Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8693

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
AWB 12/2332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Duur van het inreisverbod onvoldoende gemotiveerd door verweerder.

Artikel 6.5a van het Vb 2000 benoemt in lid 2 situaties waarin verweerder een inreisverbod met een langere duur dan 2 jaar oplegt, maar uit deze situaties kan niet worden afgeleid met welke omstandigheden verweerder rekening houdt indien verweerder op basis van lid 1 van artikel 6.5a van het Vb een inreisverbod met een duur van 2 jaar of korter oplegt.

Aangezien de tekst van artikel 6.5a, lid 1, van het Vb 2000 vermeldt dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt, dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank, bij de oplegging van een inreisverbod met de duur van twee jaar te motiveren waarom voor die – maximale – periode wordt gekozen.

Dit is ook in lijn met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, waarin is bepaald dat de duur van het inreisverbod wordt bepaald ‘volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval’.

Hier komt bij dat verweerder in diverse gevallen, waarin verweerder voorheen een ongewenstverklaring zou hebben opgelegd, nu zal opteren voor het opleggen van een inreisverbod. Niet valt in te zien waarom verweerder, daar waar bij een ongewenstverklaring altijd een individuele belangenafweging dient te worden gemaakt, dat bij een hiervoor in de plaats komend inreisverbod niet zou behoeven.

De rechtbank vermag gegeven het vorenstaande niet in te zien hoe een beroep op de rechtszekerheid een rechtvaardiging kan zijn voor het opleggen van een inreisverbod van twee jaar in de gevallen waarin geen omstandigheden aanwezig zijn om een inreisverbod voor een periode van meer dan twee jaar op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 12/2332

V-nr: [V-nr]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 februari 2012 in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [1990], van Canadese nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. L.M. Weber, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Eiser en verweerder zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de recht¬bank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 874,-- (zegge: achthonderd en vierenzeventig euro), te betalen door de Staat der Neder¬landen aan de griffier van deze rechtbank (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--, wegingsfactor 1).

Motivering

Ten aanzien van het terugkeerbesluit:

Op dit punt kan de bestreden beschikking de rechterlijke toetsing doorstaan. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 31 januari 2012 (AWB 12/1539) ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat verweerder in elk geval aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats. Los van de vraag of eiser daadwerkelijk heeft aangetoond dat hij in een hotel verbleef, is een hotel niet als vaste woon- of verblijfsplaats aan te merken.

Tevens heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat verweerder eveneens aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij wordt verdacht van een misdrijf. Het feit dat het verzoek tot verlenging van de gevangenhouding is afgewezen, betekent niet dat eiser niet langer van een misdrijf wordt verdacht.

De rechtbank ziet thans geen aanleiding om over deze omstandigheden anders te oordelen. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder kunnen oordelen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Om die reden heeft verweerder in eisers geval de termijn voor vrijwillig vertrek kunnen reduceren tot nul dagen.

Ten aanzien van het inreisverbod:

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom hem een inreisverbod voor de duur van 2 jaar is opgelegd. Eisers beroep wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Nu verweerder een termijn voor vrijwillig vertrek aan eiser kon onthouden, was verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bevoegd om ook een inreisverbod aan eiser op te leggen. Verweerder heeft echter niet toereikend gemotiveerd waarom dit inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. In eisers geval is niet gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden met alle relevante omstandigheden van het individuele geval zoals door de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG) wordt vereist.

Verweerder heeft gesteld dat reeds met de belangrijkste omstandigheden rekening is gehouden omdat in artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 verschillende situaties zijn genoemd waarin een inreisverbod voor een periode langer dan twee jaar wordt opgelegd.

In gevallen waarin geen sprake is van de situaties, genoemd in het tweede tot en met het zesde lid van artikel 6.5a van het Vb 2000 wordt uit oogpunt van rechtszekerheid een inreis¬verbod van twee jaar opgelegd, aldus verweerder.

Artikel 6.5a van het Vb 2000 benoemt in lid 2 situaties waarin verweerder een inreisverbod met een langere duur dan 2 jaar oplegt, maar uit deze situaties kan niet worden afgeleid met welke omstandigheden verweerder rekening houdt indien verweerder op basis van lid 1 van artikel 6.5a van het Vb een inreisverbod met een duur van 2 jaar of korter oplegt.

Aangezien de tekst van artikel 6.5a, lid 1, van het Vb 2000 vermeldt dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt, dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank, bij de oplegging van een inreisverbod met de duur van twee jaar te motiveren waarom voor die – maximale – periode wordt gekozen.

Dit is ook in lijn met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, waarin is bepaald dat de duur van het inreisverbod wordt bepaald ‘volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval’.

Hier komt bij dat verweerder in diverse gevallen, waarin verweerder voorheen een ongewenstverklaring zou hebben opgelegd, nu zal opteren voor het opleggen van een inreis¬verbod. Niet valt in te zien waarom verweerder, daar waar bij een ongewenstverklaring altijd een individuele belangenafweging dient te worden gemaakt, dat bij een hiervoor in de plaats komend inreisverbod niet zou behoeven.

De rechtbank vermag gegeven het vorenstaande niet in te zien hoe een beroep op de rechts¬zekerheid een rechtvaardiging kan zijn voor het opleggen van een inreisverbod van twee jaar in de gevallen waarin geen omstandigheden aanwezig zijn om een inreis¬verbod voor een periode van meer dan twee jaar op te leggen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. A.G. Sijbrands mr. R.A. Sipkens

griffier rechter

afschrift verzonden op:

Conc.: AS

Coll.: KvL

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.