds 14 januari 2011 bijna non-stop te zijn gebeld op zijn winkeltelefoon. Verder verklaarde hij sinds ongeveer 4 maanden dagelijks seksueel getinte e-mailberichten te ontvangen van het e-mailadres [e-mailadres 5]. Voorts verklaarde hij ook e-mailberichten te ontvangen vanaf het e-mailadres [e-mailadres 1], waarvan hij vermoedde dat ook deze afkomstig waren van [verdachte].3

In een aanvullende verklaring van 28 juni 2011 heeft [X] verklaard sinds 17 maart 2011 nog steeds onophoudelijk telefonisch en per e-mail te worden lastig gevallen. Hij hoorde dan vaak stemmen op de achtergrond, waaronder de stem van verdachte.4 Ook op 23 augustus 2011 heeft [X] verklaard nog onverkort telefonisch en per e-mail te worden belaagd door verdachte. Ze maakte daarbij gebruik van onder meer de e-mailadressen [e-mailadres 5], [e-mailadres 3] en [e-mailadres 2].5 Ten slotte verklaarde [X] op 6 september 2011 tot op de dag daarvoor dagelijks te zijn gebeld en e-mailberichten te hebben ontvangen, laatstelijk vanaf het e-mailadres [e-mailadres 5].6

Onderzoek telefoonverkeer

Uit onderzoek naar de historische gegevens van de winkeltelefoon van [X] over de periode van 14 september 2010 tot en met 14 januari 2011 is gebleken dat er 1527 keer naar deze lijn is gebeld vanaf een vaste telefoon die op naam staat van de echtgenoot van verdachte. Voorts is 487 keer gebeld vanaf een drietal mobiele telefoons die op naam staan van verdachte en 258 maal vanaf een mobiele telefoon met onbekende tenaamstelling die gekoppeld kan worden aan verdachte, nu een verbalisant op 10 november 2010 via dat telefoonnummer contact met verdachte heeft gehad.7

Onderzoek naar de historische gegevens van de mobiele telefoon die bij de dochter van [X] in gebruik was, heeft uitgewezen dat in de periode van 14 september 2010 tot en met 14 januari 2011 in totaal 42 keer is gebeld vanaf een op naam van verdachte staande mobiele telefoon en 37 maal vanaf de hiervoor aangehaalde mobiele telefoon waarop een verbalisant op 10 november 2010 contact heeft gehad met verdachte.8

Onder verdachte is onder meer een drietal mobiele telefoons in beslag genomen waarvan verdachte heeft verklaard dat deze aan haar toebehoren.9 Eén van deze telefoons betreft een Sony Ericsson met imeinummer [imeinummer 1], dat volgens de politie in de historische verkeersgegevens wordt weergegeven als [nummer].10 Met dit telefoontoestel is blijkens deze gegevens in de periode van 25 februari 2011 tot en met 11 juli 2011 met behulp van diverse simkaarten in totaal 65.015 keer gebeld naar de winkeltelefoon van [X] en 959 maal naar de mobiele telefoon die bij de dochter van [X] in gebruik was, waarbij telkens gebruik werd gemaakt van een steunzender in Rotterdam.11

In diezelfde periode is met een andere mobiele telefoon met imeinummer [imeinummer 2], met behulp diverse simkaarten, in totaal 5030 maal gebeld naar de winkeltelefoon van [X], waarbij eveneens gebruik werd gemaakt van een steunzender in Rotterdam. Vastgesteld is dat aan deze mobiele telefoon in de periode van 25 februari 2011 tot en met 31 maart 2011 een simkaart gekoppeld is geweest die op naam van verdachte is gesteld.12

Ten slotte is uit onderzoek naar een simkaart waarmee in de periode van 17 maart 2011 tot en met 28 maart 2011 veelvuldig is gebeld naar de winkeltelefoon van [X] gebleken dat deze simkaart in die periode in de beide hierboven genoemde mobiele telefoontoestellen aanwezig is geweest.13

Onderzoek e-mailberichten

Het strafdossier bevat afdrukken van e-mailberichten, afkomstig van de adressen [e-mailadres 5] en [e-mailadres 1], die in de periode van december 2010 tot en met augustus 2011 zijn ontvangen door [X].14 Uit onderzoek is gebleken dat e-mailberichten van beide e-mailadressen onder meer zijn verzonden vanaf een IP-adres dat is toegekend aan het woonadres van verdachte.15 Verder zijn afdrukken bijgevoegd van e-mailberichten die in augustus 2011 zijn verzonden vanaf de e-mailadressen [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3], terwijl door de politie in de portemonnee van verdachte een memoblaadje is aangetroffen met inloggegevens van deze e-mailadressen.16

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard sinds mei 2010 dagelijks 8 à 10 keer te hebben gebeld naar de winkel van [X] en hem elke dag een e-mail te hebben gestuurd, onder meer vanaf het e-mailadres [e-mailadres 5].17

Conclusie

Op grond van de inhoud van de bovenstaande bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte in de periode van 1 juni 2010 tot en met 5 september 2011 stelselmatig contact heeft gezocht met [X] door hem veelvuldig e-mailberichten te sturen en veelvuldig te bellen naar zijn winkeltelefoon en de bij zijn dochter in gebruik zijnde mobiele telefoon. Door aldus te handelen heeft zij - anders dan de raadsman heeft betoogd - opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X]. Over de telefoontjes naar de dochter van [X] overweegt de rechtbank in het bijzonder dat belaging ook kan bestaan uit het benaderen van derden uit de directe leefomgeving van het slachtoffer (vgl. Hof Leeuwarden 12 december 2006, LJN AZ4596). Met betrekking tot de e-mailberichten merkt de rechtbank op dat genoegzaam is komen vast te staan dat deze zijn verzonden door verdachte. De wijze waarop deze e-mailberichten in het dossier zijn gevoegd, sluit niet uit dat de inhoud van de berichten mogelijk door aangever [X] is veranderd danwel aan de inhoud daarvan iets is toegevoegd. Deze mogelijkheid laat evenwel onverlet dat er in een korte periode grote hoeveelheid e-mailberichten door verdachte aan [X] zijn verzonden. In de omstandigheid dat de e-mailberichten met in de aanhef de namen '[X]' en/of '[dochter] wat betreft stijl en inhoud afwijkend zijn ten opzichte van de e-mailberichten afkomstig van het adres [e-mailadres 5], ziet de rechtbank geen bevestiging voor de stelling dat deze e-mailberichten zijn verzonden door een ander dan verdachte, omdat verdachte kennelijk met behulp van deze e-mailadressen [X] onder een andere naam en hoedanigheid wilde benaderen.

De rechtbank verwerpt voorts het verweer van de raadsman dat verdachte niet wederrechtelijk heeft gehandeld. Nog los van de omstandigheid dat de door verdachte gestelde - en overigens door [X] betwiste - geldvordering in de onderhavige strafzaak niet is komen vast te staan, is de door verdachte gepleegde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [X] volstrekt buitenproportioneel en reeds om die reden wederrechtelijk. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de onderdelen in de tenlasteleggingen die zien op het veelvuldig versturen van sms-berichten en het bezoeken van de winkel van [X], nu naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat deze gedragingen veelvuldig zijn verricht dan wel een rol betekenis hebben gespeeld in het gehele feitencomplex.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 juni 2010 tot en met 15 januari 2011 te 's-Gravenhage en Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer [X], met het oogmerk die [X], te dwingen iets te doen, immers heeft zij, verdachte:

- veelvuldig gebeld naar een mobiel telefoonnummer van die [X] en/of

in gebruik bij de dochter van die [X] en

- veelvuldig gebeld naar het telefoonnummer van de winkel ([winkel]) waar die

[X] werkzaam is en

- veelvuldig e-mails verzonden naar een mailadres van die [X]

2.

in de periode van 16 januari 2011 tot en met 5 september 2011 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X], met het oogmerk die [X], te dwingen iets te doen, immers heeft zij, verdachte:

- veelvuldig gebeld naar een mobiel telefoonnummer van die [X] en/of

in gebruik bij de dochter van die [X] en

- veelvuldig gebeld naar het telefoonnummer van de winkel ([winkel]) waar die

[X] werkzaam is en

- veelvuldig e-mails verzonden naar een mailadres van die [X]

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Drs. S. Hazebroek, GZ-psycholoog, en drs. F. Foeken, psychiater, hebben onderzoek verricht naar de persoonlijkheid van verdachte en daarover Pro Justitia rapporten opgesteld, gedateerd respectievelijk 30 november 2011 en 29 november 2011.

De psycholoog komt - kort gezegd - tot de conclusie dat sprake is van enige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid, maar dat verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Zij heeft niet kunnen vaststellen of de zwakbegaafdheid van verdachte invloed heeft gehad op het gepleegde feit en kan geen uitspraken doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De psychiater rapporteert dat uit zijn onderzoek geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of persoonlijkheidsstoornis en laat zich derhalve evenmin uit over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Mede gelet op de bovenstaande bevindingen acht de rechtbank verdachte strafbaar, nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 274 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod ten aanzien van de heer [X], zijn familie, zijn winkel en zijn werknemers en voorts een locatieverbod voor de [straat] te 's-Gravenhage. Daarnaast heeft hij gerequireerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 172 uren, subsidiair 86 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om bij een eventuele strafoplegging te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die in duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Hij heeft verder verzocht om in strafmatigende zin mee te wegen dat verdachte in haar privéleven nare gevolgen ondervindt van onderhavige strafzaak en er bovendien in de pers uitgebreid aandacht is besteed aan haar zaak. Verder vindt hij een voorwaardelijke gevangenisstraf niet noodzakelijk omdat voor recidive niet behoeft te worden gevreesd en er geen reclasseringstoezicht is geadviseerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van de ernst van de gepleegde feiten neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging door gedurende ruim een jaar meer dan 65.000 maal te bellen naar onder meer het telefoonnummer van de winkel van de heer [X] en hem voorts vele e-mailberichten toe te zenden. Hiermee heeft zij op uitzonderlijk stelselmatige wijze inbreuk gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer en bovendien de bereikbaarheid van zijn winkel ernstig belemmerd. Naast het ontstaan van financiële schade heeft haar handelswijze geleid tot gevoelens van wanhoop en grote onrust bij de heer [X], zijn familie en medewerkers van zijn winkel. De rechtbank neemt verdachte dit alles bijzonder kwalijk, temeer nu zij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar laakbare gedrag.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2012 waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Reclassering Nederland heeft zich in haar rapport d.d. 29 november 2011 onthouden van een advies met betrekking tot de op te leggen sanctie. Voorts hebben psycholoog Hazebroek en psychiater Foeken geen aanbevelingen gedaan ter voorkoming van recidive.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen reden om in strafmatigende zin rekening te houden met de door hem gestelde persaandacht in binnen- en buitenland. Niet is gebleken dat berichtgeving in de media tot verdachte herleidbaar is geweest en zij hier nadeel van heeft ondervonden.

De rechtbank acht een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod, zoals gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden. Zij ziet evenwel - mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - geen reden om naast voornoemde gevangenisstraf tevens een onvoorwaardelijke werkstraf op leggen en zal de officier van justitie hierin dan ook niet volgen.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de teruggave te gelasten van de in beslag genomen mobiele telefoon omdat hierin telefoonnummers zijn opgeslagen die verdachte nodig heeft voor haar dagelijkse functioneren.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren aangezien deze aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten zijn begaan en/of voorbereid.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

belaging, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 274 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 180 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de navolgende bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal hebben of zoeken - direct of indirect - met de heer [X], zijn familieleden, zijn winkel [winkel] te 's-Gravenhage en de werknemers van voornoemde winkel;

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal begeven in de [straat] te 's-Gravenhage;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen, te weten:

1. een telefoontoestel van het merk Sony Ericsson met simkaart;

2. een computer van het merk Asus;

3. een geel memo met inlogcodes;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, voorzitter,

mrs. H.J.M. Smid-Verhage en H.M. Boone, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen,griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1512/2010/230577-1, van de politie Haaglanden, met bijlagen (hierna: PV 1) en het doorgenummerde proces-verbaal met nummer PL1512/2011/056429, met bijlagen (hierna: PV 2).

2 PV 1, proces-verbaal van aangifte [X], blz. 10-12; PV 1, proces-verbaal van verhoor getuige [dochter], blz. 25.

3 PV 2, proces-verbaal van aangifte [X], blz. 33, 34.

4 PV 2, proces-verbaal van verhoor aangever [X], blz. 49.

5 PV 2, proces-verbaal van verhoor aangever [X], blz. 51.

6 PV 2, proces-verbaal van verhoor aangever [X], blz. 72.

7 PV 1, proces-verbaal van bevindingen, blz. 33; PV 1, proces-verbaal van bevindingen, blz. 44.

8 PV 1, proces-verbaal van bevindingen, blz. 40; PV 1, proces-verbaal van bevindingen, blz. 44.

9 PV 2, proces-verbaal van bevindingen, blz. 88, 89; PV 2, proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 191.

10 PV 2, proces-verbaal van bevindingen, blz. 146.

11 PV 2, proces-verbaal van bevindingen, blz. 144, 145.

12 PV 2, proces-verbaal van bevindingen, blz. 142.

13 PV 2, proces-verbaal van bevindingen, blz. 136, 137.

14 PV 1, bijlage bij proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 50-53; PV 2, bijlage bij proces-verbaal van verhoor aangever [X], blz. 53-71; PV 2, bijlage bij proces-verbaal van verhoor aangever [X], blz. 74-79; PV 2, bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, blz. 105-127.

15 PV 2, proces-verbaal van bevindingen, blz. 103.

16 PV 2, bijlage bij proces-verbaal van verhoor aangever [X], blz. 80-83; PV 2, proces-verbaal van bevindingen, blz. 89 met bijlage, blz. 93, 94.

17 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 maart 2012; verklaring verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 7 september 2011 onder punt 2.