Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9036

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/22116 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning in verband met opheffing van het categoriale beschermingsbeleid in Irak.

Eiser heeft aangevoerd dat hij in 2006 is ontvoerd en dat hij een maand is gedetineerd. Daarnaast is zijn broer in 2007 ontvoerd en nooit meer teruggekomen. Ook is de vader van eiser eind 2007 door het Al-Mehdi leger benaderd in verband met rekrutering van eiser voor het leger. Verweerder heeft het asielrelaas geloofwaardig geacht, met uitzondering van het vermoeden van eiser dat zijn broer door dezelfde personen is ontvoerd als eiser. Eiser heeft aangevoerd dat hij sjiietisch moslim is en dat hij uit een vermogende familie komt. De gezinsleden van eiser zijn door middel van een onder hun auto aangebrachte autobom om het leven gekomen. Eiser heeft – onder meer – aangevoerd dat hij bij terugkeer in Irak op meerdere manieren gevaar loopt. Enerzijds omdat hij de enige nog levende telg van de familie is, waardoor de personen die eiser in het verleden ontvoerd hebben het weer op hem gemunt zullen hebben. Anderzijds maakt het feit dat eiser nu enig erfgenaam is hem kwetsbaar voor geweld. Daarnaast vreest eiser eerwraak, nu hij door zijn familie van lafheid zal worden beticht omdat hij als enige uit het gezin is gevlucht en ontkomen. De rechtbank heeft overwogen dat uit het ambtsbericht blijkt dat met name sjiieten en (familieleden van) vermogende personen het doelwit zijn van verdwijningen en geweld en in de belangstelling staan van groeperingen die geweld gebruiken. Nu eiser heeft aangegeven dat de geloofwaardig geachte gebeurtenissen die eiser zijn overkomen te maken hebben met de maatschappelijke positie van het sjiietische gezin waaruit eiser afkomstig is, kon verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot de conclusie komen dat eiser geen gegronde vrees behoeft te hebben voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en in artikel 3 van het EVRM. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/22116 BEPTDN

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Mulderij-Anker),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen de minister voor Immigratie en Asiel

(gemachtigde: mr. M. Erik).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1987 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft verweerder de verblijfvergunning asiel voor bepaalde tijd, in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), die bij besluit van 10 juli 2008 aan eiser werd verleend, ingetrokken.

Eiser heeft tegen dit besluit op 5 juli 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2012. Eiser is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M. Mulderij-Anker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. M. Erik. Tevens was ter zitting aanwezig

A. Bahmani, tolk Arabisch.

Overwegingen

1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat - het volgende aangevoerd. Eiser heeft zijn land verlaten omdat zijn familie werd bedreigd. Eiser is gedurende één maand ontvoerd geweest, waarbij hij is mishandeld. Verder is zijn broer ontvoerd, van wie eiser niets meer heeft vernomen. Daarnaast willen mensen van het

Al-Mehdi leger dat eiser zich bij hen aansluit om te vechten. De vader van eiser is om die reden onder druk gezet, maar hij heeft geweigerd. Gezien het voorgaande voelde eiser zich niet meer veilig en heeft hij zijn land verlaten. Na het vertrek van eiser zijn de nog thuis verblijvende gezinsleden (vader, moeder en 2 zusters en jongste broer) om het leven gekomen door het ontploffen van een in de auto van eisers vader geplaatste bom.

2 Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 de verblijfsvergunning asiel van eiser ingetrokken. Het categoriale beschermingsbeleid zoals dat gold voor Centraal-Irak ten tijde van de aanvraag is, per 22 november 2008 datum bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2008/28, opgeheven.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van het bestreden besluit en tevens in de huidige situatie evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vw 2000. Verweerder heeft geconcludeerd dat het relaas onvoldoende zwaarwegend is voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning.

3 In beroep heeft eiser het volgende aangevoerd. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte zoveel nadruk heeft gelegd op het ontbreken van reisdocumenten. Eiser bestrijdt dat hij toerekenbaar geen reisdocumenten kon overleggen, maar zelfs wanneer dit het geval zou zijn is het eiser niet duidelijk waarom verweerder zoveel gewicht heeft gehecht aan het ontbreken van reisdocumenten, nu verweerder het asielrelaas van eiser geloofwaardig heeft geacht. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder, nu niet duidelijk is geworden door wie of met welke reden de familie van eiser is vermoord, een dusdanig groot risico neemt met het terugsturen van eiser naar zijn land van herkomst, dat dit strijdig moet worden geacht met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij bij terugkeer naar Irak op meerdere manieren gevaar loopt. Enerzijds is eiser de enige nog levende telg van de familie, waardoor de personen die eiser ontvoerd hebben in het verleden, het op hem gemunt zullen hebben. Daarnaast is eiser enig erfgenaam, wat hem kwetsbaar maakt voor geweld. Verder loopt eiser het risico vermoord te worden door zijn familie, welke hem van lafheid beticht omdat hij als enige uit het gezin is gevlucht en ontkomen. Zijn familie verwacht van hem dat hij de moord op zijn gezinsleden zal wreken. Daardoor vreest eiser eerwraak door zijn familie.

Ten slotte heeft eiser zich beroepen op artikel 3 van het EVRM (medisch) en heeft daartoe aangevoerd dat hij gezondheidsproblemen ervaart, zoals stress en een alcoholverslaving, waarvoor hij bij de Brijderstichting onder behandeling staat. Eiser is dan ook van mening dat het onthouden van een verblijfsvergunning ook in dit kader strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

4 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: (a) die verdragsvluchteling is, (b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, (c) van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, of (d) voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

5 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), hoofdstuk C14/3, heeft verweerder het beleid neergelegd inzake de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Indien zich een van de omstandigheden van artikel 31, tweede lid, a tot en met f, van de Vw 2000 voordoet, doet dit afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas. Er mogen dan in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

6 Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is van belang dat er onderscheid wordt gemaakt tussen wel of niet geloofwaardig geachte feiten en de vermoedens die aan die feiten ontleend worden. Indien verweerder bepaalde feiten geloofwaardig acht, maar niet de daaraan ontleende vermoedens, toetst de rechtbank dit terughoudend omdat het gaat om vermoedens die deel uitmaken van gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden (zie AbRS 21 juli 2009, LJN: BJ3621). De geloofwaardigheid van vermoedens over wat eisers bij terugkeer naar hun land van herkomst te wachten staat wordt door de rechtbank vol getoetst (zie AbRS 17 februari 2010, LJN: BL4556).

7 De rechtbank dient te beoordelen of aan eiser op goede gronden ten tijde van de verlening van de aan hem verleende verblijfsvergunning (ex tunc), dan wel op dit moment (ex nunc) een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, is onthouden.

Situatie ten tijde van de vergunningverlening

8.1 Verweerder heeft eiser weliswaar artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f tegengeworpen, maar heeft hier verder geen consequenties aan verbonden, nu hij het asielrelaas van eiser geloofwaardig heeft geacht. Nu verweerder ter zitting artikel 31, tweede lid, onder f heeft gepasseerd, zal de rechtbank hier niet nader op ingaan.

8.2 Verweerder heeft het asielrelaas van eiser geloofwaardig geacht. Zo heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in 2006 is ontvoerd, ongeveer een maand is gedetineerd, dat zijn broer in 2007 is ontvoerd en nooit meer is teruggekomen en dat zijn vader eind 2007 door het Al-Mehdi leger is benaderd omdat zij wilden dat eiser zich bij hen aansloot. Verweerder heeft het aan dit geloofwaardig geachte relaas vermoeden van eiser, dat zijn broer in 2007 door dezelfde personen is ontvoerd als betrokkene in 2006, in redelijkheid niet geloofwaardig kunnen achten, nu eiser deze stelling niet met enige concrete indicaties heeft onderbouwd. In dit verband betekent dit niet meer dan dat niet bekend is welke personen (of groepering) de broer van eiser hebben ontvoerd.

8.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verwachtingen van eiser betreffende wat hem bij terugkeer in Irak te wachten staat, niet aannemelijk zijn. Verweerder heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat eiser sjiietisch moslim is, op zichzelf geen aanleiding vormt om hem aan te merken als verdragsvluchteling, nu niet is gebleken dat deze groep in zijn land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiser op 10 maart 2006 is ontvoerd en dat hij, in de periode tussen zijn vrijlating een maand later en zijn vertrek uit Irak op 13 april 2008, geen persoonlijke problemen heeft ondervonden door zijn ontvoerders. Eiser zou derhalve niet in de negatieve belangstelling staan van zijn ontvoerders. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de ontvoering van eisers broer op enigerlei wijze in verband staat met de ontvoering van eiser zelf. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiser kennelijk niet meer in de negatieve belangstelling staat van het Al-Mehdi leger, nu personen uit het leger, eind 2007, begin 2008, weliswaar eenmaal aan eisers oom naar zijn vader hebben gevraagd en eenmaal eisers vader persoonlijk hebben gesproken over aansluiting van eiser bij het Al-Mahdi leger, maar dat deze personen, na de weigering van zijn vader, niet meer terug zijn gekomen. Daarnaast volgt uit eisers verklaringen niet dat eiser na deze weigering nog persoonlijk is benaderd of persoonlijk problemen heeft ondervonden van het Al-Mehdi leger.

De rechtbank overweegt dat uit het algemene ambtsbericht betreffende Irak van oktober 2010, hetgeen toepasselijk was ten tijde van het bestreden besluit, volgt dat met name sjiieten en (familieleden van) vermogende personen het doelwit zijn van verdwijningen en geweld en in de belangstelling staan van groeperingen die geweld gebruiken. Verweerder heeft zowel de ontvoering van eiser zelf als de ontvoering van eisers broer geloofwaardig geacht en daarnaast ook het gegeven dat eisers vader in verband met de rekrutering van eiser is benaderd door personen van het Al-Mehdi leger en het omkomen van de overgebleven gezinsleden niet in twijfel getrokken. Nu eiser ter zitting, maar ook al tijdens het nader gehoor, heeft aangegeven dat de - geloofwaardig geachte - gebeurtenissen die eiser zijn overkomen te maken hebben met de maatschappelijke positie van het sjiietische gezin waaruit eiser afkomstig is, kon verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot de conclusie komen dat eiser geen gegronde vrees behoeft te hebben voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en in artikel 3 van het EVRM. Daarnaast volgt de rechtbank verweerder niet in zijn stelling dat eiser in de periode tussen zijn vrijlating in 2006 en zijn vertrek in 2008 geen problemen zou hebben ondervonden. Immers, in 2007 is de broer van eiser ontvoerd, hetgeen niet duidt op een probleemloze situatie.

8.4 Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij gegronde vrees zou hebben voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag dan wel voor een behandeling als omschreven in artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij eiser destijds een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000, heeft onthouden. Alleen al om die reden zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens een motiveringsgebrek.

Beoordeling van de huidige situatie

9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij beoordeling van de huidige situatie evenmin voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees behoeft te hebben voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag dan wel voor een behandeling als omschreven in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank verwijst in dit kader naar het meest recente algemene ambtsbericht inzake Irak van december 2011, waaruit onverminderd blijkt dat met name sjiieten en (familieleden van) vermogende personen het doelwit zijn van verdwijningen en geweld en in de belangstelling staan van groeperingen die geweld gebruiken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de aanslag - met dodelijke afloop - op de familie van eiser zou vallen onder willekeurig geweld, nu de manier waarop dit is gebeurd, namelijk door een autobom, toch de schijn van gericht geweld heeft. Verweerder heeft, in vervolg daarop, onvoldoende gemotiveerd waarom eiser, inmiddels de enige nog levende telg uit de familie en de enige erfgenaam, geen risico zou lopen om het doelwit te worden van geweld. Derhalve bevat het bestreden besluit ook bij de beoordeling van de huidige situatie een motiveringsgebrek, wat, naast het motiveringsgebrek van de beoordeling van de situatie ten tijde van de vergunningverlening, aanleiding geeft tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit.

10 Gezien de voorgaande overwegingen bevat het bestreden besluit meerdere motiveringsgebreken, waarom de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen. De overige gronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

11 Het beroep is gegrond.

12 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,=

(1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,= en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 5 juli 2011;

-bepaalt dat verweerder met in achtneming van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter,

in aanwezigheid van mr. E.W. Top, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).