Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7215

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/11895 en AWB 11/12411
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder heeft eiser zich schuldig gemaakt aan ernstige niet-politieke misdrijven (drugshandel en poging tot moord) op grond waarvan hij is uitgesloten van de toepasselijkheid van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder heeft de grootschalige drugshandel waarvoor eiser in Libanon tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, een internationale component, nu de in Libanon gekweekte drugs worden verhandeld over de hele wereld. De handel heeft daardoor een grote impact op diverse samenlevingen, gelet op het feit dat drugs een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Bovendien bestrijken de drugsdelicten waarvoor eiser is veroordeeld een periode van meerdere jaren en aldus sprake is van recidive, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerders betoog aangaande de aard, ernst en de omvang van de gepleegde drugsdelicten niet wordt ondersteund door de bij de rechtbank voorhanden zijnde stukken, waaronder zich stukken bevinden waarvan alleen de rechtbank kennis heeft mogen nemen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting niet nader kunnen onderbouwen waarop het standpunt van verweerder is gebaseerd dat sprake is geweest van grootschalige drugshandel. Dat eiser voor drugsdelicten uiteindelijk tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, maakt op zichzelf zonder nadere toelichting niet dat aangenomen moet worden dat sprake is geweest van ernstige misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft immers niet onderbouwd dat de in Libanon voor drugsdelicten gehanteerde strafmaat bijvoorbeeld vergelijkbaar is met die in Nederland of anderszins onderbouwd waaruit die aard, ernst en omvang zijn gebleken. Hierbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat de veroordeling wegens poging tot moord voor verweerder kennelijk niet van doorslaggevende betekenis is geweest bij de tegenwerping van artikel 1F en ook in zoverre niet afdoende is gemotiveerd dat sprake is van ernstige misdrijven die moeten leiden tot tegenwerping van deze verdragsbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11 / 11895 en AWB 11 / 12411

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2012 in de zaak tussen

[eisers], hierna gezamenlijk te noemen eisers, (gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij separate besluiten van 17 maart 2011 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door de meervoudige kamer van de rechtbank op 23 november 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. J.E.J. ten Berg. Als tolk was aanwezig H. Benkrita.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op 15 februari 1979, en eiseres, geboren op 1 januari 1977, zijn afkomstig uit Libanon. Eiser heeft op 2 juni 2002 een asielaanvraag ingediend. Eiseres, die met eiser gehuwd is, heeft – samen met haar twee oudste kinderen – op 31 juli 2004 asiel gevraagd.

2. Het asielrelaas van eiser luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3. Eiser is lid van de [naam] clan uit de [plaatsnaam]-vallei. Wijlen eisers vader was tot aan zijn dood clanoudste. Hij is in 1991 om het leven gebracht door de rivaliserende [naam 2] clan. De reden hiervoor is dat hij een partij had opgericht – de [naam 3] – die zich als doel had gesteld om moslims en christenen vreedzaam naast elkaar te laten leven. Een dergelijke beweging was de [naam 2] clan niet welgevallig. Deze clan bestaat namelijk uit fanatieke moslims en heeft sterke banden met de islamitische Hezbollah beweging.

Jaren later, in 2002, is de broer van eiser om het leven gebracht, eveneens door iemand van de [naam 2] clan. Eisers broer bereidde zich in die tijd voor om het nieuwe clanhoofd te worden en was daardoor in de negatieve belangstelling komen te staan. Het was niet eisers bedoeling dat hij vervolgens het nieuwe clanhoofd zou worden, maar de Hezbollah verdacht hem wel van die intentie. Daarom is in april 2003 een fatwa tegen hem uitgesproken door sheikh Yazbak van Hezbollah. Eisers clan heeft met deze fatwa ingestemd. Dit is voor eiser de reden geweest om naar Nederland te vluchten. Eiseres is aanvankelijk in Libanon achtergebleven maar heeft zich door de fatwa tegen eiser uiteindelijk ook genoodzaakt gezien om te vluchten.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Volgens verweerder zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F, onder b, van het Vluchtelingenverdrag, waardoor dit verdrag niet op hem van toepassing is. Evenmin kan eiser daardoor ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) een verblijfsvergunning worden verleend op de voet van de onderdelen b, c en d, van het eerste lid, van artikel 29 van de Vw 2000. Wel stelt verweerder vast dat eiser thans niet kan worden uitgezet naar Libanon, omdat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich daartegen verzet. Eiser heeft namelijk – door middel van een artikel in de krant As Sari van 7 april 2003 - aannemelijk gemaakt dat een fatwa tegen hem is uitgesproken. Artikel 3 van het EVRM staat echter niet in de weg aan de weigering van de verblijfsvergunning, nu er nog geen sprake is van een situatie waarin dit artikel zich duurzaam tegen uitzetting verzet.

5. Verweerder baseert de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op informatie uit een op zijn verzoek door de minister van Buitenlandse Zaken opgesteld individueel ambtsbericht. Uit dit ambtsbericht blijkt dat sprake is van een aantal strafrechtelijke veroordelingen in het land van herkomst van eiser. Op 15 juli 1999 is eiser veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens drugshandel. Op 9 december 2003 is eiser andermaal veroordeeld wegens drugshandel; het betreft een veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf. Tussentijds is eiser op 18 september 2002 veroordeeld tot levenslang wegens poging tot moord. Volgens verweerder betreft het hier ernstige, niet-politieke misdrijven.

6. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Hij betwist dat sprake is van het plegen van de genoemde strafbare feiten. Eiser heeft de bij verstek gewezen vonnissen nooit ontvangen. Van een tegenwerping van artikel 1F kan reeds hierom geen sprake zijn, aldus eiser. Verweerder heeft derhalve ten onrechte geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning op een van de gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

7. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

8. Allereerst overweegt de rechtbank dat zij onvoldoende reden ziet om te concluderen dat eisers, zoals door zijn gemachtigde ter zitting is betoogd, vanwege de te late beantwoording door verweerder van door de rechtbank bij brief van 6 oktober 2011 gestelde vragen als ook de late indiening van het verweerschrift in hun processuele belangen zijn geschaad, althans zodanig dat dit had moeten leiden tot buiten beoordeling laten van de antwoordbrief van verweerder van 10 november 2011 en het verweerschrift van

21 november 2011. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de brief van

10 november 2011 dateert van voor de in artikel 8:58 van de Awb gestelde 10-dagentermijn en eisers eveneens op die datum nog stukken hebben ingediend. Verder zou de inhoud van die schriftelijke stukken ook zonder inzending daarvan aan de orde hebben kunnen komen tijdens de mondelinge behandeling van de beroepen ter zitting. Die inhoud is verder ook niet van dien aard dat er sprake is van geheel nieuwe standpunten of standpunten met een dergelijke strekking dat eisers gemachtigde hierop niet zou kunnen of heeft kunnen reageren zonder voorbereiding.

9. Vervolgens overweegt de rechtbank inhoudelijk als volgt.

10. Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. (..)

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. (..).

11. In onderdeel C4/3.11.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is ten aanzien van onderdeel b van artikel 1F – voor zover relevant in de zaak van eiser – verder beleidsmatig het volgende opgenomen:

“ad b.

Ernstige niet-politieke misdrijven

Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Uitgangspunt bij het bepalen of er sprake is van een ernstig misdrijf is dat de internationale bescherming als vluchteling slechts dient te worden onthouden aan personen die deze bescherming evident onwaardig zijn op grond van de door hen gepleegde misdrijven.

Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt het politieke element van het misdrijf afgewogen tegen het commuun element ervan en wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit (predominantietest). Deze predominantietest wordt toegepast bij misdrijven die niet vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf of van vluchtelingschap. Gedacht kan worden aan misdrijven als mishandeling (tenzij mishandeling hier moet worden beschouwd als foltering/marteling), drugshandel, roofovervallen (in het bijzonder bij buitensporig geweldsmisbruik of slachtoffers) en brandstichting (in het bijzonder als het gevaarlijke installaties betreft of bij slachtoffers). Dergelijke misdrijven worden aangemerkt als relatieve politieke misdrijven.

Het misdrijf wordt geacht een politiek misdrijf te zijn indien:

er een direct verband bestaat tussen het door betrokkene gepleegde misdrijf en het door hem aangehaalde doel;

het door betrokkene gepleegde misdrijf een effectief middel vormde om de door hem

aangehaalde politieke doelstelling te realiseren;

betrokkene niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking stond; en

het door betrokkene gepleegde misdrijf in een redelijke verhouding staat tot het door hem

nagestreefde doel.

Absoluut niet-politieke misdrijven

De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b), ook indien de pleger zich beroept op de politieke aard van het delict:

moord, doodslag of terroristische activiteiten zoals omschreven in het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977. Het betreft hier onder meer vliegtuigkaping,aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven. Volgens het Verdrag ter bestrijding van terrorisme kan er binnen haar bereik geen sprake zijn van een politiek misdrijf;

het deelnemen aan en/of ondersteunen van terroristische activiteiten zoals omschreven in de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en 28 september 2001 inzake terrorisme. In resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en 28 september 2001inzake terrorisme is bepaald dat deelnemers aan en/of ondersteuners van terroristische activiteiten overeenkomstig (inter)nationaal recht moeten worden uitgesloten van de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag;

oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, verkrachting, foltering (inclusief het besnijden van vrouwen, zie ook C2/3), genocide, slavernij en slavenhandel;

misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap.

Bovengenoemde misdrijven worden aangemerkt als ernstige niet-politieke misdrijven, waarbij de predominantietest achterwege kan blijven.”

12. In paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 is voorts vermeld dat, teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, de ‘personal and knowing participation test’ wordt toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen.

De ‘personal and knowing participation test’ is volgens dit beleid in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikelen 25 en 27 tot en met 33). Van ‘knowing participation’ is, voor zover hier van belang, sprake, indien de betrokkene heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier ging om misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag , zonder dat hij deel uitmaakte van een orgaan of organisatie als hierboven bedoeld. Van ‘personal participation’ is, voor zover hier van belang sprake, indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat betrokkene het misdrijf als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag persoonlijk heeft gepleegd dan wel daaruit blijkt dat het misdrijf onder verantwoordelijkheid van betrokkene is gepleegd.

13. Zoals reeds overwogen, is de constatering van verweerder dat sprake is van strafrechtelijke veroordelingen in het land van herkomst van eiser, gebaseerd op een individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken.

Het betreft een bericht van 16 augustus 2004 met kenmerking DPV/AM-U040130.0074), dat op 18 februari 2008 is aangevuld. Bij brief van 25 mei 2011 heeft de rechtbank de minister van Buitenlandse Zaken gevraagd om alle onderliggende stukken van deze individuele ambtsberichten over te leggen. Bij brief van 20 juni 2011 zijn de gevraagde stukken overgelegd. Daarbij is namens de minister kenbaar gemaakt dat om gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:28, eerste lid, van de Awb kennisneming van de onderliggende stukken beperkt dient te blijven tot de rechtbank.

14. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 juli 2011 de beperking van de kennisneming van de onderliggende stukken tot de rechtbank gerechtvaardigd geacht. Nadien hebben partijen de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven om mede op grondslag van de voornoemde stukken uitspraak te doen.

15. De rechtbank is na inzage van de desbetreffende onderliggende stukken – vervolgens van oordeel dat de door eiser aangevoerde gronden geen concrete aanknopingspunten vormen voor twijfel aan de zorgvuldige totstandkoming en aan de juistheid en volledigheid van de individuele ambtsberichten. Eiser heeft met name geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat niet kan worden uitgegaan van de veroordelingen van eiser zoals die zijn weergegeven in rechtsoverweging 5. Dat, zoals eiser heeft betoogd, sprake is geweest van een showproces, is niet onderbouwd. De gestelde omstandigheid dat eiser de vonnissen niet zou te hebben ontvangen, doet derhalve evenmin af aan die veroordelingen als zodanig.

16. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of de aan de betreffende veroordelingen ten grondslag liggende misdrijven kunnen worden aangemerkt als ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het van het Vluchtelingenverdrag.

17. Verweerder heeft, zo heeft eisers gemachtigde ter zitting betoogd, bij zijn standpuntbepaling dat sprake is van ernstige misdrijven in de hier bedoelde zin, aangesloten bij internationale standaarden en van belang geacht dat drugshandel internationaal wordt aangemerkt als een ernstig misdrijf. De grootschalige drugshandel waarvoor eiser is veroordeeld, heeft een internationale component, nu de in Libanon gekweekte drugs wordt verhandeld over de hele wereld. De handel heeft daardoor een grote impact op diverse samenlevingen, gelet op het feit dat drugs een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Bovendien bestrijken de drugsdelicten waarvoor eiser is veroordeeld een periode van meerdere jaren en aldus sprake is van recidive, aldus verweerders gemachtigde ter zitting.

Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde ter zitting opgemerkt dat de essentie voor de besluitvorming ten aanzien van de toepassing van artikel 1F is gelegen in de door eiser gepleegde drugsmisdrijven.

18. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerders betoog aangaande de aard, ernst en de omvang van de gepleegde drugsdelicten niet wordt ondersteund door de bij de rechtbank voorhanden zijnde stukken, waaronder zich bevinden de stukken waarvan alleen de rechtbank kennis heeft mogen nemen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting niet nader kunnen onderbouwen waarop het standpunt van verweerder is gebaseerd dat sprake is geweest van grootschalige drugshandel.

Dat eiser voor drugsdelicten uiteindelijk tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, maakt op zichzelf zonder nadere toelichting immers niet dat aangenomen moet worden dat sprake is geweest van ernstige misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft immers niet onderbouwd dat de in Libanon voor drugsdelicten gehanteerde strafmaat bijvoorbeeld vergelijkbaar is met die in Nederland of anderszins onderbouwd waaruit die aard, ernst en omvang zijn gebleken. Hierbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat de veroordeling wegens poging tot moord voor verweerder kennelijk niet van doorslaggevende betekenis is geweest bij de tegenwerping van artikel 1F en ook in zoverre niet afdoende is gemotiveerd dat sprake is van ernstige misdrijven die moeten leiden tot tegenwerping van deze verdragsbepaling.

19. Gelet op het onder 18 overwogene, lijdt het aan eiser gerichte bestreden besluit reeds aan een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het beroep tegen dit besluit dan ook gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigen. Nu de zaak van eiseres inhoudelijk samenhangt met die van eiser, zal de rechtbank het beroep van eiseres eveneens gegrond verklaren en ook het aan eiseres gerichte besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigen. De rechtbank zal voorts, gelet op de duur van de procedure sedert de indiening van de aanvragen, verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak.

20. De rechtbank ziet verder aanleiding verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in deze samenhangende zaken worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 437,00 per punt. Het gewicht van de zaken wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van verweerder;

- bepaalt dat verweerder binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van deze procedures tot een bedrag van € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan de griffier van de rechtbank, zittingsplaats Roermond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, voorzitter, mr. M.C.M. Hamer en

mr. B.J. Zippelius, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2012.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 februari 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.