Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9018

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
AWB 12-6637
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring. Somalië. Verweerder heeft verklaard voornemens te zijn, gedwongen uitzetting naar Somalië (Mogadishu) te hervatten. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder verstrekte informatie onvoldoende inzicht geeft in de wijze waarop de gedwongen uitzetting vanaf de luchthaven van Nairobi (Kenia) naar de luchthaven van Mogadishu zal worden geëffectueerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 12/6637

Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

[naam],

geboren op [geboortedatum],

van Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. E. Ebes, advocaat te Lemmer.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, hierna: verweerder, heeft op 27 februari 2012 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 februari 2012 beroep ingesteld. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.2. Verweerder heeft bij faxbericht van 1 maart 2012 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eiser toegezonden. Bij faxbericht van 5 maart 2012 heeft verweerder een nader stuk ingezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 6 maart 2012. Eiser is gehoord door middel van telehoren vanuit de telehoorruimte in het Detentiecentrum te Zeist. Vanuit de rechtbank te Groningen is eiser ter zitting bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen drs. B.H. Wezeman.

Het onderzoek is ter zitting gesloten.

1.4. Bij faxbericht van 7 maart 2012 heeft de rechtbank aan partijen bericht dat haar bij de voorbereiding van de uitspraak is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat zij daarom, op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek heropent.

In het faxbericht heeft de rechtbank verweerder verzocht om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 8 maart 2012, 15:00 uur, schriftelijk te reageren op de in het faxbericht gestelde nadere vraag van de rechtbank.

1.5. Verweerder heeft nagelaten bijtijds een reactie in te zenden. Naar aanleiding hiervan heeft de griffier van de rechtbank op vrijdagochtend 9 maart 2012 telefonisch contact opgenomen met de ter zitting van 6 maart 2012 aanwezige gemachtigde van verweerder.

De gemachtigde van verweerder heeft in het telefoongesprek meegedeeld dat de heropeningsbeslissing van de rechtbank hem niet heeft bereikt. Daarop heeft de rechtbank de heropeningsbeslissing van 7 maart 2012 opnieuw over de fax aan verweerder gezonden.

1.6. Bij faxbericht van 9 maart 2012, 15:22 uur, heeft verweerder een reactie ingezonden. Verweerder heeft de rechtbank toestemming gegeven, het beroep zonder nadere zitting af te doen.

1.7. Bij faxbericht van 12 maart 2012, 15:57 uur, heeft de gemachtigde van eiser gereageerd op het gestelde in het faxbericht van verweerder van 9 maart 2012. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven, het beroep zonder nadere zitting af te doen.

1.8. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. In deze procedure dient op grond van de beroepsgronden te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd zijn met de Vw 2000 en of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd zijn.

2.2. In de maatregel heeft verweerder aangegeven dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen verweerder baseert op de feiten dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000); zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn; geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en geen middelen van bestaan heeft.

Verweerder heeft deze gronden in de maatregel nader gemotiveerd

2.3. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting - samengevat weergegeven - aangevoerd dat eiser stelt dat de grond dat hij niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vb 2000, ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Immers, hij komt uit Somalië en daar is geen overheid die paspoorten en andere identiteitspapieren uitgeeft. Daarnaast had eiser ten tijde van de inbewaringstelling wel degelijk een vaste woon- of verblijfplaats, immers hij verbleef in de opvang. Daarom is ook die grond volgens eiser ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd.

Ten slotte stelt eiser dat in zijn geval zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn ontbreekt, omdat verweerder al geruime tijd niet meer uitzet naar Somalië, gezien de slechte veiligheidssituatie aldaar. Dit geldt temeer voor Zuid-Somalië, waar eiser vandaan komt.

2.4. Met betrekking tot de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting - samengevat weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Verweerder laat de grond dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vb 2000, vallen. Niet in geschil is dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is verblijf in de opvang niet aan te merken als het beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in de hier bedoelde zin. Dat eiser geen middelen van bestaan heeft, is niet bestreden. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat de gronden de maatregel kunnen dragen.

2.5. Vervolgens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn van eiser naar Somalië. De gemachtigde van verweerder heeft dit standpunt ter zitting - samengevat en zakelijk weergegeven - aldus toegelicht:

"Verweerder is voornemens gedwongen uitzetting naar Somalië, in het bijzonder naar Mogadishu, te hervatten,

op basis van het in 2010 met de Somalische autoriteiten overeengekomen Memorandum of Understanding (MoU). De uitvoering van dit MoU is, anders dan het geval is met het MoU met de autoriteiten van Somaliland, nooit opgeschort geweest. Recent zijn er contacten met de Somalische autoriteiten geweest. Van 7 tot en met

11 januari 2012 heeft een delegatie bestaande uit medewerkers van de Directie Internationale Aangelegenheden, de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en SIO gesproken met, onder meer, (vertegenwoordigers van) de Transitional Federative Government (TFG) over (de uitvoering van) het in 2010 met de Somalische autoriteiten overeengekomen MoU. De delegatie heeft in genoemde periode gesprekken gevoerd in Nairobi (Kenia) en Hargeisa. Daarnaast heeft medio februari 2012 een delegatie van DT&V in Mogadishu gesproken met de luchthavenautoriteiten aldaar.

Resultaat van de besprekingen met de TFG is dat het MoU is herbevestigd. Naar aanleiding hiervan zal verweerder (DT&V) binnen afzienbare tijd weer starten met de uitzetting van uitgeprocedeerde Somalische vreemdelingen, via Nairobi, naar Mogadishu. "Binnen afzienbare tijd" wil zeggen: binnen enkele weken.

De uitzetting zal als volgt gaan verlopen. De naar Somalië uit te zetten vreemdeling zal met het vliegtuig naar Nairobi reizen, waarbij de vreemdeling tot Nairobi zal reizen onder escorte van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In Nairobi volgt een overstap op een vliegtuig naar Mogadishu. Vanuit Mogadishu kan de vreemdeling zelf verder reizen, hetzij per vliegtuig, hetzij over land."

2.6. In de heropeningsbeslissing van 7 maart 2012 heeft de rechtbank verweerder verzocht om haar nader (en concreet) in te lichten over de wijze waarop verweerder (DT&V) voornemens is het uitzettingstraject vanaf Nairobi naar Somalië te laten verlopen. De rechtbank heeft verweerder verzocht om daarbij aan te geven hoe verweerder (DT&V) zich zowel het uitzettingstraject Nairobi - Mogadishu voorstelt (zoals met welk(e) vervoermiddel(en), al dan niet (voortgezet) onder escorte van de KMar), als het uitzettingstraject vanaf Mogadishu naar het herkomstgebied in Zuid- (of Centraal-)Somalië van de betreffende vreemdeling.

2.7. Bij faxbericht van 9 maart 2012 heeft verweerder het volgende bericht:

"Het uitzettingstraject van Nairobi naar Mogadishu geschiedt per vliegtuig. De vreemdeling wordt gedurende deze vlucht van Nairobi naar Mogadishu niet begeleid door de escorts [de rechtbank leest: het escorte of de escortes] van de KMar. Echter, de KMar doet op dit moment onderzoek naar de mogelijkheden om de vreemdeling te begeleiden tot Mogadishu. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van de KMar zal worden bezien of de huidige werkwijze dient te worden aangepast.

Algemeen uitgangspunt is dat een vreemdeling van wie in een toelatingsprocedure is vast komen te staan dat hij/zij zich kan handhaven in Zuid- en Centraal-Somalië, zelf kan doorreizen naar de gewenste bestemming binnen Zuid- en Centraal-Somalië. Dit kan eventueel per vliegtuig indien er een luchthaven is, dan wel over land. Dit is aan de vreemdeling zelf. Immers, geoordeeld is dat betrokkene zich aldaar kan handhaven. De vreemdeling zal eventueel financiële ondersteuning krijgen om de doorreis te kunnen bekostigen.

Zoals reeds ter zitting naar voren is gebracht, kan vanaf de luchthaven in Mogadishu worden gevlogen naar Puntland (Bossaso), Centraal-Somalië (Galkayo) en Somaliland (Hargeisha en Berbera). Voornoemde vluchten worden regulier en dus frequent uitgevoerd. Aansluitingen voor doorvluchten kunnen op de luchthaven van Mogadishu geregeld worden."

2.8. Bij faxbericht van 12 maart 2012 heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat eiser nog altijd stelt dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn. Daartoe is het volgende aangevoerd:

"Volgens de informatie van verweerder wordt eiser slechts geëscorteerd tot Nairobi. Of er (mede gezien

de fluctuerende veiligheidssituatie in Mogadishu) de garantie is dat eiser in Nairobi verder zal kunnen reizen,

is onbekend. Gaan er regelmatig vluchten naar Mogadishu, zal eiser worden toegelaten op een vlucht naar Mogadishu terwijl hij verschoonbaar geen paspoort heeft, wie financiert het vliegticket, daaromtrent ontbreekt van de zijde van verweerder concrete informatie. Er is derhalve geen enkele garantie dat eiser via deze route zal kunnen terugkeren naar zijn land van herkomst.

Omdat er vooralsnog geen escorte is tot aan Mogadishu, stelt verweerder op dit moment te onderzoeken of een uitzetting naar Mogadishu mogelijk is.

Verweerder verstrekt echter geen concrete informatie aangaande de stand van zaken van dit onderzoek. Ook ontbreekt informatie met welke autoriteiten daaromtrent overleg wordt gevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat deze autoriteit de bevoegdheid heeft om te beoordelen of de toegang van eiser gegarandeerd is. Voorts ontbreekt informatie op welke termijn een concreet resultaat kan worden tegemoet gezien op grond waarvan aannemelijk is dat een geëscorteerde uitzetting naar Mogadishu op korte [de rechtbank leest: termijn] kan worden geëffectueerd."

2.9. De rechtbank overweegt als volgt.

2.10. Eiser bestrijdt niet dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden. Reeds deze grond is volgens vaste jurisprudentie van de AbRS (zie de uitspraak van 13 mei 2011, 201101548/1/V3) voldoende om aan te nemen dat eiser de terugkeer of de verwijderings-procedure ontwijkt of belemmert. Derhalve kan reeds deze grond de maatregel dragen.

2.11. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Zuid-Somalië.

2.12. Eiser stelt in zijn bij faxbericht van 12 maart 2012 ingezonden reactie:

"Omdat er vooralsnog geen escorte is tot aan Mogadishu, stelt verweerder op dit moment te onderzoeken of een uitzetting naar Mogadishu mogelijk is."

De rechtbank merkt op dat deze stelling van eiser berust op een verkeerde lezing door eiser van verweerders (toelichting op diens) standpunt. Verweerders standpunt is - anders dan eiser kennelijk meent - dat uitzetting naar Mogadishu mogelijk is. Wat verweerder

"op dit moment" onderzoekt, is of er mogelijkheden zijn om de (naar Somalië uit te zetten) vreemdeling, behalve tijdens de vlucht van Nederland van Nairobi, ook tijdens de (aansluitende) vlucht van Nairobi naar Mogadishu te laten escorteren door de KMar.

2.13. Verweerder heeft ter zitting verklaard voornemens te zijn gedwongen uitzetting naar Somalië, in het bijzonder naar Mogadishu, te hervatten. Uit de door verweerder in het onderhavige geval verstrekte informatie leidt de rechtbank af dat als nieuwe ontwikkeling ten opzichte van het moment waarop verweerder gedwongen uitzetting naar Somalië,

in het bijzonder naar Mogadishu, heeft gestaakt, de "herbevestiging" van het MoU met de Somalische autoriteiten heeft te gelden. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder verstrekte informatie onvoldoende inzicht geeft in de wijze waarop de gedwongen uitzetting vanaf de luchthaven van Nairobi naar de luchthaven van Mogadishu zal worden geëffectueerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

2.14. Uit het hiervoor in 2.13. overwogene volgt dat naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring geen redelijk vooruitzicht bestond op verwijdering van eiser naar Somalië. Het beroep is gegrond. De bewaring dient met ingang van heden te worden opgeheven.

2.15. Aan eiser wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, Vw 2000 een schadevergoeding toegekend voor de dagen die eiser ten onrechte in bewaring heeft doorgebracht, met ingang van de dag waarop de maatregel van bewaring is opgelegd (27 februari 2012) tot heden, 15 maart 2012. De rechtbank gaat uit van drie dagen ten onrechte doorgebracht in een politiecel en 14 dagen ten onrechte doorgebracht in een huis van bewaring, zodat eiser een bedrag toekomt van 3 x € 100,00 (per dag doorgebracht in een politiecel) en 14 x € 80,00 (per dag doorgebracht in een huis van bewaring), in totaal

€ 1.420,00.

2.16. Er bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,00 en wegingsfactor 1).

De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat eiser procedeert op basis van een toevoeging, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de vrijheidsbenemende maatregel krachtens artikel 59 Vw 2000 met ingang van heden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser een vergoeding toe van € 1.420,00 (zegge: éénduizend vierhonderdtwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 874,00 en bepaalt dat verweerder deze kosten dient te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, in aanwezigheid van M.J. 't Hart, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2012.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage) onder vermelding van 'Hoger beroep vreemdelingenzaken'. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.