Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7522

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2012
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
409541/FT RK 11-3529
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek toelating WSNP; eigen woning en minnelijk traject. De rechtbank weigert de verklaring ex 285 lid 1 onder f vanwege onvoldoende kwaliteit van het minnelijk traject. Verzoek niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 409541/FT-RK 11.3529

nummer verklaring: WAD0151100185

uitspraakdatum: 20 februari 2012

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoekster],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoekster,

heeft op 19 december 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is op 31 januari 2012 behandeld. De verzoekster is ter zitting verschenen en gehoord.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is het volgende naar voren gekomen.

1. Verzoekster is alleenstaand. Zij is niet gehuwd en er is geen geregistreerd partnerschap. De partner met wie zij samenwoonde heeft haar in 2006 verlaten. Hij zou in Zwitserland verblijven. Verzoekster heeft vergeefs getracht zijn woon- of verblijfplaats te achterhalen. Verzoekster en haar voormalige partner hebben samen een kind van inmiddels 14 jaar. Het kind verblijft bij de moeder.

2. Verzoekster heeft een full time baan. Verzoekster heeft financiële problemen gekregen nadat haar partner haar verlaten heeft.

3. Blijkens de bij het toelatingsverzoek bijgevoegde Vtlb berekening is het inkomen incl. vakantiegeld € 2.207,16 en is het vrij te laten bedrag inclusief te reserveren vakantiegeld € 1,788,17. In de Vtlb berekening is voor woonkosten een bedrag voor hypotheekrente, erfpacht en bijdrage VvE opgevoerd en is een bedrag ad € 366,35 opgenomen als woonkosten boven de maximale huurtoeslag. In de berekening van het inkomen is een belastingteruggaaf opgenomen.

4. Verzoekster en haar voormalige partner hebben in 2001 een woning gekocht, gefinancierd met een hypothecaire lening. In 2005 hebben zij, met onderzetting van de woning middels een tweede hypotheek aanvullende leningen opgenomen. De leningen waarvoor hypotheek is verleend bedragen heden per saldo € 233.407,66.

5. Als schuldpositie geeft verzoekster € 93.886,53 op. Hierin zijn begrepen de achterstand op de rente en aflossing van de eerste hypotheek ad € 23.438,20, de totale schuld aan de tweede hypotheeknemer ad € 52.309,44 alsmede de overige schulden.

6. In het minnelijk traject is aan de eerste hypotheekhouder een aanbod gedaan voor een percentage van de achterstallige rente en aflossing, aan de tweede hypotheekhouder een aanbod voor een percentage van de totale vordering en aan de overige schuldeisers eveneens een aanbod voor een percentage van de totale vordering. In het overzicht van de schulden zijn de hypotheeknemers als preferente crediteuren aangemerkt.

7. In de toelichting op het minnelijk aanbod wordt beargumenteerd aangegeven dat bij vrije verkoop de opbrengst van de woning aanzienlijk minder zal zijn dan de vordering van de eerste hypotheeknemer. Bovendien wordt aangegeven dat vrije verkoop van de woning op grote problemen en juridische kosten stuit omdat de handtekening van de voormalige partner van verzoekster is vereist.

8. Bij het aanbod wordt een nadere toelichting gegeven welke de rechtbank zo verstaat dat bij acceptatie van het aanbod de resterende financiële mogelijkheden van verzoekster haar in staat stellen te blijven wonen in haar huidige woning. In het aanbod is daarom geformuleerd dat bij acceptatie de schuldeisers moeten afzien van hun verhaalsmogelijkheden op het in de woning aanwezige onverdeelde deel dat eigendom is van de voormalige partner van verzoekster.

9. Verzoekster geeft desgevraagd aan dat zij niet getracht heeft goedkopere woonruimte te vinden. Zij heeft het huis wel te koop gezet, maar de problematiek van het gedeelde eigendom en de onbereikbaarheid van haar mede-eigenaar verhindert de verkoop.

10. De schuldhulpverlener geeft aan dat het aanbod niet door alle schuldeisers is geaccepteerd en dat daarom het minnelijk traject is mislukt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals blijkt uit de totstandkominggeschiedenis van art. 285 lid 1, onder f Faillissementswet heeft de wetgever het van belang geacht (i) dat voorafgaande aan de wettelijke schuldsanering eerst een buitengerechtelijke schuldregeling wordt beproefd, (ii) dat bij een daarop volgend verzoek tot schuldsanering, een verklaring wordt overgelegd als omschreven in artikel. 285 lid 1, onder f, en (iii) dat deze verklaring een betrouwbaar kompas vormt voor de rechter bij de beoordeling of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd.

De huidige wettelijke regeling stelt geen imperatieve eisen aan de kwaliteit van het aanbod tot een buitengerechtelijke schuldregeling (hierna: het aanbod). Dat wil echter niet zeggen dat in de fase voorafgaand aan het wettelijk traject een volstrekte vrijheid heerst (Kamerstukken 11 2005-2006, 29 942, nr. 7, blz. 42). In het minnelijk traject moet de schuldenaar werkelijk zijn best gedaan hebben om met zijn schuldeisers tot een regeling te komen voor zijn schulden

(Kamerstukken 11 2005-2006, 29 942, nr.7, blz. 18) en moet uitputtend zijn onderzocht of tussen schuldeisers en schuldenaar een minnelijke schikking kan worden getroffen (Kamerstukken 11 2005-2006,29 942, nr.7, blz.28).

Dat daarbij grote waarde moet worden toegekend aan de mate waarin de rechtbank op de kwaliteit van het minnelijk traject moet kunnen vertrouwen, blijkt uit de toevoeging dat de verklarende instantie een eigen onderzoek moet doen naar de kwaliteit van het minnelijk traject als de instantie die de verklaring als omschreven in art. 285 lid1 onder f aflegt, een andere is dan die welke de schuldhulpverlening uitvoert. (Kamerstukken 11 2005-2006, 29 942, nr. 7, blz.. 43). Bovendien kan de rechtbank de verklaring weigeren indien de verklaring naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende met redenen is omkleed (Kamerstukken 11 1997/1998,25 672 nr.2 resp. nr.3 pag.4).

De rechtbank verstaat onder de kwaliteit van het aanbod onder meer dat de schuldenaar in zijn aanbod recht doet aan de juridische positie van de onderscheidenlijke schuldeisers, zoals dit geldt in het traject van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuldeisers dienen in verhouding tot elkaar niet anders te worden aangeboden dan zij mogen verwachten bij een uitkering krachtens het wettelijk traject. Is dit niet het geval, dan mag op voorhand niet verwacht worden dat de schuldeisers die zich geen recht gedaan voelen, zullen instemmen met het aanbod. In dat geval is het aan de schuldenaar om aan te geven (i) waarom in het aanbod een andere verdeling wordt gehanteerd dan in het wettelijk traject aan de orde zou zijn en (ii) waarom van hem geen ander aanbod verwacht mag worden. Laat de schuldenaar dit na of is zijn toelichting onvoldoende, dan is er geen sprake van een uitputtend onderzoek om met de schuldeisers tot een regeling te komen. Wanneer uit de stukken dan wel het behandelde ter zitting blijkt dat dit het geval is, zal de rechtbank de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Faillissementswet dienen te weigeren.

De rechtbank begrijpt het aanbod dat verzoekster haar schuldeisers heeft gedaan aldus dat verzoekster zich voorneemt om te blijven wonen in haar koopwoning. Zij heeft in het aanbod haar betalingscapaciteit zodanig geformuleerd dat zij opkomende rente en aflossingsverplichtingen aan de eerste hypotheekhouder kan blijven voldoen. Zij biedt daarnaast de hypotheeknemers het dubbele aan van wat zij de overige schuldeisers aanbiedt.

Op de woning van verzoekster rust een tweede hypotheek. De eerste hypotheeknemer heeft op verzoekster een vordering wegens achterstallige betaling en tenslotte verhoogt verzoekster zelf het haar toekomende vrij te laten bedrag met woonkosten boven de maximale huurtoeslag. In haar aanbod houdt verzoekster geen rekening met de uitgangspunten zoals deze zouden gelden wanneer zij zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het uitgangspunt van het door verzoekster gedane aanbod is in strijd met een aantal uitgangspunten van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank verwijst hiervoor (i) naar HR 13-03-2009, NJ 2009, 203 en dan met name naar het uitgangspunt dat wanneer een of meerdere van de imperatieve voorwaarden ontbreken waardoor de bewindvoerder niet van zijn in artikel 58 van de Faillissementswet gegeven bevoegdheden zal mogen afzien, de verkoop van de verhypothekeerde woning uitgangspunt dient te zijn, (ii) naar het uitgangspunt dat, als in het wettelijk traject het aanhouden van de eigen woning al aan de orde is, het dan in ieder geval zo dient te zijn dat rente en aflossing uit de hypothecaire financiering betaald moeten worden uit de schuldenaar zelf toekomende, buiten de boedel vallende inkomsten (Kamerstukken II, 1993-1994, 22 969, nr. 6, blz. 12) en (iii) naar de uitsluitend aan de rechter-commissaris toekomende bevoegdheid om onder omstandigheden gebruik te maken van de bevoegdheid om het vrij te laten bedrag op voet van artikel 295 lid 3 faillissementswet te verhogen.

De rechtbank stelt vast dat verzoekster in haar aanbod geen recht doet aan de juridische positie van de onderscheidenlijke schuldeisers, zoals dit geldt in het traject van de wettelijke schuldsanering en dat schuldeisers in verhouding tot elkaar anders wordt aangeboden dan zij mogen verwachten bij een uitkering krachtens het wettelijk traject.

Als toelichting op haar aanbod geeft verzoekster dat zij niet getracht heeft goedkopere woonruimte te vinden en dat beargumenteert zij met het argument van de mede-eigendom en de lage opbrengst bij verkoop. De rechtbank begrijpt dat zij hierin ook aanleiding ziet om het haar toekomende vrij te laten bedrag zelf te verhogen met een bedrag boven de maximale huurtoeslag.

In haar toelichting geeft verzoekster aan dat de woning in mede-eigendom is met haar voormalige partner, dat deze onvindbaar is, derhalve niet kan meewerken aan de verkoop en dat verzoekster kosten moet maken om via de rechter deze situatie te beëindigen. De rechtbank is van oordeel dat deze argumentatie in haar algemeenheid niet voldoende is om het aanhouden van de eigen woning te rechtvaardigen. Verzoekster heeft met haar partner de woning gekocht. Zij zijn niet gehuwd en er is ook geen sprake van een geregistreerd partnerschap. De gemeenschappelijke woning vormt derhalve een eenvoudige gemeenschap. Daarvoor bevat BW 3 titel 7 afdeling 1 wettelijke regelingen welke ook door verzoekster ingeroepen kunnen worden. Dat hieraan kosten zijn verbonden is op zich zelf geen reden om dit na te laten. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster deze kosten niet kan financieren dan wel getracht heeft elders hiervoor financiering te verkrijgen.

Verzoekster heeft bovendien aangegeven dat bij verkoop de woning veel minder zal opbrengen dan de vordering van de hypotheeknemer groot is en - zo verstaat de rechtbank dit argument- de schuldpositie van verzoekster hierdoor bij verkoop zal toenemen, mede ten detrimente van de overige schuldeisers. De rechtbank stelt vast dat deze argumentatie niet in overeenstemming is met de wettelijke regeling. Verzoekster miskent hiermee dat de wettelijke schuldsaneringsregeling een juridische (sanerings- en liquidatie)procedure is (Kamerstukken 11, 2005-2006, 29 942, nr.7 blz.15). De wettelijke schuldsaneringsregeling gaat uit van een vereffening en tegeldemaking van de tot de boedel behorende goederen voor zover daaromtrent in de uitspraak of door de rechter commissaris niet anders is bepaald (vgl. Wessels Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen nr.9340).

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat nu verzoekster niet actief op zoek is geweest naar andere huisvesting om zo haar woonlasten te verminderen en de redenen waarom het voor haar onmogelijk is om de woning te verkopen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zijn om het aanhouden van de woning te rechtvaardigen, het niet aannemelijk is dat, wanneer verzoekster zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, de rechter-commissaris op voet van artikel 295 lid 3 het vrij te laten bedrag zal verhogen met de extra woonlasten.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekster in haar aanbod om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling geen recht heeft gedaan aan de juridische positie van de onderscheidenlijke schuldeisers zoals dit geldt in het traject van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarbij heeft zij niet dan wel onvoldoende aangetoond waarom het aanbod hiervan afwijkt noch waarom van haar geen ander aanbod verwacht mag worden. Op grond daarvan komt de rechtbank tot het oordeel dat verzoekster in onvoldoende mate heeft getracht een deugdelijke minnelijke regeling te treffen en beschouwt zij de door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Waddinxveen verstrekte verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldsaneringsregeling te komen als niet verstrekt.

Zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs een volledig pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen kan de regeling niet van toepassing worden verklaard (Kamerstukken 1997/1998, 25672, nr.3 pag. 4.)

Verzoekster dient derhalve niet ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Gewezen door mr. C.M. Roskam en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2012 in tegenwoordigheid van B.J. van der Sterre, griffier.

De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

wsnp vonnis niet-ontvankelijk