Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8717

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
387938 / HA ZA 11-584
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaring schip met Galecopperbrug. Aansprakelijkheid Staat hoewel marifoonkanaal 10 niet is uitgeluisterd? Onvoldoende maatregelen van de kant van de Staat ter beveiliging van het scheepvaartverkeer. De betekenis van artikel 6:171 BW voor de Staat als opdrachtgever, nu het nemen van veiligheidsmaatregelen (deels) is opgedragen aan de aannemer die werkzaamheden aan de brug verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/158
S&S 2012/96

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 387938 / HA ZA 11-584

Vonnis van 7 maart 2012

in de zaak van

de vennootschap volgens het recht van Luxemburg

AMBER SHIPPING INTERNATIONAL S.A.,

gevestigd te Stadtbredimus, Luxemburg,

eiseres,

advocaat mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. drs. A. Divis-Stein, thans mr. A.C.M. Prasing-Remmé te Utrecht.

Partijen zullen hierna Amber Shipping en de Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 februari 2011;

- de akte houdende overlegging producties van 23 februari 2011;

- de conclusie van antwoord van 24 augustus 2011 met producties;

- het tussenvonnis van 7 september 2012;

- de ambtshalve beschikking van 6 oktober 2011waarbij de comparitie van partijen is bepaald op 19 januari 2012;

- de akte aan de zijde van Amber Shipping van 19 januari 2012;

- de akte uitlating aan de zijde van de Staat van 19 januari 2012;

- het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2012 en de daarin genoemde stukken.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Op 27 juni 2009 om 00.37 uur is het motortankschip Turquoise, dat eigendom is van Amber Shipping, in aanvaring gekomen met een van de twee verfwagens, hangende onder de Galecopperbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal, gelegen binnen de gemeente Utrecht. Een verfwagen is een aan de onderzijde van de brug bevestigde mobiele cabine, van waaruit onderhoudswerkzaamheden aan de brug worden verricht. Op het moment van de aanvaring werden vanaf deze verfwagen laswerkzaamheden verricht door twee lassers. Door de aanvaring is aanzienlijke schade ontstaan aan de stuurhut van de Turquoise.

2.2.De verfwagens waren elk voorzien van een bord C2 als bedoeld in bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Dit bord waarschuwt dat de doorvaarthoogte is beperkt. Volgens de verklaring van een van de lassers, [A], waren op de verfwagen, waarmee de Turquoise in aanvaring is gekomen, aan de uiteinden bouwlichten aangebracht van elk 1000 watt om het bord te verlichten (de verklaring van [A] van 30 juni 2009). Als onderdeel van haar bevindingen merkt de politie in het proces-verbaal hierover op:

"(...)

De mate waarin de bouwlampen de borden BPR C2 aan de verfwagens in het donker aanschenen en verlichtte en of de borden wel of niet duidelijk zichtbaar waren is niet precies vastgesteld kunnen worden.

(...)".

2.3.De onderhoudswerkzaamheden werden in opdracht van de Staat uitgevoerd door een aannemer, Takke-Breukelen B.V. (verder: de aannemer). In de overeenkomst met de aannemer is aan deze ook de zorg voor de verkeersbegeleiding in verband met de werkzaamheden opgedragen. Door de aannemer is een "Werkplan" opgesteld dat door de Staat is goedgekeurd. Artikel 4.2 daarvan luidt als volgt:

"(...)

4.2Scheepvaartmogelijkheden

Tijdens een deel van de werkzaamheden wordt de doorvaarthoogte van de onderliggende vaarweg (Amsterdam-Rijnkanaal) tijdelijk belemmerd als gevolg van het gebruik van de inspectiewagen onder de brug. Dit geldt met name voor het deel van de brug wat ligt tussen de oostelijke pijlers en de westelijke pijlers. De overige delen van de brug bevinden zich boven land. Hiertoe zal in overleg met Rijkswaterstaat Scheepvaartpost Wijk bij Duurstede middels een patrouille vaartuig het scheepvaartverkeer worden geattendeerd.

(...)

Bovengenoemde volgorde in relatie tot de scheepvaartmaatregelen zijn ook opgenomen in de planning van de werkzaamheden welke is toegelicht in paragraaf 5 en opgenomen in bijlage IV.

(...)".

De aannemer heeft bedoelde verkeersbegeleiding uitbesteed aan een onderaannemer, Acta Marine Waterweg, die haar dochteronderneming Acta Marine Van Laar met de uitvoering heeft belast (verder te noemen: Marine).

2.4In de onder 2.3 genoemde Bijlage IV is onder 4.4 onder meer het volgende opgenomen:

"(...)

Om de veiligheid van de scheepvaart en de medewerker te borgen worden de volgende maatregelen getroffen:

. Bord C2 op de zichtzijde van de wagen.

. Zwaailichten op de uiteinden van de wagen.

. Scheepvaartbegeleiding vanuit een boot onder de brug.

. Portafoon verkeer tussen de boot en de wagen.

(...)".

2.5.De werkzaamheden aan de Galecopperbrug zijn onjuist aangekondigd op de website van Rijkswaterstaat doordat daarop is vermeld dat deze werkzaamheden duurden tot en met woensdag 17 juni 2009 terwijl dit moest zijn 17 juli 2009.

2.6.Ter uitvoering van de onder 2.3 bedoelde verkeersbegeleiding heeft Marine het werkvaartuig Jacoba 7 ingeschakeld. De Jacoba 7 bevond zich ten tijde van de aanvaring ongeveer 100 meter ten Noorden van de Galecopperbrug, met aan boord onder meer de verkeersbegeleider [B].

2.7. Bij de nadering van de Turquoise heeft de Jacoba 7 contact gezocht met de Turquoise door deze vijfmaal op te roepen via marifoonkanaal 10, te beginnen om 00:30:48 uur om de Turquoise te waarschuwen voor de werkzaamheden aan de brug. Vervolgens heeft de Jacoba 7 ook getracht contact te krijgen met de Turquoise via marifoonkanaal 61 (éénmaal, om 00:34:44 uur) en via het marifoonkanaal 66 (tweemaal, om 00:36:05 en om 00:36:14 uur) maar geen verbinding met de Turquoise gekregen (voor de letterlijke weergave van deze oproepen wordt verwezen naar bijlage 12 bij het proces-verbaal, prod. 1 bij dagvaarding).

De Jacoba 7 heeft, toen de Turquoise passeerde, een schijnwerper op de stuurhut van de Turquoise gericht om de aandacht van Turquoise te trekken, maar daarmee de aanvaring niet kunnen voorkomen.

2.8.Lid 4 van artikel 4.05 van het Binnenvaartpolitiereglement luidt als volgt:

"4.Een varend groot schip moet op de marifoon uitluisteren. (...)

Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moet het groot schip op de kanalen voor het schip - -schipverkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig uitluisteren. Het schip - - schip kanaal is kanaal 10, tenzij een ander kanaal als blokkanaal is aangewezen."

De Turquoise bevond zich tijdens de oproepen van de Jacoba 7, vermeld onder 2.7, niet langer in een ander blokkanaal (daar het blokkanaal Maassen met marifoonkanaal 61 was verlaten) zodat de marifoon overgezet had moeten worden op marifoonkanaal 10, hetgeen de schipper van de Turquoise heeft nagelaten.

2.9.Bij het onderzoek/de reconstructie van de aanvaring door de waterpolitie op 30 juni 2009 heeft een bijna aanvaring plaatsgevonden van de Galecopperbrug door een ander schip (een tanker) waarover in het proces-verbaal het volgende wordt vermeld:

"(...)

Hierbij moest een tanker, nadat hij diverse malen op het marifoonkanaal 10 en 66 door het Rijkswaterstaatvaartuig RWS 59 was aangeroepen, door het Rijkswaterstaat vaartuig worden aangevaren in zijn vaarrichting om zodoende het vaartuig te bewegen een meer westelijke positie in te nemen naar de westelijke oever.

(...)".

3.Het geschil

3.1.Amber Shipping vordert veroordeling van de Staat, bij vonnis, uitvoer te verklaren bij voorraad om:

1. aan Amber Shipping te betalen € 153.952,49 te vermeerderen met wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW met ingang van de dag na de aanvaring (28 juni 2009) althans met ingang van de eerste sommatie (27 juni 2009), althans met ingang van de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening;

2. aan Amber Shipping te vergoeden de door haar gemaakte expertisekosten van

€ 8.964,50 te vermeerderen met wettelijke (handels)rente met ingang van de factuurdatum van 21 juni 2010, althans 5 juli 2010, althans de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening;

3. aan Amber Shipping te betalen € 2.842,- ter zake van buitengerechtelijke kosten volgens het rapport Voorwerk II, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening;

4. aan Amber Shipping te betalen de kosten van het geding, alsmede de nakosten ad € 131,- te verhogen met € 61,- indien het vonnis moet worden betekend.

3.2.Aan haar vordering legt Amber Shipping - kort samengevat - het volgende ten grondslag. Op de Staat als eigenares althans beheerder van de Galecopperbrug rust een zorgplicht met betrekking voor de veiligheid rondom de brug. Aan die zorgplicht heeft de Staat niet voldaan omdat:

- een correcte aankondiging van de geplande werkzaamheden heeft ontbroken;

- de verlichting van de borden onder de verfwagens onvoldoende was;

- zwaaiverlichting op de verfwagens ontbrak;

- geen borden op geruime afstand van de brug zijn geplaatst om het scheepvaartverkeer te waarschuwen voor de werkzaamheden;

- niet (adequaat) is gereageerd op de vraag van de verkeersbegeleider [B] om (meer) beveiligingsmaatregelen;

- de Jacoba 7 niet heeft geprobeerd om de koers van de Turquoise fysiek te veranderen, althans geen verdere pogingen heeft gedaan om in contact met de Turquoise te komen.

Zonder kosten of moeite had de Staat voormelde maatregelen kunnen treffen. De door de Staat wel getroffen maatregelen zijn niet afdoende geweest, mede omdat niet voldoende in aanmerking is genomen dat niet alle verkeersdeelnemers de benodigde voorzichtigheid betrachten. Weliswaar is de Staat als overheidsinstantie niet aansprakelijk voor zijn hulppersonen, maar dat doet niet af aan zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.

3.3.De Staat heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.Ten aanzien van haar internaionale bevoegdheid overweegt de rechtbank ambtshalve dat deze voortvloeit uit EEX-Vo artikel 2.

4.2.Door de Staat is als verweer gevoerd dat de Staat niet aansprakelijk gehouden kan worden voor zover onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen doordat de aannemer instructies van de Staat met betrekking tot de veiligheid van het scheepvaartverkeer niet of niet volledig heeft uitgevoerd. De Staat verwijst ter onderbouwing van dit verweer naar de toelichting op artikel 6:171 BW waaruit blijkt dat dit artikel niet van toepassing is op door de overheid aan derden verstrekte opdrachten. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

4.3.De maatregelen ter beveiliging van scheepvaartverkeer, die nodig zijn in verband met de uitvoering van werkzaamheden als hier aan de orde, betreffen de uitoefening van de overheidstaak als zodanig. Dat komt onder meer tot uitdrukking in artikel 5 Scheepvaartverkeerswet, volgens welke bepaling beslissingen tot het aanbrengen of verwijderen van verkeerstekens is voorbehouden aan het bevoegd gezag. Ook de met de aannemer overeengekomen scheepvaartbegeleiding valt naar het oordeel van rechtbank hieronder, nu deze scheepvaartbegeleiding - zoals de Staat ter comparitie heeft toegelicht - het zwaarste middel is om dit veiligheidsbelang te behartigen. In overeenstemming hiermee kwalificeert de Staat de actieve scheepvaartbegeleiding door de Jacoba 7 als behorende tot de verkeerstekenen in de zin van artikel 5.02 van het Binnenvaartpolitiereglement. Blijkens de parlementaire geschiedenis is, indien het gaat om de uitoefening van de overheidstaak als zodanig, de toepassing van artikel 6:171 BW niet aan de orde, omdat deze uitoefening zich niet aan particulieren laat overdragen (Eindverslag I, Parl. Gesch. 6, p. 730). Indien de beveiliging van het scheepvaartverkeer in verband met bedoelde werkzaamheden onvoldoende is geweest, is dan ook sprake van handelen dan wel nalaten van de Staat zelf, ook al heeft de Staat voor de feitelijke uitoefening derden ingeschakeld. Beslissend is daarom ter beoordeling van de aansprakelijkheid van de Staat de op 27 juni 2009 bestaande veiligheidssituatie ter plaatse, ongeacht of de Staat de uitvoering van de veiligheidsmaatregelen (deels) heeft overgelaten aan de aannemer. Met betrekking tot de vraag of de maatregelen ter beveiliging van het scheepvaartverkeer waren genomen, die Amber Shipping redelijkerwijs mocht verwachten, wordt - met inachtneming van de daarbij aan de Staat toekomende beleidsvrijheid - het volgende overwogen.

4.4.bekendmaking van de werkzaamheden

Zoals onder 2.5 is vastgesteld, zijn de werkzaamheden aan de Galecopperbrug door de Staat onjuist aangekondigd aldus dat als einddatum 17 juni 2009 in plaats van 17 juli 2009 is vermeld. Ter comparitie heeft de Staat nog verklaard dat werkzaamheden als de onderhavige plegen te worden gepubliceerd in scheepvaartorganen zoals Schuttevaer. De rechtbank gaat er echter van uit dat in dit geval de werkzaamheden zijn aangekondigd op de website van Rijkswaterstaat, gelet op de gedetailleerde informatie daarover in het proces-verbaal van de waterpolitie (productie 1 bij dagvaarding, p.5). Daaruit blijkt tevens dat correctie van de onjuiste einddatum van de werkzaamheden pas heeft plaatsgevonden op 6 juli 2009, dus na de aanvaring (verwezen wordt naar de bijlagen 13 en 13a bij het proces-verbaal).

De vraag of het achterwege blijven van een correcte kennisgeving jegens Amber Shipping een onrechtmatig nalaten van de Staat oplevert, kan verder in het midden blijven daar gesteld noch gebleken is dat de schipper van de Turquoise de website van Rijkswaterstaat heeft geraadpleegd en het ontstaan van de aanvaring met de foutieve vermelding verband houdt.

4.5.verlichting van bord C2

Met betrekking tot de verlichting van bord C2 heeft de Staat in aanvulling op de in het proces-verbaal gesignaleerde onduidelijkheid (zie onder 2.2) het volgende verklaard:

"Volgens de Richtlijn Scheepvaarttekens moet het bord worden aangestraald. Daaronder is te verstaan een lichtbalk met strijklicht. De verlichting door twee werklampen van het bord was niet voldoende".

De rechtbank gaat daarom voorbij aan het hiermee strijdige verweer van de Staat bij antwoord (sub 15) dat de borden op de inspectiewagens voor de schipper van de Turquoise zeer goed zichtbaar waren en stelt vast dat de belichting van bedoelde borden niet overeenstemde met de daarvoor geldende regelgeving.

Verder is door de Staat niet bestreden dat - de door de Staat uit veiligheidsoverwegingen wenselijk geachte - zwaailichten, die volgens Bijlage IV door de aannemer op de uiteinden van de (verf)wagen moesten worden aangebracht (zie onder 2.4), op het tijdstip van aanvaring ontbraken.

De rechtbank leidt hieruit af dat de schipper van de Turquoise als gevolg van de onvoldoende verlichting bord C2 en/of de verfwagen niet zo tijdig heeft kunnen waarnemen als anders het geval was geweest gelet op het middernachtelijk tijdstip van de aanvaring (00:37 uur). De schipper van de Turquoise verklaart dan ook in het proces-verbaal (bijlage 3 bij productie 1 bij dagvaarding): "Aan de brug was visueel niets vreemds te zien". Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de voorgeschreven verlichting, wil zij adequaat zijn, impliceert dat de schipper bord C2 en/of de verfwagen zo tijdig had kunnen opmerken dat hij de koers van de Turquoise nog had kunnen aanpassen om een aanvaring te vermijden, in aanmerking nemend dat de Turquoise voer met een snelheid (16 km/u) onder de maximumsnelheid (18 km/u).

4.6.1.handelwijze van de Jacoba 7

Blijkens het proces-verbaal heeft de Jacoba 7 een schijnwerper op de stuurhut van de Turquoise gericht toen op de oproep per marifoon niet werd gereageerd, welk signaal door de schipper van de Turquoise is opgemerkt en de schipper van de Turquoise

- volgens zijn verklaring in het proces-verbaal (bijlage 3 bij productie 1 bij dagvaarding) -

"begreep dat er iets aan de hand moest zijn maar nog niet wist wat". De Jacoba 7 is echter niet uitgevaren om op die wijze de Turquoise te dwingen haar koers te wijzigen. Ter comparitie heeft de Staat verklaard dat het uitvaren van een ter plaatse gestationeerde patrouilleboot om daarmee een koerswijziging af te dwingen, wel van de Jacoba 7 verwacht mocht worden omdat deze handelwijze deel uitmaakt van een adequate scheepvaartbegeleiding. Het belang van dit wel adequate optreden wordt onderstreept door de omstandigheid dat bij de reconstructie van de aanvaring door de waterpolitie op 30 juni 2009 daardoor een aanvaring van een ander schip met de Galecopperbrug kon worden voorkomen (zie het proces-verbaal pag. 6, prod. 1 bij dagvaarding).

4.6.2.Door Amber Shipping is terecht aangevoerd dat bij de beoordeling van de door de Staat te nemen veiligheidsmaatregelen - afhankelijk van de omstandigheden - ook rekening gehouden dient te worden met de mogelijkheid dat door de benadeelde, in dit geval Amber Shipping, niet de nodige oplettendheid en voorzichtigheid wordt betracht. Uit het hiervoor onder 4.6.1 weergegeven standpunt van de Staat leidt de rechtbank af dat met de kans dat een oproep per marifoonkanaal 10 een aanvarend schip niet bereikt rekening behoort te worden gehouden en dat daarom van een patrouillevaartuig wordt verwacht dat in dat geval wordt uitgevaren om een koerswijziging alsnog te realiseren ter vermijding van een aanvaring. Dat rekening met deze kans dient te worden gehouden, valt ook af te leiden uit het proces-verbaal van de waterpolitie, die als zijn beoordeling geeft dat "het beter was geweest om aanvullend op de verkeersbegeleiding vanaf het vaartuig Jacoba 7 op ruime afstand van de Galecopperbrug het scheepvaartverkeer komende uit beide richtingen beter te informeren. Dit kan door middel van de borden B8 (verplichting bijzonder op te letten) gevolgd door bord C2 (voornoemd) en bord C4 (vaartbeperking vraagt nadere inlichtingen) met als onderbord het verplichte marifoonkanaal 10"(proces-verbaal, pag. 6, prod. 1 bij dagvaarding).

De rechtbank voegt hieraan nog het volgende aan toe. De Staat heeft ter comparitie verklaard dat hij de hiervoor aangehaalde opvatting van de waterpolitie niet deelt omdat ter plaatse een patrouilleboot is gestationeerd als alternatief voor de door de waterpolitie wenselijk geachte bebording waaraan volgens de Staat het nadeel kleeft dat dan geen rekening gehouden wordt met het feit dat door de wisselende positie van de verfwagens niet steeds behoefte aan beveiliging bestaat. Daaruit volgt dat ook de Staat uitgaat van de noodzaak van een aanvullende voorziening naast de oproep via marifoonkanaal 10, met dien verstande dat de Staat deze aanvulling niet via bebording wil realiseren maar middels het zo nodig uitvaren van de patrouilleboot. Nu dat niet is gebeurd, is de Staat nalatig geweest in het treffen van veiligheidsmaatregelen die van hem mochten worden verwacht.

4.7.waren nog andere voorzieningen geboden?

Door Amber Shipping is nog aangevoerd dat de Staat aan zijn verplichting om het scheepvaartverkeer te beveiligen tevens invulling had moetem geven door plaatsing van waarschuwingsborden op geruime afstand voor de brug, waarmee Amber Shipping kennelijk doelt op de door de waterpolitie wenselijk geachte borden, bedoeld onder 4.6. De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat gesteld noch gebleken is dat de Staat tot plaatsing van deze borden was gehouden en voorts niet, althans onvoldoende is onderbouwd dat de Staat - gelet op de hem toekomende beleidsvrijheid - in redelijkheid niet had mogen volstaan met de wel door hem getroffen voorzieningen, met name de stationering ter plaatse van de Jacoba 7. Het feit dat de Staat meer voorzieningen kon treffen, is onvoldoende om tot een verplichting te concluderen.

Hetzelfde geldt voor de stelling van Amber Shipping dat ten onrechte niet adequaat is gereageerd op het verzoek van de verkeersbegeleider om (meer) beveiligingsmaatregelen. Daar komt nog bij dat het verzoek van de verkeersbegeleider de inzet van een extra boot betreft voor het geval dat met twee verfwagens tegelijk werd gewerkt (het proces-verbaal, bijlage 9 bij prod. 1 van de dagvaarding). Gesteld noch gebleken is echter dat het ontstaan van de aanvaring enig verband houdt met het inzetten van twee verfwagens en/of het inzetten van slechts één patrouilleboot.

Amber Shipping voert verder nog aan dat de Turquoise ten onrechte niet (ook) is opgeroepen via blokkanaal 61, terwijl ter comparitie Amber Shipping daaraan nog kanaal 66 aan heeft toegevoegd, omdat dit laatste kanaal een nautisch informatiekanaal is. Dit standpunt volgt de rechtbank niet op de hiervoor aangegeven gronden, nog daargelaten dat blijkens het proces-verbaal de Jacoba 7 de Turquoise ook - zij het tevergeefs - heeft opgeroepen via beide genoemde kanalen, toen de Turquoise niet reageerde op de oproepen via het ter plaatse (wel) verplichte marifoonkanaal 10.

4.8.tussenconclusie

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Staat op zichzelf toereikende veiligheidsmaatregelen heeft genomen maar deze maatregelen niet behoorlijk heeft geëffectueerd door ontoereikende verlichting en het niet uitvaren van de Jacoba 7. Uit het hiervoor overwogene volgt tevens dat behoorlijke uitvoering van de getroffen maatregelen - de aanvaring had kunnen voorkomen. Daar de niet behoorlijke uitvoering voor rekening van de Staat komt is de Staat in beginsel aansprakelijk voor door Amber Shipping geleden schade, met dien verstande dat aan de zijde van Amber Shipping sprake is van een aanzienlijke mate van eigen schuld, waarover het volgende wordt overwogen.

4.9.eigen schuld Amber Shipping

Zoals onder 2.8 is vastgesteld, voldeed de Turquoise ten tijde van de aanvaring niet aan de volgens artikel 4.05 Binnenvaartpolitiereglement voortvloeiende verplichting om marifoonkanaal 10, dat bedoeld is om de mogelijkheid van communicatie tussen schepen te verzekeren, uit te luisteren, als gevolg waarvan de oproepen van de Jacoba 7 de Turquoise niet hebben bereikt. Mede gelet op het feit dat de eerste oproep - naar de Staat ter comparitie onder verwijzing naar het verloop van het marifoonverkeer heeft toegelicht - door de Jacoba 7 al werd gedaan toen de Turquoise zich nog op 2,5 km voor de brug bevond, mag worden aangenomen dat de aanvaring zou zijn voorkomen als de Turquoise aan haar wettelijke verplichting had voldaan. De Turquoise heeft daardoor zelf de meest vergaande veiligheidsmaatregel van de Staat - zoals de Staat de scheepvaartbegeleiding onweersproken heeft gekwalificeerd - ineffectief gemaakt. Omdat de voor rekening van de Staat komende fouten alleen betrekking hebben op aanvullende veiligheidsmaatregelen, draagt de Turquoise in overwegende mate schuld aan het ontstaan van de aanvaring. Omdat het ontstaan van de schade voor voor 75% moet worden toegerekend aan de Turquoise zal de rechtbank de vergoedingsplicht van de Staat verminderen met 75%, zodat 25% van de schadevordering zal worden toegewezen. Gesteld noch gebleken is dat de billijkheid tot een andere verdeling behoort te leiden.

4.10.wettelijke rente en kosten

Over het aan Amber Shipping toekomende bedrag is wettelijke rente verschuldigd ex artikel 6:119 BW, daar de vordering niet op een handelsovereenkomst berust, ingaande per de schadedatum, derhalve 27 juni 2009.

De expertisekosten van € 8.964,50 zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 6: 96 lid onder b BW waarvan de hoogte redelijk voorkomt. De Staat zal worden veroordeeld om van deze kosten 25% te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 5 juli 2010, zijnde 14 dagen na de datum van de door Amber Shipping ontvangen factuur.

Voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten is geen plaats reeds omdat niet is gesteld dat werkzaamheden zijn verricht die kosten betreffen die niet al vallen onder de werkzaamheden waarop de proceskostenveroordeling als bedoeld in de artikelen 237 tot en met 240 Rv. betrekking heeft.

Nu de vordering van Amber Shipping slechts ten dele wordt toegewezen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd zo, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.veroordeelt de Staat om aan Amber Shipping te betalen € 38.488,12 te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW met ingang van 27 juni 2009 tot de dag van voldoening alsmede € 2.241,13 te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 5 juli 2010 tot de dag van voldoening;

5.2.verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.compenseert de proceskosten zo, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.