Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8411

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
Awb 12-2576 en Awb 12-2575
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Nu tegen verzoeker reeds eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en verzoeker niet heeft voldaan aan de uit dat besluit voortvloeiende terugkeerverplichting, geldt het thans bestreden besluit daarentegen niet als een terugkeerbesluit. Dit betekent dat het bij het bestreden besluit opgelegde inreisverbod geen kennisgeving is als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, Vw 2000 en derhalve de in artikel 75, aanhef en onder c, Vw 2000 neergelegde uitzondering op de verplichting eerst bezwaar te maken tegen een besluit niet geldt voor het bij het bestreden besluit opgelegde inreisverbod. Dit brengt met zich dat het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk is en op grond van artikel 6:15, eerste lid, Awb aan verweerder moet worden doorgezonden om het als bezwaar te behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Zaaknummers: Awb 12/2576 (voorlopige voorziening)

Awb 12/2575 (beroep)

Uitspraak in het geschil tussen:

[naam],

geboren op [geboortedatum],

burger van de Oekraïne,

V-nummer: [nummer],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Grimm, advocaat te Groningen,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.D. Alberda, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 16 januari 2012 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 24 januari 2012 afwijzend op de aanvraag beslist. Voorts is bij het besluit van 24 januari 2012 aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

1.2. Op 24 januari 2012 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld.

1.3. Bij verzoekschrift van 24 januari 2012 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege dient te worden gelaten tot op het beroep is beslist. De gronden van het beroep en het verzoek zijn op 20 februari 2012 ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending aan verzoeker.

1.5. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 24 februari 2012. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn aldaar met kennisgeving bij faxbericht van 23 februari 2012, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2. Verzoeker heeft eerder, te weten op 27 juni 2011, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 27 september 2011 is deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, Vw 2000. Verweerder heeft geoordeeld dat de economische omstandigheden voor verzoeker in het land van herkomst niet kunnen leiden tot de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. Daarmee is de beslissing op de aanvraag van 27 juni 2011 in rechte onaantastbaar geworden.

2.3. Verzoeker heeft aan zijn, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvraag van 16 januari 2012 ten grondslag gelegd dat hij in de eerste asielprocedure niet alles heeft verteld over de gang van zaken omtrent het werken in Nederland. Verzoeker is naar Nederland gekomen om te werken, maar zijn loon kreeg hij vaak niet. Een Pool, genaamd [naam], die inmiddels door de politie is opgepakt en vervolgd, regelde werk voor verzoeker en nam verzoekers loon in ontvangst. De vier personen die vlak na verzoeker vanuit de Oekraïne eveneens naar Nederland waren gekomen om te werken vonden dat verzoeker schuld had aan de omstandigheden waarin zij terecht waren gekomen en stelden dat verzoeker daarom aan hen het geld moest betalen dat zij waren kwijtgeraakt. Verzoeker is door hen bedreigd, voor het laatst in december 2010 of januari 2011. Verzoeker is daarnaast bang dat [naam] hem iets zal aandoen omdat verzoeker voor hem heeft gewerkt en hij verzoeker goed kende. Verzoeker heeft asiel gevraagd omdat hij niet terug wil naar de Oekraïne omdat hij de personen die hem hebben bedreigd in de Oekraïne niet wil zien.

2.4. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, afgewezen. Daarbij is overwogen dat de aan de aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet kunnen worden beschouwd als nieuw in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

2.5. Verzoeker verwijst in de gronden van het verzoek en het beroep naar al hetgeen door hem in de zienswijze reeds is aangevoerd. Voorts is aangevoerd dat, ondanks dat bij verweerder bekend was van een " koppeling " van gemachtigde aan het onderhavige dossier en er sprake was van een zogenoemde " onbegeleide " HASA en ondanks een expliciet verzoek daartoe verweerder nagelaten heeft het complete HASA dossier toe te zenden aan het kantooradres van de gemachtigde te Groningen. Eén en ander betekent dat de voorbereiding en nabespreking van de gehoren, niet op volledige en juiste wijze heeft kunnen geschieden. Door de huidige gemachtigde is tijdig verzocht om een kopie van het volledige HASA dossier. Verweerder heeft aangegeven dat het gebruikelijk is dat het HASA dossier bij de balie wordt neergelegd, maar gemachtigde is van een dergelijke expliciete afspraak niet op de hoogte. Voor zover een dergelijke expliciete afspraak wel zou bestaan, wijst gemachtigde er op dat zij uitdrukkelijk heeft verzocht om toezending naar haar kantoor- adres. Voorts is aan verzoeker ten onrechte een inreisverbod opgelegd, voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Verzoeker stelt dat er geen individuele afweging lijkt te hebben plaatsgevonden waaruit blijkt waardoor verweerder tot dit verbod is gekomen.

2.6. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek ter zitting van 24 februari 2012 is zijdens verweerder de procedure omtrent de afspraken en de gang van zaken betreffende de beschikbaarstelling van dossiers in de Algemene Asielprocedure uiteengezet.

Beoordeling van het verzoek

2.7. Vooropgesteld moet worden dat met het besluit van verweerder van 27 september 2011 in rechte is komen vast te staan dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) - onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007, 378 - volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de AbRS gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.8. De AbRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan, feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd.

Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat door verzoeker ter ondersteuning van zijn herhaalde asielaanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangedragen die maken dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling dient plaats te vinden als hiervoor omschreven. De voorzieningenrechter overweegt dat het op de weg van verzoeker ligt reeds bij de eerste asielaanvraag alle feiten en omstandigheden naar voren te brengen omtrent zijn asielmotieven die bij hem bekend zijn voordat een besluit wordt genomen op zijn aanvraag. De informatie die verzoeker aan zijn thans aan de orde zijnde aanvraag naar voren heeft gebracht is reeds daarom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

Nu verzoeker ook overigens geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag heeft gelegd en evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest Bahaddar, kunnen het bestreden besluit, voorzover het de herhaalde asielaanvraag betreft, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen niet door de voorzieningenrechter worden getoetst.

2.10. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep betreffende de herhaalde asielaanvraag met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb, ongegrond verklaard.

2.11. Het beroep is tevens gericht tegen het inreisverbod dat bij het bestreden besluit aan verzoeker is opgelegd voor de duur van twee jaar. Ambtshalve dient te worden beoordeeld of tegen dit inreisverbod rechtstreeks beroep openstaat of dat verzoeker eerst bezwaar had moeten maken.

2.12. Ingevolge artikel 45, eerste lid, Vw 2000, voor zover thans van belang, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 Vw 2000, wordt afgewezen, als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, Vw 2000, voor zover thans van belang, stelt verweerder de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, als terugkeerbesluit en kan het tevens een inreisverbod inhouden.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

Ingevolge artikel 75, aanhef en onder c, Vw 2000, kan in afwijking van artikel 7:1 Awb geen bezwaar worden gemaakt tegen een beschikking die een kennisgeving inhoudt overeenkomstig artikel 62a, tweede lid, Vw 2000.

2.13. In het besluit van 27 september 2011 tot afwijzing van de eerdere asielaanvraag van verzoeker is onder het kopje " Rechtsgevolgen van deze beschikking " vermeld dat dit besluit de rechtsgevolgen heeft als opgesomd in artikel 45 Vw 2000, dit onder meer inhoudt dat verzoeker vanaf het moment van bekendmaken van het besluit niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, het besluit tevens wordt aangemerkt als terugkeerbesluit en op verzoeker de verplichting rust Nederland uit eigen beweging te verlaten voor het einde van de beroepstermijn. Ook op grond van artikel 45, eerste lid, Vw 2000 geldt het besluit van 27 september 2011 als een terugkeerbesluit. Nu tegen verzoeker reeds eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en verzoeker niet heeft voldaan aan de uit dat besluit voortvloeiende terugkeerverplichting, geldt het thans bestreden besluit daarentegen niet als een terugkeerbesluit. Dit betekent dat het bij het bestreden besluit opgelegde inreisverbod geen kennisgeving is als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, Vw 2000 en derhalve de in artikel 75, aanhef en onder c, Vw 2000 neergelegde uitzondering op de verplichting eerst bezwaar te maken tegen een besluit niet geldt voor het bij het bestreden besluit opgelegde inreisverbod.

Dit brengt met zich dat het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk is en op grond van artikel 6:15, eerste lid, Awb aan verweerder moet worden doorgezonden om het als bezwaar te behandelen.

2.14. Voor zover het verzoek een voorlopige voorziening te treffen connex is aan het bezwaar als hiervoor genoemd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

2.15. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er ook overigens geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

2.16. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het geschil redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 12/2575 ter zake van het inreisverbod niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 12/2575 ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer Awb 12/2576 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Schothorst, in aanwezigheid van J.A.B. Peterse-Verver, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2012.

de griffier de rechter

Tegen de uitspraak inzake het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.