Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8997

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
AWB 12/2140 AWB 12/2143 AWB 12/2139 AWB 12/2141
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:118, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 66a Vw 2000, inreisverbod, onderdeel meeromvattende beschikking, gelet op wettelijke bepalingen niet mogelijk

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

Niet in geschil is dat de meeromvattende beschikkingen van 4 september 2008 tevens een terugkeerbesluit inhouden en dat verzoekers niet zijn vertrokken binnen de daarin gestelde vertrektermijn. Gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan, in een geval als het onderhavige, een inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking worden uitgevaardigd. Het inreisverbod, zoals dat in het bestreden besluit is opgenomen als onderdeel van de meeromvattende beschikking, kan derhalve niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden zal de voorzieningenrechter de beroepen met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen voor zover daarbij een inreisverbod is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/2140 en AWB 12/2143 (voorlopige voorzieningen) AWB 12/2139 en AWB 12/2141 (beroepen)

uitspraak ingevolge artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[A], verzoeker, V-nummer [nummer a],

[B], verzoekster, V-nummer [nummer b],

mede namens hun minderjarige kinderen [C], V-nummer [nummer c] en [D], V-nummer [nummer d], samen verzoekers,

(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner, advocaat te Hoofddorp),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.C. van Keeken)

Procesverloop

Verzoekers zijn geboren op respectievelijk [datum] 1980, [datum] 1984, [datum] 2000 en

[datum] 2005 en bezitten de Colombiaanse nationaliteit. Zij verblijven als vreemdeling in Nederland.

Op 11 januari 2012 hebben zij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 19 januari 2012 afwijzend op de aanvragen beslist en een inreisverbod opgelegd.

Bij schrijven van 19 januari 2012 hebben verzoekers tegen de besluiten beroepschriften ingediend bij de rechtbank. De beroepen zijn alhier geregistreerd onder nummers

AWB 12/2139 en AWB 12/2141. Tevens is verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken de uitzetting achterwege te laten, totdat op de beroepen is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 7 februari 2012. Verzoekers zijn daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M.L. von der Assen, tolk Spaans.

Overwegingen

1. Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kan dat besluit door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van dit rechtsbeginsel.

Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is geen sprake indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat berust.

3. Verzoekers hebben eerder, namelijk op 23 november 2005, aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluiten van

4 september 2008, verzonden op 9 september 2008, zijn deze aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats

's-Hertogenbosch, heeft de hiertegen gerichte beroepen bij uitspraken van 8 juli 2010 ongegrond verklaard (AWB 08/35937 en AWB 08/35940). De uitspraken staan in rechte vast.

4. In verzoekers (herhaalde) asielaanvraag van 11 januari 2012 hebben zij een aantal documenten overgelegd ter onderbouwing van hun standpunt dat de zus van verzoeker, genaamd [E], is vermoord door leden van de FARC en dat verzoeker problemen heeft met de FARC.

Het betreft:

1. een originele dreigbrief FARC van mei 2010 (met vertaling);

2. een geboorteakte van de moeder van verzoeker;

3. een kopie uit het overlijdensregister inzake de zus van verzoeker van 14 december 2011 (met vertaling);

4. een kopie van de verklaring van overlijden van de zus van verzoeker opgemaakt op 28 juli 2010 (met vertaling);

5. een kopie van een verklaring van de Medische Kliniek van 26 juli 2010 (met vertaling);

6. een kopie van een betalingsbewijs en een verklaring van overlijden van de parochie van [plaats in Colombia] van 27 juli 2010 inzake de zus van verzoeker (met vertaling);

7. een kopie van de geboorteakte van de zus van verzoeker (met vertaling);

8. een geboorteakte van verzoekster;

9. een geboorteakte van verzoeker (met vertaling);

10. een verzendenveloppe van 5 januari 2012;

11. een krantenartikel uit het Algemeen Dagblad (AD) van 1 december 2011 omtrent verzoekers;

12. een verklaring van Orion onderwijs van 8 juni 2011 inzake verzoeker;

13. een artikel van 17 september 2011.

Voorts hebben verzoekers een aantal documenten overgelegd met betrekking tot de algemene situatie in Colombia.

Gelet op het vorenstaande stellen verzoekers dat sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daartoe is van belang dat verweerder op basis van de overgelegde documenten dient uit te gaan van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker. Immers, niet in geschil is dat de zuster van verzoeker door geweldpleging om het leven is gekomen. Dat verweerder vraagtekens zet bij de wijze waarop verzoeker voornoemde documenten heeft ontvangen, maakt het vorenstaande niet anders. Nu de jonge, studerende zuster van verzoeker niets te maken had met criminaliteit, kan het niet anders dan dat zij is vermoord door leden van de FARC en dat de dreigbrief echt is. Het vorenstaande kan eveneens worden afgeleid uit de wijze waarop zij is vermoord. Dat de FARC op deze wijze opereert, is een feit van algemene bekendheid. Uit het ambtsbericht blijkt verder dat familieleden van personen die gezocht worden, zoals verzoeker van wie niet in geschil is dat hij als beroepsmilitair tegen de FARC activiteiten heeft verricht, worden gechanteerd, ontvoerd of vermoord. Door het artikel in het AD weet de FARC waar verzoekers zich bevinden. Tot slot stellen verzoekers, onder verwijzing naar verschillende artikelen, dat in Colombia sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn). Verzoekers hebben daarnaast gesteld dat er geen grond bestaat voor verweerder om een inreisverbod op te leggen.

5. Verweerder heeft de aanvragen van verzoekers met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.

6. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) in de zin van artikel 4:6 van de Awb het volgende.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 20 januari 2003 (zaaknummer 20020627/1) volgt dat een bij een herhaald asielverzoek overgelegd document slechts een novum kan zijn indien de authenticiteit daarvan kan worden vastgesteld. Nu verzoekers hebben volstaan met het overleggen van kopieën, dan wel met het overleggen van de originele documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld omdat de documenten niet zijn gelegaliseerd, overweegt de voorzieningenrechter dat gezien voornoemde uitspraak verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten niet als nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb kunnen worden aangemerkt, nog daargelaten op welke wijze de documenten zijn verkregen.

Dit geldt temeer voor de overgelegde dreigbrief, nu uit het ambtsbericht inzake Colombia van september 2008 (zie bladzijde 71) blijkt dat er veel valse exemplaren van dreigbrieven in omloop zijn in Colombia. Voorts geldt ten aanzien van de door verzoekers overgelegde documenten met betrekking tot de dood van de zus van verzoeker (3, 4, 5, 6 en 7) dat zelfs als deze documenten authentiek zijn, zij geen aanleiding geven tot een andersluidend besluit nu uit deze documenten niet blijkt wie de zuster van verzoeker heeft vermoord, waardoor een causaal verband tussen het eerdere relaas van verzoekers en de moord niet aannemelijk is. De overgelegde geboorteaktes (2, 8 en 9) nopen niet tot heroverweging van het eerder door verweerder ingenomen standpunt, omdat aan de identiteit van verzoekers niet wordt getwijfeld. De stelling dat de FARC van het verblijf van verzoekers op de hoogte is vanwege het artikel in het Algemeen Dagblad (11) is slechts gebaseerd op een vermoeden en hebben verzoekers geenszins aannemelijk gemaakt. De verklaring van Orion (12) ziet niet op het asielrelaas, zodat dit evenmin geldt als nieuw feit of veranderde omstandigheid.

7. Uit de overgelegde algemene informatie over de veiligheidssituatie in Colombia, met name in de provincie Valle del Cauca, kan de voorzieningenrechter niet afleiden dat sprake is van nova. Verzoekers hebben hiermee immers niet aangetoond dat sinds de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 8 juli 2010, waarin is geoordeeld dat in de provincie Valle del Cauca geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, thans, gelet op gewijzigde omstandigheden wel sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld van het in Colombia, met name in de provincie Valle del Cauca, aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Colombia louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bedoelde behandeling. Ook de ter zitting door verzoekers overgelegde internetberichten van 22 januari 2012 en 2 en 3 februari 2012, waarin aanslagen van (vermoedelijk) de FARC worden besproken, leiden niet tot dit oordeel.

8. Gelet op het hiervoor overwogene onder 6 en 7 is de rechtbank van oordeel dat door verzoekers geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, aan de onderhavige aanvragen ten grondslag zijn gelegd.

9. Voor zover het beroep is gericht tegen het aan verzoekers opgelegde inreisverbod, overweegt de voorzieningenrechter dat dit onderdeel van het bestreden besluit inhoudelijk zal worden beoordeeld nu het niet onder het hiervoor onder 2 weergegeven toetsingskader valt.

9.1. Ingevolge artikel 45 van de Vw 2000, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan. Deze beschikking heeft van rechtswege tot gevolg dat:

a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;

b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;

c. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;

d. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten;

e. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn na ommekomst van de termijn als bedoeld in onderdeel c een onroerende zaak gedwongen te ontruimen teneinde het onderdak of het verblijf in de woonruimte als verstrekking geboden, bedoeld in onderdeel c, te beëindigen.

Ingevolge het achtste lid van artikel 45 van de Vw 2000, kan de beschikking als bedoeld in het eerste lid, tevens een inreisverbod inhouden.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

9.2. Niet in geschil is dat de meeromvattende beschikkingen van 4 september 2008 tevens een terugkeerbesluit inhouden en dat verzoekers niet zijn vertrokken binnen de daarin gestelde vertrektermijn. Gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan, in een geval als het onderhavige, een inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking worden uitgevaardigd. Het inreisverbod, zoals dat in het bestreden besluit is opgenomen als onderdeel van de meeromvattende beschikking, kan derhalve niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden zal de voorzieningenrechter de beroepen met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen voor zover daarbij een inreisverbod is opgelegd.

10. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

11. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van de beroepen en verzoeken redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1311,-- (nu sprake is van samenhangende zaken wordt uitgegaan van 1 punt voor de beroepschriften, 1 punt voor de verzoekschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 19 januari 2012 voor zover daarbij een inreisverbod is opgelegd;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van

€ 1311,-- , welk bedrag verweerder aan verzoekers dient te vergoeden;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient, gelet op het bepaalde in artikel 85 van de Vw 2000, een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)