Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8716

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/20006
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eerder gegrond beroep/aanvullend gehoor/wijziging standpunt verweerder/vluchtelingschap

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het voornemen van 17 november 2009, welke overwegingen in het besluit van 24 december 2009 zijn overgenomen en als ingelast dienen te worden beschouwd, heeft overwogen dat eiseres wordt gevolgd in haar verklaringen omtrent het lot van haar echtgenoot en de problemen die zij in verband hiermee heeft ondervonden. Verweerder overweegt voorts dat niet tot vluchtelingschap kan worden geconcludeerd nu eiseres zelf nimmer politiek actief is geweest.

Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 7 oktober 2010, is geoordeeld dat de definitie van vluchtelingschap niet vereist dat de vrees van eiseres verband houdt met eigen activiteiten, ook activiteiten van haar echtgenoot kunnen leiden tot vrees voor vervolging bij eiseres. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er wel degelijk aanwijzingen zijn dat eiseres wordt vervolgd vanwege de activiteiten van haar echtgenoot. Verweerder is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan zodat hetgeen door de rechtbank is overwogen in rechte is komen vast te staan.

Niet in geschil is dat het huidige standpunt van verweerder ten aanzien van de geloofwaardigheid van de veronderstelling van eiseres dat zij problemen ondervond vanwege de moord op haar echtgenoot, afwijkt van het eerdere standpunt dat eiseres wordt gevolgd in haar verklaringen omtrent het lot van haar echtgenoot en de problemen die zij in verband hiermee heeft ondervonden.

Verweerder is echter van mening dat geen sprake is van tegenstrijdige standpunten die juridisch gezien niet aanvaardbaar zijn. Verweerder merkt hierbij op dat het hem vrij staat de vreemdeling in het kader van een nieuw te nemen besluit aanvullend te horen en naar aanleiding daarvan te concluderen dat een relaas ongeloofwaardig is. Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juli 2005, nr. 200501889/1.

De rechtbank overweegt dat in voornoemde uitspraak van de Afdeling weliswaar is geoordeeld dat het verweerder vrij staat de vreemdeling aanvullend te horen, maar uitsluitend naar aanleiding van de daarbij aan het licht gekomen tegenstrijdigheden in het besluit kan concluderen dat het relaas alsnog niet geloofwaardig is. Nu verweerder desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat in het geval van eiseres geen sprake is van tijdens het aanvullend gehoor aan het licht gekomen nieuwe verklaringen dan wel tegenstrijdigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling, een andersluidend standpunt kunnen innemen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres (in het bijzonder) omtrent het lot van haar echtgenoot en de problemen die zij in verband hiermee heeft ondervonden.

Gelet op hetgeen is overwogen in bovengenoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo van 7 oktober 2010 diende verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 3.37, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, te beoordelen of eiseres heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag als gevolg van activiteiten van haar echtgenoot. Verweerder heeft geen toepassing gegeven aan de in de uitspraak vermelde opdracht van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/20006

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op[...],

van Botswaanse nationaliteit,

IND dossiernummer [.....] eiseres,

gemachtigde mr. M.H. van der Linden, advocaat te

Almelo;

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1.Procesverloop

Op 1 juni 2009 heeft eiseres een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 24 december 2009, verzonden op 28 december 2009, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 7 oktober 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, is het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen.

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen.

Bij brief van 16 juni 2011 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 29 juli 2011 is het beroep voorzien van gronden. Op 6 januari 2012 zijn nadere stukken ingediend.

Het beroep is ter zitting van 17 januari 2012 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2.Overwegingen

2.1Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of de weigering om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen, in stand kan blijven.

2.2Voor zover thans van belang heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat de moord op de echtgenoot van eiseres en de incidenten die nadien hebben plaatsgevonden

- waaronder de achtervolgingen en de inbraak in de woning van eiseres waarbij de laptop van haar echtgenoot is gestolen - op zichzelf niet onaannemelijk zijn. Het door eiseres gestelde causale verband tussen het een en het ander en de daaraan ontleende veronderstellingen zijn niet nader onderbouwd middels stukken of gedetailleerde, verifieerbare en consistente verklaringen. Derhalve is de veronderstelling van eiseres dat zij problemen heeft ondervonden vanwege de moord op haar echtgenoot ongeloofwaardig. De problemen die eiseres heeft ondervonden rechtvaardigen derhalve geen vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Evenmin bevat de vrees van eiseres voldoende realiteitsgehalte om redelijkerwijs tot de conclusie te komen dat zij bij terugkeer naar Botswana wordt blootgesteld aan schending van het bepaalde in artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts voldoen de ondervonden incidenten niet aan de limitatieve opsomming van het traumatabeleid.

Eiseres heeft de juistheid van dat oordeel betwist.

2.3De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het voornemen van 17 november 2009, welke overwegingen in het besluit van 24 december 2009 zijn overgenomen en als ingelast dienen te worden beschouwd, heeft overwogen dat eiseres wordt gevolgd in haar verklaringen omtrent het lot van haar echtgenoot en de problemen die zij in verband hiermee heeft ondervonden. Verweerder overweegt voorts dat niet tot vluchtelingschap kan worden geconcludeerd nu eiseres zelf nimmer politiek actief is geweest.

Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 7 oktober 2010, is geoordeeld dat de definitie van vluchtelingschap niet vereist dat de vrees van eiseres verband houdt met eigen activiteiten, ook activiteiten van haar echtgenoot kunnen leiden tot vrees voor vervolging bij eiseres. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er wel degelijk aanwijzingen zijn dat eiseres wordt vervolgd vanwege de activiteiten van haar echtgenoot. Verweerder is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan zodat hetgeen door de rechtbank is overwogen in rechte is komen vast te staan.

Niet in geschil is dat het in rechtsoverweging 2.2 weergegeven standpunt van verweerder ten aanzien van de geloofwaardigheid van de veronderstelling van eiseres dat zij problemen ondervond vanwege de moord op haar echtgenoot, afwijkt van het eerdere standpunt dat eiseres wordt gevolgd in haar verklaringen omtrent het lot van haar echtgenoot en de problemen die zij in verband hiermee heeft ondervonden.

Verweerder is echter van mening dat geen sprake is van tegenstrijdige standpunten die juridisch gezien niet aanvaardbaar zijn. Verweerder merkt hierbij op dat het hem vrij staat de vreemdeling in het kader van een nieuw te nemen besluit aanvullend te horen en naar aanleiding daarvan te concluderen dat een relaas ongeloofwaardig is. Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juli 2005, nr. 200501889/1.

De rechtbank overweegt dat in voornoemde uitspraak van de Afdeling weliswaar is geoordeeld dat het verweerder vrij staat de vreemdeling aanvullend te horen, maar uitsluitend naar aanleiding van de daarbij aan het licht gekomen tegenstrijdigheden in het besluit kan concluderen dat het relaas alsnog niet geloofwaardig is. Nu verweerder desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat in het geval van eiseres geen sprake is van tijdens het aanvullend gehoor aan het licht gekomen nieuwe verklaringen dan wel tegenstrijdigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling, een andersluidend standpunt kunnen innemen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres (in het bijzonder) omtrent het lot van haar echtgenoot en de problemen die zij in verband hiermee heeft ondervonden.

Gelet op hetgeen is overwogen in bovengenoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo van 7 oktober 2010 diende verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 3.37, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, te beoordelen of eiseres heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag als gevolg van activiteiten van haar echtgenoot. Verweerder heeft geen toepassing gegeven aan de in de uitspraak vermelde opdracht van de rechtbank.

Gelet op al het voorgaande is het bestreden besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd.

2.4 Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.5 Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.

2.6 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3.Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 19 mei 2011;

-bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,=, te voldoen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter en mrs. M. van Loenen en

M. van Bruggen, rechters, en door de voorzitter en mr. M.H.B. Boksebeld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing