Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9041

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
AWB 10/21388
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Somalië, kennis stamlijn, Middle Shabelle, 15 c, Sufi en Elmi, WBV 2011/13

Voor zover verweerder het bestreden besluit heeft gemotiveerd door te stellen dat het niet mogelijk is voor een Somaliër om zijn stamlijn niet te kennen, omdat dit onlosmakelijk is verweven met de Somalische cultuur, overweegt de rechtbank dat dit zozeer een cultureel, mogelijk westers, oordeel bevat dat verweerder zich, zonder verwijzing naar relevante bronnen, niet op dit standpunt heeft mogen stellen.

Eiser heeft geen documentatie overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van het bestreden besluit in Middle Shabelle een situatie was als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw.

Op verweerder rustte geen rechtsplicht, samenhangend met het arrest Sufi en Elmi, eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw. Eiser is eind juli 2009 uit Somalië vertrokken. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser in staat kan worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 10/21388

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser}, geboren op [..], van Somalische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht,

en

de minister van Justitie, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. D.B. Deckers.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 5 november 2009 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 november 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 17 januari 2011 heeft de rechtbank aan partijen bericht dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht is heropend om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de brief van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 januari 2011, waarin in de desbetreffende zaak een gemotiveerde interim measure is getroffen. Eiser en verweerder hebben bij brieven van 28 januari 2011 respectievelijk 15 februari 2011 de rechtbank geïnformeerd hierin geen aanleiding te zien om hun standpunten te wijzigen.

Naar aanleiding van het arrest van het EHRM van 28 juni 2011 in de zaken van Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BR5143) en de daaraan door verweerder verbonden beleidsconsequenties, vervat in WBV 2011/13, gepubliceerd in de Staatscourant nr. 17984 van 6 oktober 2011, heeft de rechtbank op 12 oktober 2011 aan verweerder gevraagd of deze beleidswijziging aanleiding geeft om een ander standpunt in te nemen in deze zaak. Bij brief van 25 oktober 2011 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld geen reden te zien om het bestreden besluit te wijzigen of in te trekken. Bij brief van 8 november 2011 heeft eiser hierop gereageerd. Nadat partijen schriftelijk toestemming hebben gegeven uitspraak te doen zonder dat een nieuwe zitting plaatsvindt, heeft de rechtbank op 8 december 2011 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het bestreden besluit gaat over de weigering aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Middle Shabelle, Zuid-Somalië. In het Rapport Taalanalyse, uitgevoerd door het onder verweerder ressorterende Bureau Land en Taal, is geconcludeerd dat eiser eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Ter zitting is verder komen vast te staan dat niet langer in geschil is dat eiser tijdig in het bezit is gesteld van het rapport van eerste gehoor van 6 november 2009.

3. Ter staving van zijn asielrelaas heeft eiser, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Eiser heeft verklaard afkomstig te zijn uit Mahaday, gelegen in Zuid-Somalië. Eiser stelt de stamlijn of clan van zijn vader niet te kennen. Zijn moeder behoort tot de Ashraf. Eiser verklaart dat hij problemen heeft ondervonden tijdens en na zijn tweede huwelijk. De broer van zijn tweede echtgenote, die behoort tot de Abgal, accepteerde niet dat eiser zijn stam niet kende en heeft op hem geschoten, aldus eiser. Eiser stelt dat hij Somalië heeft verlaten nadat het hoofd van de politie van Mahaday, een ver familielid van zijn tweede echtgenote van wie hij inmiddels was gescheiden, hem had gedwongen uit Mahaday te vertrekken. Verder heeft eiser gesteld dat zijn zuster is verkracht.

4. Eiser heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat hem ten onrechte het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw is tegengeworpen. In dat verband heeft eiser erop gewezen dat hij, anders dan verweerder stelt, het Belgisch paspoort dat hij tijdens de reis heeft gebruikt en zijn reisdocumenten, niet aan de reisagent heeft afgestaan, maar dat deze zijn achtergebleven in het huis van de reisagent in Nederland en dat hem dat niet is toe te rekenen.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn asielaanvraag. De rechtbank stelt verder vast dat eiser, zoals blijkt uit het verslag van het eerste gehoor (p. 4 en 5), heeft verklaard dat het door hem gebruikte paspoort door de reisagent is ingenomen in diens huis. Eiser heeft dit paspoort volgens zijn verklaring in het huis van de reisagent teruggegeven, na het inreizen in Nederland. Deze verklaring heeft eiser in de correcties en aanvullingen bij het gehoor, niet gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet hierop, in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om het ontbreken van documenten niet aan eiser toe te rekenen.

6. Nu verweerder het ontbreken van reisdocumenten in redelijkheid aan eiser heeft kunnen toerekenen, heeft verweerder terecht het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw aan eiser tegengeworpen. Volgens het door verweerder op grond van artikel 31 Vw gevoerde beleid mogen er in dat geval in het asielrelaas van eiser geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het relaas van eiser dient positieve overtuigingskracht uit te gaan.

7. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn asielrelaas dergelijke positieve overtuigingskracht mist. Volgens eiser kan positieve overtuigingskracht worden ontleend aan de uitkomst van de taalanalyse, die bevestigt dat eiser, zoals hij heeft gesteld, afkomstig is uit Zuid-Somalië. Dit draagt volgens eiser niet slechts bij aan de geloofwaardigheid van het onderzochte punt (de herkomst), maar aan het asielrelaas als geheel. Eiser stelt verder dat hij heeft verklaard waarom hij zijn stamlijn niet kent of deze niet heeft. Volgens eiser schiet de motivering van verweerder tekort. Die motivering houdt in dat deze verklaring ongeloofwaardig is, omdat van hem – gelet op het Algemeen Ambtsbericht Somalië (AAB) van 19 oktober 2009 – mag worden verwacht dat hij informatie kan verstrekken over zijn stamlijn nu dit onlosmakelijk is verweven met de Somalische cultuur. In dat verband heeft eiser erop gewezen dat uit het AAB van maart 2010 (p. 58) juist blijkt dat, gezien de onduidelijkheid die bestaat over de huidige rol van het clansysteem in Somalië, niet valt vast te stellen in hoeverre hun traditionele positie nog geldt en of kan worden gerekend op bescherming van (andere) clans. Dat hij goed kon functioneren in de Somalische samenleving, zoals verweerder stelt, bestrijdt eiser.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkomst van de taalanalyse uitsluitend iets zegt over de herkomst van eiser. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat uit het AAB volgt dat het niet mogelijk is geen stamlijn te hebben of deze niet te kennen en dan toch zo te functioneren in de Somalische samenleving als eiser heeft gedaan. In dat verband heeft verweerder erop gewezen dat eiser, naar eigen zeggen, koranlessen heeft gevolgd, heeft gewerkt met een tractor op het land van vijftig boeren en driemaal getrouwd is geweest. Het gestelde tweede huwelijk van eiser acht verweerder niet geloofwaardig, omdat volgens verweerder in het licht van de informatie uit het AAB niet valt in te zien dat de tweede vrouw van eiser, als Abgal (een meerderheidsclan in Somalië), tegen de tradities in een huwelijk sluit met een gestelde clanloze, waardoor zij mogelijk problemen krijgt met haar verwanten. Nu eiser niet wordt gevolgd in het bestaan van een tweede huwelijk, kan er volgens verweerder geen waarde worden gehecht aan zijn verklaringen over de problemen die hij stelt te hebben ondervonden door dit huwelijk.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitkomst van de taalanalyse uitsluitend iets zegt over de herkomst van eiser en dat daaruit geen positieve overtuigingskracht kan worden ontleend wat zijn gehele asielrelaas betreft.

10. Voor zover verweerder in het bestreden besluit er van uitgaat dat eiser heeft gesteld dat hij geen stamlijn heeft of clanloos is, merkt de rechtbank op dat dit geen steun vindt in de door eiser tijdens zijn gehoren afgelegde verklaringen:

Het verslag van het eerste gehoor, pagina 3, vijfde alinea van onderen, vermeldt:

“Opmerking tolk bij het invullen van bijlage 2: de heer [..] weet niet van welke stam hij afstamt. Hij zegt een kind te zijn waarvan de vader niet bekend is. De naam [..] heeft hij gekregen omdat hij moslim is.”

Zoals blijkt uit het verslag van het nader gehoor, pagina 4, tiende alinea, reageert eiser op de vraag of hij zijn moeder ooit heeft gevraagd naar zijn stamafkomst:

“Mijn vader heeft geen vader dus welke afkomst moet ik hebben?”

Zoals blijkt uit de dertiende alinea op deze pagina, antwoordt eiser op de vraag hoe het kan dat hij, terwijl hij in een gemeenschap leefde waarvan bekend is dat de stamafkomst een belangrijke rol speelt, hier niets over kan zeggen:

“(…) Ik heb gehoord dat de moeder van mijn vader van Teglo kwam. Zij kwam in Mahaday. Dat was een grote afstand. Teglo ligt bij de grens van Ethiopië. Zij kwam naar Mahaday om haar zoon te beschermen zodat ze niet mishandeld zou worden door stamgenoten. De vader van mijn vader heeft de zwangerschap ontkend.”

Zoals blijkt uit het verslag van het nader gehoor, pagina 5, tweede alinea, antwoordt eiser op de vraag of hij door anderen als Ashraf werd gezien:

“De vader van mijn moeder is een sheikh. Hij deed gebed voor ons en de Garmagalay. Toen mijn vader met mijn moeder trouwde, heeft mijn opa mijn moeder uitgehuwd. Mijn vader was voorheen uitgesloten maar mijn opa keek daar niet naar. Zo zijn we geaccepteerd door de Ashraf.

11. Voor zover verweerder het bestreden besluit heeft gemotiveerd door te stellen dat het niet mogelijk is voor een Somaliër om zijn stamlijn niet te kennen, omdat dit onlosmakelijk is verweven met de Somalische cultuur, overweegt de rechtbank dat dit zozeer een cultureel, mogelijk westers, oordeel bevat dat verweerder zich, zonder verwijzing naar relevante bronnen, niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Dat dit uit het AAB volgt, zoals verweerder ter zitting – zonder nadere vindpunt te noemen – heeft gesteld, kan de rechtbank onvoldoende plaatsen. Die tekst van het AAB laat zien dat stamlijnen nauw verweven zijn met de Somalische cultuur. Dat wil niet zeggen dat iedere individuele Somaliër kennis heeft van zijn stamlijn.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser gestelde problemen ten gevolge van zijn tweede huwelijk ongeloofwaardig zijn. Van dat huwelijk heeft eiser geen bewijsmiddelen overgelegd. Ook van de gestelde daar op volgende gebeurtenissen zijn geen bewijzen voor handen. Eisers beschrijving op dit punt is verder voorzien van weinig details.

13. Ten slotte overweegt de rechtbank dat verweerder over de door eiser gestelde verkrachting van zijn zuster terecht heeft opgemerkt dat deze gebeurtenis – wat daar ook van zij – voor eiser geen aanleiding is geweest om zijn land van herkomst te verlaten, zodat dit reeds hierom, op zichzelf genomen, niet kan leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel.

14. Gelet op wat partijen over en weer hebben gesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht mist en daardoor niet geloofwaardig is. Hieruit volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is en daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

15. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser bestrijdt de motivering van verweerder in het bestreden besluit dat in de provincie Middle Shabelle geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (de Definitierichtlijn) en handhaaft zijn beroep op deze bepaling, op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op het Anti-Folterverdrag. Eiser heeft ter zitting de rechtbank verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

16. Volgens het arrest van het EHRM van 30 oktober 1991 in de zaak Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 13163/87 (www.echr.coe.int/echr en RV 1991, 19), moeten zich, wil aannemelijk zijn dat een vreemdeling bij uitzetting een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt, verdere specifieke onderscheidende kenmerken ("further special distinguishing features") voordoen, waaruit zo’n risico valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende. Nu verweerder zich, zoals volgt uit het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht mist, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er individuele, hem persoonlijk betreffende gronden zijn om aan te nemen dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw.

17. Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in de zaak van NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 25904/07 (www.echr.coe.int/echr en JV 2008/329), zijn dergelijke specifieke kenmerken niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van 11 januari 2007 in de zaak van Salah Sheekh tegen Nederland, nr. 1948/04, (www.echr.coe.int/echr en JV 2007/30). Uit dit arrest volgt verder dat indien de desbetreffende vreemdeling geen deel uitmaakt van een specifieke groep, als vorenbedoeld, specifieke onderscheidende kenmerken evenmin zijn vereist, indien hij aannemelijk maakt dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie ("most extreme case") van algemeen geweld in zijn land van herkomst. In dat geval kan de enkele omstandigheid dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan dat geweld voldoende zijn om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Bij uitspraak van 9 september 2010 (LJN: BN6714) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) overwogen dat verweerder in het daarin aan de orde zijnde besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mate van willekeurig geweld in de provincie Middle Shabelle op het moment waarover het in die zaak ging, niet zo hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid daar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, bedoeld in artikel 29, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw.

18. Eiser heeft niet aangevoerd dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Uit de niet nader onderbouwde stelling van eiser dat een onderverdeling van Somalië naar mate van geweld niet juist of redelijk is en dat verder de mate van geweld en de risico’s die de bevolking daardoor loopt, niet kan worden afgemeten aan aantallen slachtoffers, kan niet worden afgeleid dat de situatie in Middle Shabelle ten tijde van het bestreden besluit wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in voormelde uitspraak van 9 september 2010 aan de orde was. Eiser heeft geen documentatie overgelegd waaruit dat blijkt. Mede in aanmerking genomen dat uit het genoemde arrest Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk niet kan worden afgeleid dat voor de algemene veiligheidssituatie in Middle Shabelle tot een ander oordeel moet worden gekomen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw geen aanspraak op bescherming kan ontlenen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding het door eiser ter zitting gedane verzoek om over deze kwestie een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in te willigen.

19. Het vorenstaande laat onverlet dat uit het arrest Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk volgt dat voor een vreemdeling afkomstig uit Mogadishu, waarvan is geoordeeld dat daar thans sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, Centraal- en Zuid-Somalië alleen als vestigingsalternatief geldt indien de vreemdeling hechte familiebanden heeft in dat gebied en zijn familie in staat is hem opvang en ondersteuning te bieden en de vreemdeling zich niet hoeft te vestigen in of hoeft te reizen door een gebied dat wordt beheerst door Al-Shabaab, tenzij hij in staat kan worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab, welke beweging delen van Centraal- en Zuid-Somalië heeft veroverd na de val van the Union of Islamic Courts eind 2006. Uit dit arrest volgt verder dat een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling bestaat indien het “reasonably likely” is dat de vreemdeling bij terugkeer zal terecht komen in een kamp voor ontheemden, zoals die in de Afgooye Corridor, of een vluchtelingenkamp, zoals de Dadaab-kampen in Kenia. Uit dit arrest heeft verweerder zoals verwoord in zijn in Staatscourant nr. 17984 van 6 oktober 2011 gepubliceerde beleid (WBV 2011/13, paragraaf 4.3) afgeleid dat ook voor de vreemdeling afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië die terugkeert naar, of moet reizen door, een gebied dat door Al-Shabaab wordt beheerst en die niet in staat is te voldoen aan de daar geldende leefregels, bijvoorbeeld omdat hij niet recent in Somalië heeft verbleven of geen ervaring heeft met het leven onder Al-Shabaab, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

20. Verweerder heeft zich in zijn brief aan de rechtbank van 25 oktober 2011 op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat kan worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser recent – te weten eind juli 2009 – uit Somalië is vertrokken en dat hij blijkens zijn verklaringen in algemene zin ervaring heeft met het leven onder Al-Shabaab, zodat moet worden aangenomen dat hij bekend is met de in die gebieden geldende leefregels.

De enkele stelling van eiser dat juli 2009 niet recent is en dat hij niet zal kunnen voorkomen dat hij de aandacht trekt van Al-Shabaab omdat het geen geheim is dat hij is vertrokken biedt, gelet op hetgeen het EHRM in met name paragraaf 2.75 heeft overwogen over het moment waarop Al-Shabaab delen van Zuid- en Centraal-Somalië heeft veroverd, onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser in staat kan worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab. Eiser heeft dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat eiser zijn stelling dat hij bij terugkeer niet zal kunnen voorzien in zijn basisbehoeften en kwetsbaar is voor mishandeling, niet heeft onderbouwd. Op verweerder rustte geen rechtsplicht, samenhangend met het arrest Sufi en Elmi, eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw.

21. Ten slotte overweegt de rechtbank het volgende. Ter zitting is door verweerder bevestigd dat eiser indien hij niet uit eigen beweging Nederland verlaat, gedwongen zal worden uitgezet via Mogadishu. Gelet op de uitspraak van de ABRvS van 9 juni 2011 (LJN: BQ7947), waarin is geoordeeld dat de wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden, geen onderdeel uitmaakt van de beoordeling die verweerder naar aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verrichten, kan de rechtbank deze omstandigheid niet bij haar beoordeling betrekken.

22. Ook wat eiser verder heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, als voorzitter, en mr. M. ter Brugge en mr. D.A. Verburg als leden, in aanwezigheid van mr. W.F.C. Vogel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.