Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8335

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
412017 - KG ZA 12-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil betreffende een uithuisplaatsing van een minderjarige. De betreffende minderjarige, vertegenwoordigd door een bijzonder curator, is één van de eisers. Mede-eiser, zijnde de oudere, meerderjarige, broer, is niet-ontvankelijk, omdat hij geen 'belanghebbende' is. Mede-eiseres, zijnde de oudere, minderjarige, zuster, is niet niet-ontvankelijk op grond van artikel 1:234 BW en zij niet vertegenwoordigd wordt door haar ouders, dan wel een bijzonder curator. Taak/bevoegdheid bijzonder curator. Geen juridische en/of feitelijke misslag, terwijl evenmin sprake is van een noodtoestand als gevolg van na de beslissing voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, waardoor een onverwijlde (verdere) tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is. Er bestaat bovendien een andere weg om het beoogde doel te bereiken, te weten een verzoek ex artikel 1:263 lid 2 onder a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 412017 / KG ZA 12-94

Vonnis in kort geding van 15 februari 2012

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

in rechte vertegenwoordigd door mr. M.F.A. van Pelt, kantoorhoudende te Rotterdam, in haar hoedanigheid van bijzonder

curator over deze minderjarige,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaten mr. M.F.A. van Pelt te Rotterdam en mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen:

1. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. STICHTING BUREAU JEUGDZORG ZUID-HOLLAND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagden,

sub 1: in persoon verschenen,

sub 2: advocaat mr. P.J. Montanus te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds '[eiser sub 1]', '[eiser sub 2]' en '[eiseres sub 3]' (gezamenlijk ook wel als 'eisers') en anderzijds 'de Raad' en 'BJZ' (gezamenlijk ook wel als 'gedaagden').

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 februari 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Uit het huwelijk van [de man] en [de vrouw], beiden wonende te [woonplaats] (hierna 'de ouders'), zijn de navolgende kinderen geboren:

1. [eiser sub 2], geboren te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993 (eiser sub 2);

2. [eiseres sub 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995 (eiseres sub 3),

3. [eiser sub 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996 (eiser sub 1);

4. [zoon 3], geboren te geboorteplaats op geboortedatum 1998 (hierna 'zoon 3]'),

5. [dochter 2], geboren te Woerden op [geboortedatum] 2000 (hierna '[dochter 2]'),

6. [zoon 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001(hierna '[zoon 4]'),

7. [dochter 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003 (hierna '[dochter 3]'),

8. [dochter 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006 (hierna '[dochter 4]').

1.2. [dochter 4] is in juni 2006 uit huis geplaatst vanwege een kwestie met betrekking tot (bij)voeding. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 juni 2009 zijn de ouders ontheven uit het ouderlijk gezag over haar. Deze beschikking is op 4 augustus 2010 bekrachtigd door het gerechthof te 's-Gravenhage. Hiertegen is beroep in cassatie ingesteld door de over [dochter 4] benoemde bijzonder curator.

1.3. Na een voorlopige ondertoezichtstelling van 12 september 2008 heeft deze rechtbank - bij beschikking van 23 september 2008 - de hiervoor onder 1 tot en met 7 genoemde kinderen (definitief) onder toezicht gesteld van BJZ voor de periode van 24 september 2008 tot 15 augustus 2009. Ingevolge een aantal verlengingsbeschikkingen - de laatste dateert van 1 augustus 2011 - duurt de ondertoezichtstelling ten aanzien van de kinderen sub 2 tot en met 7 nog steeds voort, thans tot 15 augustus 2012. Gezinsvoogdes is [Z.]. Ten aanzien van - de thans meerderjarige - [eiser sub 2] is de ondertoezichtstelling vanaf 20 augustus 2010 niet meer verlengd.

1.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2008 werd BJZ gemachtigd de kinderen sub 1 tot en met 7 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 4 november 2008 tot 15 augustus 2009. Ter uitvoering hiervan zijn die kinderen op 5 november 2008 in pleeggezinnen geplaatst.

1.5. [Eiser sub 2] heeft - vertegenwoordigd door een bijzondere curator - tegen die uithuisplaatsing van hemzelf en zijn broertjes en zusjes hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 10 juni 2009 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage [eiser sub 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de uithuisplaatsing van zijn broertjes en zusjes, omdat hij dienaangaande niet kan worden aangemerkt als "belanghebbende" in de zin van artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ('Rv'). De machtiging tot uithuisplaatsing van [eiser sub 2] werd bij die beschikking vernietigd, onder afwijzing van het daartoe strekkende verzoek van BJZ. Bij beschikking van 21 mei 2010 heeft de Hoge Raad de bijzonder curator van [eiser sub 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de beslissing van het Hof van 10 juni 2009 om [eiser sub 2] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn broertjes en zusjes.

1.6. De bij beschikking van 4 november 2008 verstrekte machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen sub 2 tot en met 7 is nadien verlengd. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 augustus 2010 is ten aanzien van [eiseres sub 3] de door BJZ verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing vanaf 20 augustus 2010 afgewezen. Met betrekking tot de kinderen sub 3 tot en met 7 is de machtiging tot uithuisplaatsing laatstelijk bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van deze rechtbank van 1 augustus 2011 verlengd tot 15 augustus 2012.

1.7. [Eiser sub 2] en [eiseres sub 3] zijn bij hun ouders gaan wonen, nadat de machtiging tot uithuisplaatsing jegens hen niet meer van kracht was.

1.8. Op 14 maart 2011 heeft de Raad bij deze rechtbank een verzoek ingediend, strekkende tot - al dan niet gedwongen - ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag over de kinderen [eiser sub 1], [zoon 3], [dochter 2], [zoon 4] en [dochter 3]. Tijdens de behandeling van dat verzoek op 5 oktober 2011 heeft [eiser sub 1] de behandeld rechters gewraakt. Na afwijzing van het wrakingsverzoek, heeft de rechtbank de voortzetting van de behandeling van het ontheffingsverzoek bepaald op 8 februari 2012. Naar aanleiding van een verzoek daartoe van de Raad, heeft de rechtbank de behandeling aangehouden tot 18 april 2012, in afwachting van nadere rapportage van de Raad.

1.9. Bij beschikking van 8 juni 2011 heeft deze rechtbank mr. B.C.V.J. van Leur, advocaat te 's-Gravenhage, benoemd tot bijzonder curator over de minderjarigen [eiser sub 1], [zoon 3], [dochter 2], [zoon 4] en [dochter 3], met het oog op het door de Raad ingediende ontheffingsverzoek.

1.10. Op 17 januari 2012 heeft [eiser sub 1] - op de voet van het bepaalde in artikel 1:263 lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek ('BW') - (andermaal) een verzoek ingediend bij BJZ tot beëindiging van zijn uithuisplaatsing. BJZ heeft dat verzoek op 1 februari 2012 afgewezen.

1.11. Bij beschikking van 1 februari 2012 heeft de rechtbank voormelde beschikking van 8 juni 2011 gewijzigd, in die zin dat mr. M.F.A. van Pelt (de mede-advocaat van eisers) is benoemd tot bijzonder curator over [eiser sub 1].

2. Het geschil

2.1. Na vermindering van eis vorderen eisers zakelijk weergegeven, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter:

I. primair:

gedaagden - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen (i) met onmiddellijke ingang de executie van de beschikking van 1 augustus 2011 voor wat betreft de uithuisplaatsing van [eiser sub 1] te staken en gestaakt te houden en (ii) te gehengen en gedogen dat [eiser sub 1] weer gaat wonen bij zijn ouders, [eiser sub 2] en [eiseres sub 3];

subsidiair:

de tenuitvoerlegging van de beschikking van 1 augustus 2011 voor wat betreft de uithuisplaatsing van [eiser sub 1] te schorsen, totdat de kinderrechter (in beroep) heeft beslist op het verzoek van [eiser sub 1] tot beëindiging van zijn uithuisplaatsing ex artikel 1:263 lid 2 sub a BW, opdat [eiser sub 1] hangende die procedure bij zijn ouders, [eiser sub 2] en [eiseres sub 3] kan wonen;

II. de behandeling van het verzoek van de Raad tot (gedwongen) ontheffing van de ouders uit het ouderlijk gezag over de kinderen 2 tot en met 7 te schorsen, dan wel gedaagden - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen mee te werken aan uitstel van de behandeling van dat ontheffingsverzoek gedurende zeven maanden na het in de onderhavige procedure te wijzen vonnis, dan wel totdat de kinderrechter (in beroep) heeft beslist op voormeld verzoek van [eiser sub 1] ex artikel 1:263 lid 2 sub a BW;

III. hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

2.2. Naast de hiervoor vermelde feiten voeren eisers daartoe - samengevat - het volgende aan.

De uithuisplaatsing van [eiser sub 1] en zijn broertjes en zusjes vormt een ernstige schending van artikel 8 van het EVRM en is daarmee onrechtmatig. Dit volgt onder meer uit de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juni 2009. Hetgeen het Hof daarin heeft overwogen met betrekking tot de zedelijke en geestelijke belangen van [eiser sub 2] en diens gezondheid geldt namelijk ook voor [eiser sub 1] en zijn broertjes en zusjes. BJZ en de Raad werken stelselmatig de gezinshereniging tegen, waarbij zij zich bedienen van onware verdachtmakingen en valse verklaringen. [eiser sub 1] wil - net als [eiser sub 2] en [eiseres sub 3] - heel graag weer bij zijn ouders, [eiser sub 2] en [eiseres sub 3] wonen. Dit heeft hij - via zijn gezinsvoogdes - ook kenbaar gemaakt aan BJZ, waarna hem is toegezegd dat dat zal gebeuren, althans BJZ bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat hij (onmiddellijk) weer naar 'huis' kan. BJZ weigert die toezegging echter na te komen. Tegen de afwijzing door BJZ op 1 februari 2012 van het verzoek van [eiser sub 1] om zijn uithuisplaatsing te beëindigen is beroep ingesteld bij de kinderrechter. De behandeling daarvan kan wel 6 tot 8 en misschien zelfs 12 weken duren, gelet op de achterstanden bij de sector familie- en jeugdrecht van de rechtbank te 's-Gravenhage. Daarnaast verzetten eisers zich tegen de door de Raad verzochte ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag over de onder 1.1 sub 3 tot en 7 genoemde minderjarigen. Om principiële redenen weigeren de ouders niet alleen juridische middelen aan te wenden tegen de uithuisplaatsing van hun kinderen, maar ook tegen het ontheffingsverzoek. Indien dat verzoek wordt toegewezen zit het er niet (meer) in dat [eiser sub 1] en zijn broertjes en zusjes nog - in gezinsverband - worden herenigd met hun ouders en hun oudste broer en zuster, met een nog verdere onthechting als gevolg. Eisers dreigen van een en ander de dupe te worden. Daardoor worden zij immers getroffen in hun belang om 'met elkaar' te wonen.

2.3. Gedaagden hebben de vorderingen van eisers gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal hun verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

Ten aanzien van [eiser sub 2]:

3.1. [eiser sub 2] is (thans) meerderjarig. Noch de in geschil zijnde machtiging tot uithuisplaatsing, noch de thans door Raad beoogde ontheffing van de ouders uit hun ouderlijk gezag heeft dus direct betrekking op hem. Dienaangaande kunnen in voorkomende gevallen - naast de verzoekende partij - als 'belanghebbenden' in de zin van artikel 798 lid 1 Rv slechts worden beschouwd: de met het gezag belaste ouder(s), de pleegouder(s) en het kind zelf (zie de onder 1.5 vermelde uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2010; LJN: BL7043). Anders dan eisers ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om, in het bestek van het onderhavige kort geding, het begrip 'belanghebbende' (verder) op te rekken.

3.2. Op grond van het voorgaande zal [eiser sub 2] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.

Ten aanzien van [eiseres sub 3]:

3.3. [Eiseres sub 3] treedt - als minderjarige - in deze procedure zelfstandig op als eiseres. Op grond van het bepaalde in artikel 1:234 BW is zij daartoe echter onbekwaam. Gesteld nog gebleken is dat de ouders haar in de onderhavige procedure (willen) vertegenwoordigen, terwijl over haar geen bijzonder curator is benoemd. Onder die omstandigheden dient (ook) [eiseres sub 3] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen. Dat zou slechts anders kunnen liggen indien een spoedeisende situatie en/of het belang van [eiseres sub 3] bij een onverwijlde beslissing het onmogelijk maken de wettelijk vertegenwoordiger(s) in te schakelen, dan wel meebrengen dat de benoeming van een bijzonder curator niet kan worden afgewacht. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

3.4. Overigens zou ook hetgeen ten aanzien van [eiser sub 2] is overwogen (onder 3.1) leiden tot de niet-ontvankelijkheid van [eiseres sub 3].

Ten aanzien van [eiser sub 1]:

Vooraf

3.5. In de inleidende dagvaarding treedt [eiser sub 1] zelfstandig op als eisende partij. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van [eiseres sub 3] is overwogen, volgt dat hij daartoe onbekwaam is. Op de zitting heeft de (huidige) bijzonder curator van [eiser sub 1], mr. M.F.A. van Pelt, aangegeven als zodanig [eiser sub 1] te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure. Mede nu gedaagden daartegen niet hebben geprotesteerd, is daarmee het hiervoor bedoelde gebrek hersteld. BJZ heeft nog wel aangevoerd dat de taak van de bijzonder curator is beperkt tot het verzoek van de Raad tot ontheffing van de ouders van het gezag over [eiser sub 1], zodat [eiser sub 1], althans diens bijzonder curator, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vorderingen aangaande de machtiging tot uithuisplaatsing van [eiser sub 1].

3.6. Op zichzelf is juist dat uit de betreffende beschikkingen van 8 juni 2011 en 1 februari 2012 voortvloeit dat de bijzonder curator is benoemd naar aanleiding van het (gedwongen) ontheffingsverzoek van de Raad. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat de bevoegdheid van de bijzonder curator niet te beperkt mag worden uitgelegd, gelet op het belang van de minderjarige dat juist met de benoeming van de bijzonder curator beoogd wordt te worden gediend. Verder is van belang dat tussen de uithuisplaatsing en het ontheffingsverzoek (grote) samenhang bestaat. Deze liggen immers in elkaars verlengde. Te meer waar de Raad subsidiair de gedwongen ontheffing ex artikel 1:268 lid 2 onder a verzoekt en in zich in dat verband - onder meer - beroept op de uithuisplaatsing van de kinderen vanaf 5 november 2008. Gelet op een en ander wordt voormeld verweer van BJZ verworpen en is [eiser sub 1] ontvankelijk in zijn vorderingen.

De vorderingen betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing

3.7. De onder 2.1 sub I primair en subsidiair vermelde vorderingen betreffen onmiskenbaar executiegeschillen in de zin van artikel 438 Rv, ook al grondt [eiser sub 1] die vorderingen op onrechtmatig handelen. Door middel van die vorderingen beoogt [eiser sub 1] immers te bewerkstelligen dat BJZ wordt gedwongen geen verdere uitvoering te geven aan de - laatstelijk op 1 augustus 2011 verleende - machtiging tot zijn uithuisplaatsing. Tegen die achtergrond zullen de vorderingen dan ook (moeten) worden beoordeeld.

3.8. BJZ heeft als preliminair verweer aangevoerd dat [eiser sub 1] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Dat verweer wordt verworpen. Reeds uit de stellingen van [eiser sub 1] volgt dat het vereiste spoedeisende belang aanwezig is, in het bijzonder waar hij stelt dat hij op onjuiste gronden uit huis is geplaatst. Indien moet worden uitgegaan van de juistheid van die stelling, heeft [eiser sub 1] er belang bij dat - in afwachting van een beslissing van de bodemrechter - binnen de kortst mogelijke termijn geen verdere uitvoering wordt gegeven aan de beschikking van 1 augustus 2011 waarbij zijn uithuisplaatsing is verlengd tot 15 augustus 2012. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat in het kader van de beoordeling van het onderhavige verweer van BJZ buiten beschouwing dient te blijven het antwoord op de vraag of de stellingen van [eiser sub 1] juist zijn. Dat is pas relevant bij de (hierna volgende) inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

3.9. Ter zake van een executiegeschil, zoals hier aan de orde, geldt - ingevolge vaste jurisprudentie - als uitgangspunt de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij - zoals hier - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing is toegewezen. Slechts indien BJZ geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij executie kan tenuitvoerlegging van de beslissing worden verboden. Hiervan kan sprake zijn indien de te executeren beslissing op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor [eiser sub 1], waardoor een onverwijlde (verdere) tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is.

3.10. Een feitelijke of juridische misslag in de beschikking van 1 augustus 2011 is in deze kwestie niet aannemelijk geworden. De voorzieningenrechter is in ieder geval van oordeel dat [eiser sub 1] geen feiten of juridische misvattingen heeft aangevoerd, die van zodanige aard zijn dat daaruit zonder redelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat de beschikking een evidente misslag bevat. Voor een beoordeling van de inhoudelijke bezwaren van [eiser sub 1] tegen de machtiging tot zijn uithuisplaatsing is in een executiegeschil als het onderhavige geen plaats. Daartegen verzet het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich.

3.11. Van een noodtoestand op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten is evenmin sprake. Het merendeel van de door [eiser sub 1] aangevoerde feiten en/of omstandigheden, die - volgens hem - toewijzing van (één van) zijn vorderingen rechtvaardigen bestonden reeds op 1 augustus 2011 en waren toen al bekend bij [eiser sub 1]. Hooguit zou in het onderhavige verband in aanmerking kunnen komen de stelling van [eiser sub 1] dat BJZ heeft toegezegd dat hij weer bij zijn ouders, [eiser sub 2] en [eiseres sub 3] mag gaan wonen, althans dat BJZ bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij weer naar 'huis' mag. BJZ heeft de daarop betrekking hebbende stellingen echter gemotiveerd bestreden. Volgens haar heeft de gezinsvoogdes slechts aangegeven bereid te zijn over een mogelijke thuisplaatsing te willen praten met [eiser sub 1] en daarover (vervolgens) te willen nadenken. Op dit moment verzet BJZ zich in ieder geval tegen thuisplaatsing van [eiser sub 1], omdat zulks (nog) niet in zijn belang is. Onder die omstandigheden kan voormelde stelling van [eiser sub 1] niet voor juist worden gehouden. Een en ander betekent dat een noodtoestand in de hiervoor bedoelde zin niet kan worden aangenomen.

3.12. Daar komt bij dat het door [eiser sub 1] beoogde doel van de vorderingen ook op een andere wijze kan worden bereikt en wel door het indienen van een verzoek ex artikel 1:263 lid 2 onder a BW. Die weg is inmiddels ingeslagen door [eiser sub 1] en bevindt zich - naar hij stelt - in de beroepsfase. Aangenomen moet worden dat het door [eiser sub 1] ingestelde beroep c.q. in te stellen beroep tegen de onder 1.10 vermelde afwijzing door BJZ op korte termijn kan worden behandeld door de kinderrechter. Te meer nu het de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is dat de door [eiser sub 1] gestelde achterstanden bij de betreffende sector van deze rechtbank niet bestaan. Onder die omstandigheden is geen aanleiding om op de beslissing van de kinderrechter vooruit te lopen. Te minder waar BJZ gemotiveerd heeft aangevoerd dat het in het belang is van [eiser sub 1] dat diens uithuisplaatsing (vooralsnog) wordt gecontinueerd en in het beperkte bestek van dit kort geding geenszins valt te voorspellen hoe de beslissing van de kinderrechter zal uitvallen. Bovendien had [eiser sub 1] zijn verzoek ex artikel 1:263 lid 2 onder a BW eerder kunnen indienen en/of in beroep kunnen gaan tegen een eerdere afwijzing van BJZ (d.d. 25 oktober 2011) op een verzoek van [eiser sub 1] om de uithuisplaatsing te beëindigen.

3.13. Het vorenstaande brengt mee dat uitgegaan dient te worden van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van deze rechtbank van 1 augustus 2011, zodat BJZ het recht heeft om tot verdere executie daarvan over te gaan.

De vordering betreffende het ontheffingsverzoek

3.14. Met betrekking tot de onder 2.1 sub II vermelde vordering treft het verweer van BJZ dat [eiser sub 1] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering wel doel. Nu de aanvankelijk op 8 februari 2012 geplande voortzetting van de behandeling van het ontheffingsverzoek is verplaatst naar 18 april 2012, ontbreekt het vereiste spoedeisende belang van [eiser sub 1] bij zijn onderhavige vordering. Dat klemt te meer nu op grond van de verklaringen van de Raad op de zitting niet zonder meer kan worden aangenomen dat de Raad tijdig vóór de thans geplande voortgezette behandeling zal rapporteren, zodat niet kan worden uitgesloten dat een nader uitstel zal volgen. Bovendien moet worden aangenomen dat de kinderrechter binnen afzienbare tijd - in ieder geval vóór 18 april 2012 - zal beslissen op het beroep in zake het verzoek van [eiser sub 1] ex artikel 1:263 lid 2 onder a BW.

3.15. Overigens is het niet aan de Raad om te bepalen dat de behandeling van het ontheffingsverzoek nader wordt uitgesteld. Een beslissing dienaangaande komt - ook na een daartoe strekkend verzoek van de Raad - uitsluitend toe aan de rechtbank. De onderhavige vordering onttrekt zich derhalve aan de invloedssfeer van de Raad, welke omstandigheid ook in de weg zou hebben gestaan aan toewijzing ervan.

Afronding

3.16. Op grond van al het bovenstaande zal worden beslist zoals hieronder in het dictum vermeld.

3.17. Gelet op de aard van het onderliggende conflict, zullen de proceskosten - zoals gebruikelijk in Boek 1 BW-zaken - worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Overigens hebben gedaagden uitdrukkelijk een verzoek tot veroordeling van (één van) de eisers in de proceskosten achterwege gelaten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser sub 2] en [eiseres sub 3] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

- wijst de vorderingen van [eiser sub 1] af;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kramer en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.

jvl