Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7731

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/2097 en 11/12451
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:16, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser lijdt aan een zeldzame ziekte die met zich brengt dat uitzetting in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Behandeling van die ziekte is mogelijk in Nederland en in Duitsland, waar eiser eerder rechtmatig heeft verbleven. Eiser heeft zowel een verblijfsvergunning asiel aangevraagd als een verblijfsvergunning vanwege medische redenen. Een eerdere ongewenstverklaring van eiser is opgeheven door verweerder vanwege het 3 EVRM-aspect. In de loop van de behandeling van de voorliggende procedures heeft verweerder te kennen gegeven dat bij die opheffing abusievelijk is aangenomen dat aan het duurzaamheidscriterium was voldaan terwijl eiser nog geen 10 jaren in Nederland verbleef.

De rechtbank overweegt dat de weigering van de verblijfsvergunning asiel in stand kan blijven. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat vaststaat dat eiser is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf en artikel 3.105e, onder b, van het Vb 2000 dan aan verlening van een verblijfsvergunning asiel in de weg staat.

Het beroep ter zake van de gevraagde verblijfsvergunning regulier is echter gegrond geacht vanwege een motiveringsgebrek.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van verweerder dat de opheffing van de ongewenstverklaring op een abuis berust, niet betekent dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van een medische behandeling het duurzaamheidsaspect in het kader van een belangenafweging niet opnieuw dient te beoordelen. Ten aanzien van dat duurzaamheidsaspect overweegt de rechtbank vervolgens dat de termijn van 10 jaren berust op een door verweerder gevoerd beleid. Van een dergelijk beleid kan worden afgeweken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Niet valt in te zien dat dus niet ook reeds voor het verstrijken van die termijn van 10 jaren kan worden geconcludeerd dat er geen zicht bestaat op verandering van de situatie binnen afzienbare tijd. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2010 (LJN: BN0220) ziet de rechtbank geen reden tot een andere conclusie te komen.

Ten aanzien van de bewijslast ter zake van het wel of niet naar Duitsland kunnen vertrekken, heeft de rechtbank overwogen dat een feit blijft dat verweerder heeft besloten tot opheffing van de ongewenstverklaring van eiser. Indien verweerder derhalve al gevolgd kan worden in zijn standpunt dat hier sprake is van een kennelijke misslag brengt die misslag, resulterend in een opheffing van de ongewenstverklaring, en gelet op de in dit geval daaraan ten grondslag gelegde motivering, met zich dat de bewijslast dat eiser naar Duitsland kan vertrekken naar dezerzijds oordeel op verweerder is komen te rusten. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat eiser heeft gesteld reeds eerder een aanvraag tot hernieuwde toelating tot Duitsland te hebben ingediend, maar daarop een negatief antwoord te hebben ontvangen. Ook is, zoals hiervoor onder 14 reeds is overwogen, onbestreden gebleven het standpunt van eiser dat een poging hem uit te zetten naar Duitsland is mislukt.

Vernietiging in hoger beroep, ABRS nr. 201203324/1/V2, 18-06-2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11 / 2097 (asiel)

AWB 11 / 12451 (regulier)

Uitspraak van de meervoudige kamer van 1 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2010 heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen. Eiser heeft tegen dit besluit op 19 januari 2011 beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder het procedurenummer AWB 11/12451.

Bij besluit van 12 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het ondergaan van medische behandeling’ afgewezen. Bij besluit van 15 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit van

15 maart 2011 op 11 april 2011 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 11/2097.

De openbare behandeling van het beroep met nummer AWB 11/12451 heeft plaatsgevonden op 30 mei 2011 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. I.M. van Kuilenburg, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M. van Gils.

Op 30 augustus 2011 heeft de rechtbank besloten het onderzoek in de beroepszaak met het procedurenummer AWB 11 / 2097 te heropenen in verband met de samenhang van dit beroep met het beroep met procedurenummer AWB 11 / 12451.

De beroepen zijn vervolgens in overleg met partijen op 1 september 2011 door de meervoudige kamer van de rechtbank gevoegd ter zitting behandeld. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Verkouter voornoemd. Namens verweerder is verschenen mr. T. Boekholt. Als tolk was aanwezig T. Langerak.

Het onderzoek ter zitting op 1 september 2011 is geschorst met toepassing van

artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een antwoord te formuleren op de ter zitting door de rechtbank aan de orde gestelde vraag. Van deze gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt bij fax van

28 september 2011. Hierop heeft eiser vervolgens op 26 oktober 2011 zijn visie schriftelijk kenbaar gemaakt.

Vervolgens hebben beide partijen desgevraagd toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb voor het achterwege laten van een (nadere) zitting. De rechtbank heeft vervolgens op 7 november 2011 het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op 9 juli 1970 en afkomstig uit Benin. Eiser verblijft sinds een onbekende datum in Nederland en is nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning hier te lande.

2. Eiser is bij besluit van 5 juni 2008 op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst verklaard. Aan deze ongewenstverklaring is ten grondslag gelegd dat eiser bij onherroepelijk vonnis van de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank Haarlem van 12 december 2007 vanwege een drugsmisdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft eiser hangende dat bezwaar op 13 januari 2009 een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bij verweerder ingediend. Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring is bij besluit van 5 maart 2009 niet ontvankelijk verklaard. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Eveneens bij besluit van 5 maart 2009 heeft verweerder het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt op 9 april 2009.

3. Bij besluit van eveneens 5 maart 2009 is tevens aan eiser gedurende de periode van 5 maart 2009 tot 5 september 2009 opschorting van de uitzetting naar analogie van het bepaalde in artikel 64 van de Vw 2000 verleend. Aan dit besluit is een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 30 december 2008 ten grondslag gelegd, waaruit blijkt dat eiser lijdt aan de zeldzame chronische bloedziekte PNH (Paroxysmale Nachtelijke Hemoglobinurie). Staken van de behandeling leidt volgens de informatie van het BMA, tot een medische noodsituatie op korte termijn en de in Benin aanwezig medische behandeling wordt onvoldoende geacht. Behandeling van die ziekte is, aldus het BMA-advies, in Nederland, maar ook in Duitsland mogelijk. Op 18 januari 2010 heeft verweerder vervolgens op grond van de door het BMA uitgebrachte adviezen van 23 november 2009 en 4 januari 2010 besloten de uitzetting van eiser wederom op te schorten van 18 januari 2010 tot 18 juli 2010.

4. Bij het besluit op bezwaar van 29 januari 2010 heeft verweerder de ongewenstverklaring van eiser opgeheven. De opheffing van de ongewenstverklaring heeft plaatsgevonden vanwege de medische situatie van eiser.

5. Hierop heeft eiser op 15 maart 2010 de onderliggende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser wederom zijn medische toestand ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 en het bepaalde in artikel 3.105e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). In dit besluit heeft verweerder aangegeven dat niet wordt bestreden dat de terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst in verband met zijn medische situatie een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou opleveren. Vanwege het door eiser gepleegde misdrijf heeft verweerder eisers asielaanvraag echter toch afgewezen.

6. Naast een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft eiser op 15 maart 2010 ook een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel medische behandeling ingediend. Deze aanvraag is bij primair besluit van 12 mei 2010 afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d en g, van de Vw 2000. Voorts is bij dit besluit wederom artikel 64 van de Vw 2000 op eiser van toepassing verklaard en uitstel van vertrek verleend tot 18 juli 2010. Bij brief van

18 januari 2010 was, zoals hiervoor reeds is overwogen, eiser reeds meegedeeld dat hem tot 18 juli 2010 uitstel van vertrek zou worden verleend met ingang van de datum van die brief.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt als ingenomen in het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder bestaat geen aanleiding om eiser de gevraagde reguliere vergunning te verlenen, omdat hij, gelet op de strafrechtelijke veroordeling, een gevaar vormt voor de openbare orde. Daarnaast voldoet hij niet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de beperking ‘medische behandeling’, omdat Nederland niet het meest aangewezen land is om de medische behandeling te ondergaan. Eiser kan vertrekken naar een (derde) land, te weten Duitsland. Daar heeft hij immers jarenlang verbleven op grond van een verblijfsvergunning. Het is aan betrokkene om te zorgen dat hij daar de medische zorg krijgt die hij nodig heeft. Dat uitzetting van eiser naar Benin duurzaam in strijd is met artikel 3 van het EVRM, maakt niet dat aan eiser de gevraagde verblijfsvergunning moet worden verleend, aldus verweerder.

8. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder, alhoewel hij niet bestrijdt dat verweerder op grond van het openbare orde beleid in principe een verblijfsvergunning kan weigeren, onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen en verweerder op grond van artikel 3:4 dan wel op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afwijken van zijn beleid. In dit verband heeft eiser er op gewezen dat hem bij terugkeer een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM staat te wachten, aangezien hij lijdt aan een ongeneeslijke bloedziekte waarvoor in zijn land van herkomst geen behandeling mogelijk is en hij geen andere mogelijkheid heeft dan in Nederland te blijven. Hoewel hij dat graag zou willen, kan eiser thans geen toegang meer krijgen tot Duitsland en ook niet tot de benodigde medische zorg. Nederland is derhalve het meest aangewezen land om de medische behandeling te ondergaan. Dat de ex-vrouw van eiser en zijn kinderen in Duitsland wonen, is bovendien geen criterium bij de vraag of Nederland al dan niet het meest aangewezen land is. Wat betreft de openbare orde aspecten heeft verweerder, zo stelt eiser, eveneens onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser. Zo was hij, toen hij destijds Nederland binnenkwam, getrouwd met een EU-burger. Voor EU-burgers en hun echtgenoten geldt een lichter openbare orde criterium. Bovendien heeft eiser zich niet schuldig gemaakt aan recidive.

Deze omstandigheden hadden voor verweerder reden moeten zijn om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Nu verweerder de gevraagde vergunning niet verleent, komt eiser gedurende lange tijd in een verblijfsvacuüm terecht.

Enerzijds wordt hij niet uitgezet vanwege medische gronden, anderzijds wordt hem geen verblijfsvergunning verleend. Het is disproportioneel dat een verblijfsvergunning wordt onthouden, aldus eiser.

9. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of de bestreden besluiten in strijd zijn met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

10. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer in het arrest van 27 mei 2009 in zaak nr. 265/05, www.echr.coe.int/echr) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie echter slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. In een dergelijk geval kan er reden zijn een betrokkene een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

11. De rechtbank overweegt vervolgens dat verweerder eiser niet heeft tegengeworpen dat van een zodanige situatie geen sprake is. Enkel is aan eiser tegengeworpen dat zijn veroordeling wegens een ernstig misdrijf aan verlening van de gevraagde verblijfsvergunning asiel in de weg staat. Verweerder heeft daarbij gewezen op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, onder k, van de Vw 2000 waarin is bepaald dat bij de vraag of een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend mede wordt betrokken of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Verder is gewezen op het bepaalde in artikel 3.105e, onder b, van het Vb 2000 waaruit volgt dat een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend indien diens aanvraag is gegrond op omstandigheden die de rechtsgrond vormen voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000, tenzij deze een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Nu niet in geschil is dat eiser is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf, hetgeen overigens ook betekent dat eiser ook kan worden aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat die veroordeling in de weg staat aan verlening van een verblijfsvergunning asiel. Van beleidsruimte in deze is immers, gelet op de formulering van artikel 3.105e, onder b, van de Vw 2000, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake meer.

12. Vervolgens is echter de vraag of deze veroordeling eveneens in de weg staat aan de verlening van de gevraagde verblijfsvergunning om medische redenen.

13. Artikel 3:46 van het Vb 2000 luidt:

“1 De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

2 Bij de aanvraag ondertekent de vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid.

3 De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a of c, van de Wet of op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Wet.”

14. Blijkens het bestreden besluit van 15 maart 2011 en het mede daaraan ten grondslag liggende verslag van een hoorzitting op 9 december 2010 is niet in geschil dat artikel 3 van het EVRM aan uitzetting van eiser in de weg staat. Ook wordt aan eiser niet tegengeworpen dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld aangezien eiser langer dan een jaar uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Verweerder heeft eiser wel tegengeworpen dat het feit dat eiser niet langer een verblijfstitel in Duitsland heeft en een eerdere poging tot uitzetting naar Duitsland is mislukt, niet betekent dat eiser niet een aanvraag voor verblijf in Duitsland kan indienen. De rechtbank vat deze tegenwerping aldus op dat verweerder stelt dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser, omdat eiser ook voor zijn behandeling naar Duitsland kan vertrekken. In dat land heeft hij immers voordien gewoond met zijn toenmalige echtgenote en kinderen. Verweerder miskent hierbij echter dat eisers gemachtigde bij de hoorzitting heeft gesteld gescheiden te zijn en met name dat een aanvraag voor (hernieuwd) verblijf aldaar reeds is afgewezen.

15. Vervolgens komt de rechtbank toe aan het openbaar orde criterium dat verweerder eiser ook in dit verband heeft tegegeworpen.

16. Blijkens de overwegingen in het besluit op bezwaar van 29 januari 2010, waarbij de ongewenstverklaring van eiser is opgeheven, heeft de opheffing plaatsgevonden omdat eisers medische toestand van dien aard is “dat het staken van de medische behandeling die eiser ondergaat binnen afzienbare termijn een onomkeerbaar proces naar de dood tot gevolg kan hebben”. Voorafgaande aan die overweging is verwezen naar het beleid als neergelegd in A4/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). In dat beleid is - voor zover van belang voor de beroepszaken van eiser - het volgende vermeld:

“Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:

a. (…);

b. verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM;

c. toepasselijkheid van artikel 3.105b of artikel 3.105e Vb.

(…)

ad b. Verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM

Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling wordt het bepaalde in C2/3betrokken.

Vorenstaande laat onverlet dat de ongewenstverklaring blijft bestaan. Voorts geldt dat op de vreemdeling de plicht blijft rusten om Nederland zelfstandig te verlaten en mitsdien zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht.

In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:

a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

b. of het handhaven van de ongewenstverklaring disproportioneel is.

Duurzaamheid

De term duurzaam onder a. houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.

Proportionaliteit

Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets onder b. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Aan de hand van deze door de vreemdeling aangedragen elementen wordt beoordeeld of het handhaven van de ongewenstverklaring disproportioneel is.

Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, kan de ongewenstverklaring op verzoek van de vreemdeling worden opgeheven. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing wordt in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.”

17. Zoals ook al is vermeld in de brief van de rechtbank van 9 september 2010, die is verzonden naar aanleiding van de schorsing van de behandeling ter zitting op

1 september 2010, heeft de rechtbank uit het vorenstaande beleid en de motivering van het besluit van 29 januari 2010 in onderlinge samenhang bezien, afgeleid dat de conclusie van verweerder destijds niet alleen is geweest dat uitzetting van eiser vanwege een mogelijke schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM achterwege moet blijven, maar ook dat dit duurzaam was én dat handhaving van de ongewenstverklaring bovendien disproportioneel is bevonden.

18. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat ter ten aanzien van de opheffing van de ongewenstverklaring van 29 januari 2010 sprake is geweest van een ambtelijke misslag. De toets aan de duurzaamheid en de proportionaliteit is ten tijde van de beoordeling van de opheffing van de ongewenstverklaring evident onjuist gehanteerd, zo betoogt verweerder in zijn antwoord van 28 september 2011 op de hiervoor genoemde brief van 9 september 2011.

Immers, uit het relevante beleid volgt dat de term ‘duurzaam’ inhoudt dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit (in dit geval het besluit tot opheffing van de ongewenstverklaring) wordt genomen, al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste asielaanvraag. In het geval van eiser was de periode van tien jaar nog niet verstreken.

Voorts voldoet eiser, aldus verweerder, evident niet aan het beleidsonderdeel dat de vreemdeling aannemelijk moet hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst, ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht, niet mogelijk is. Eiser heeft immers niet aangetoond dat hij niet zou kunnen terugkeren naar Duitsland, waar hij op enig moment verblijf heeft gehad en waar behandeling van eiser eveneens mogelijk is.

19. Vervolgens overweegt de rechtbank dat ook al zou verweerder gevolgd moeten worden in het standpunt dat de opheffing van de ongewenstverklaring op een abuis berust, dit niet betekent dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van een medische behandeling het duurzaamheidsaspect in het kader van een belangenafweging niet opnieuw dient te beoordelen. Ten aanzien van dat duurzaamheidsaspect overweegt de rechtbank vervolgens dat de termijn van 10 jaren berust op een door verweerder gevoerd beleid. Van een dergelijk beleid kan worden afgeweken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Niet valt in te zien dat dus niet ook reeds voor het verstrijken van die termijn van 10 jaren kan worden geconcludeerd dat er geen zicht bestaat op verandering van de situatie binnen afzienbare tijd. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juni 2010 (LJN: BN0220) ziet de rechtbank geen reden tot een andere conclusie te komen. In die uitspraak verwijst de Afdeling naar een brief inzake de toepassing van art. 1F Vluchtelingenverdrag aan de Tweede Kamer van

9 juni 2008 (TK 2007/08, 31200 VI, 160, blz. 5, ve08001021) waarin de minister en de staatssecretaris van Justitie hebben gesteld dat het gezien de bijzondere ernst van de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag redelijk is om bij de invulling van de uit de Afdelingsuitspraak van 18 juli 2007 («JV» 2007/392) afkomstige term ‘een groot aantal jaren’ in beginsel uit te gaan van een termijn van tenminste tien jaren) en dat de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets aldus een voldoende waarborg biedt dat een vreemdeling aan wie artikel 1F is tegengeworpen en die wegens artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet, niet kan komen te verkeren in een uitzonderlijke humanitaire situatie. Mede in het licht hiervan, biedt, aldus de Afdeling, “hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het door de staatssecretaris ter invulling van de term ‘een groot aantal jaren’ gevoerde beleid kennelijk onredelijk is en dat reeds een periode van vijf jaren als ‘een groot aantal jaren’ zou moeten worden aangemerkt”. A contrario redenerend kan hieruit eveneens worden afgeleid dat het niet zonder meer voor de hand liggend is dat in het geval van andere - minder ernstige - misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen andere termijn dan 10 jaren gehanteerd kan worden. In dit verband ziet de rechtbank nog aanleiding op te merken dat het verlenen van uitstel van vertrek om medische redenen op grond van het bepaalde in artikel 64 van de Vw 2000 door verweerder in feite ook beperkt is tot gevallen waarin sprake is van een tijdelijk uitzetbeletsel (in beginsel maximaal een jaar, welk jaar eiser reeds heeft gehad) en in het geval van eiser juist geen reden bestaat om aan te nemen dat vanwege zijn medische toestand slechts sprake is van een tijdelijk uitzetbeletsel.

20. Ten aanzien van de bewijslast ter zake van het wel of niet naar Duitsland kunnen vertrekken overweegt de rechtbank dat een feit blijft dat verweerder heeft besloten tot opheffing van de ongewenstverklaring van eiser. Indien verweerder derhalve al gevolgd kan worden in zijn standpunt dat hier sprake is van een kennelijke misslag brengt die misslag, resulterend in een opheffing van de ongewenstverklaring, en gelet op de in dit geval daaraan ten grondslag gelegde motivering, met zich dat de bewijslast dat eiser naar Duitsland kan vertrekken naar dezerzijds oordeel op verweerder is komen te rusten. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat eiser heeft gesteld reeds eerder een aanvraag tot hernieuwde toelating tot Duitsland te hebben ingediend, maar daarop een negatief antwoord te hebben ontvangen. Ook is, zoals hiervoor onder 14 reeds is overwogen, onbestreden gebleven het standpunt van eiser dat een poging hem uit te zetten naar Duitsland is mislukt.

21. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank vervolgens van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking kan worden gebracht voor de gevraagde verblijfsvergunning regulier. De rechtbank zal het beroep tegen dat bestreden besluit in zoverre dan ook gegrond verklaren en dat bestreden besluit in zoverre vernietigen.

22. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de procedure ter zake van het besluit van 15 maart 2011 (AWB 11/12451), een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2,5 punten toegekend (een punt voor het indienen van het beroepschrift regulier, een punt voor het verschijnen ter zitting op 30 mei 2011 en een punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 1 september 2011) met een waarde van € 437,00 per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

23. Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,-- in de zaak met nummer AWB 11/12451 dient te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2011 (AWB 11/12451) gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene,

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 1.092,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,-- volledig vergoedt:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 december 2010 (AWB 11/2097) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, voorzitter, mr. C.M. Nollen en

mr. B.J. Zippelius, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

w.g. mr. W.A. Bocken,

griffier w.g. mr.F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 maart 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.