Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8958

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
W3 / 2012
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer acht zich in haar onderhavige samenstelling bevoegd kennis te nemen van de wrakingsverzoeken van verzoeker. Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie zijn de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken. Hieruit volgt dat de rechters van de rechtbank Roermond bevoegd zijn om als wrakingskamer zaken van de rechtbank ’s-Gravenhage, voor zover die rechtbank zitting houdt in Roermond, te behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE zittinghoudende te ROERMOND

Wrakingskamer

Nummer: W 3 / 2012

Beslissing op de verzoeken tot wraking als bedoeld in artikel 8:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de advocaat mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, namens de vreemdelingen [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (alsmede haar twee minderjarige kinderen) tot wraking van mr. [de rechter]

Procesverloop

Op de zitting van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Roermond, van 6 maart 2012 heeft de behandeling plaatsgevonden van achtereenvolgens de procedures met zaaknummers 12/6082 en 12/6659 in het kader van de (voortduring van de) inbewaringstelling krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)van de vreemdelingen [vreemdeling 1], verschenen bij zijn gemachtigde mr. Peeters, en [vreemdeling 2], verschenen in persoon en met haar twee kinderen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. Peeters.

Na sluiting van de behandeling van de zaak ter zitting ten name van [vreemdeling 2] en tijdens de behandeling van de zaak ter zitting ten name van [vreemdeling 1] is namens de vreemdelingen in beide zaken een verzoek gedaan tot wraking als bedoel in artikel 8:15 van de Awb van de behandelend rechter, mr. [de rechter].

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van twee processen-verbaal: één in de zaak van [vreemdeling 2], tezamen met beide kinderen (AWB 12 / 6659 VRONTN R2 en ondertekend door de griffier) en één in de zaak van [vreemdeling 1] (AWB 12 / 6082 VRONTN R2 en ondertekend door de rechter). Van beide processen-verbaal is voorafgaand aan de zitting een afschrift verstrekt aan mr. Peeters.

De wrakingskamer heeft het verzoek onmiddellijk ter openbare zitting behandeld.

De behandeling is korte tijd geschorst in verband met een door de gemachtigde opgeworpen bevoegdheidsincident. Na beëindiging van de zitting is meteen mondeling uitspraak gedaan.

Bij de mondelinge behandeling zijn mr. Peeters en mr. [de rechter] verschenen.

Standpunt verzoeker

Mr. Peeters heeft voor alles betoogd dat de wrakingskamer, samengesteld uit rechters uit de rechtbank Roermond, niet bevoegd is op onderhavige verzoeken te beslissen, nu de rechtsmacht in vreemdelingenzaken is opgedragen aan de rechtbank ’s-Gravenhage en het wrakingsprotocol van die rechtbank er niet in voorziet dat rechters uit een andere rechtbank zitting nemen in een wrakingskamer van de rechtbank ’s-Gravenhage.

Standpunt van de gewraakte rechter

Mr. [de rechter] heeft medegedeeld dat het aan wrakingskamer is om te oordelen over haar bevoegdheid, dat hij in de wrakingsverzoeken niet berust en dat hij van mening is dat de wrakingsverzoeken moeten worden afgewezen.

Beoordeling

1. In artikel 71, eerste lid, van de Vw 2000 is de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd verklaard te oordelen over beroepen tegen besluiten gegeven op grond van die wet.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen zijn de nevenzittingsplaatsen van de rechtbank te ’s-Gravenhage voor beroepen ingesteld tegen besluiten die zijn gegeven op grond van de Vw 2000, de hoofdplaatsen van de andere arrondissementen alsmede Haarlemmermeer. Op grond daarvan heeft de behandeling van de zaken waarin verzoeker de wraking van de rechter heeft verzocht, plaatsgevonden voor de rechtbank ‘s-Gravenhage, zittinghoudende te Roermond. Het verzoek tot wraking is conform de zaak waarin de wraking is verzocht, voorgelegd aan een wrakingskamer van de rechtbank

’s-Gravenhage, zittinghoudende te Roermond.

2. De wrakingskamer acht zich in haar onderhavige samenstelling bevoegd kennis te nemen van de wrakingsverzoeken van verzoeker. Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie zijn de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken. Hieruit volgt dat de rechters van de rechtbank Roermond bevoegd zijn om als wrakingskamer zaken van de rechtbank ’s-Gravenhage, voor zover die rechtbank zitting houdt in Roermond, te behandelen. Daarenboven wordt overwogen dat artikel 5.4 van het wrakingsprotocol van de rechtbank

’s-Gravenhage de ruimte biedt om de kamer samen te stellen uit rechter-plaatsvervangers uit een ander gerecht.

3. In een wrakingsprocedure dient beslist te worden of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4. De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of er sprake is van een bij verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt waarbij ook schijn van partijdigheid van belang is.

5. Ter zitting van de wrakingskamer is mr. Peeters de gelegenheid geboden zijn wrakingsverzoek toe te lichten. Hij heeft, na te hebben vernomen dat de wrakingskamer zich bevoegd acht over het verzoek te oordelen, de zaal verlaten.

Vastgesteld wordt dat, ondanks het feit dat mr. Peeters daartoe uitdrukkelijk is uitgenodigd, hij niet is overgegaan tot de (nadere) onderbouwing van de wrakingsverzoeken. De in het proces-verbaal in de zaak van [vreemdeling 1] voorkomende stelling van de gemachtigde dat hij de indruk heeft dat de behandelende rechter partijdig is, biedt zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, onvoldoende grondslag voor toewijzing van het wrakingsverzoek.

Het proces-verbaal in de zaak van [vreemdeling 2], tezamen met beide kinderen, bevat geen gronden die tot toewijzing van een wrakingsverzoek in die zaak kunnen leiden. De slotsom is dat beide wrakingsverzoeken ongegrond zijn en moeten worden afgewezen.

Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Roermond:

- wijst de verzoeken tot wraking van mr. [de rechter] af.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen (voorzitter), mr. R. Kluin en mr. B.J. Zippelius, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2012.