Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6901

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
AWB 12/1101
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening inzake omgevingsvergunningen die door verweerder zijn verleend ten behoeve van het kappen van 17 en het verplanten van 22 bomen op het Morspoortterrein in Leiden. De kap en verplaatsing van de bomen is nodig voor de bouw van een parkeergarage. Verweerder heeft de belangen die zijn gemoeid met het kappen en verplanten van de bomen zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoekers bij behoud van de bomen. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunningen noodzakelijk zijn voor realisering van het gehele project. In aanmerking wordt genomen dat verweerder zich er rekenschap van heeft gegeven dat de realisering van de garage ten koste zal gaan van (veel) groen, maar dat door aan de omgevingsvergunningen een herplantplicht te verbinden het verlies van de bomen in voldoende mate zal worden gecompenseerd. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1101

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

( 1 ). [verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4] en [verzoeker 5], allen wonende te Leiden, verzoekers,

( 2 ). Wijkvereniging Transvaal Leiden, gevestigd te Leiden, verzoekster,

gemachtigde van verzoekers en verzoekster: mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen, advocaat te Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011, verzonden op 23 december 2011, heeft verweerder met toepassing van artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan de gemeente Leiden een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het kappen van 13 bomen en het verplanten van 19 bomen van diverse soorten ter plaatse van het zogenoemde Morspoortterrein te Leiden ten behoeve van het realiseren van een parkeergarage.

Bij besluit van 4 januari 2012, verzonden op 13 januari 2012, heeft verweerder met toepassing van artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo aan de gemeente Leiden een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het kappen van 4 bomen en het verplaatsen van 3 bomen ter plaatse van het Morspoortterrein ten behoeve van het omleggen van het fietspad /inrichten van de openbare ruimte rondom de parkeergarage.

Tegen die besluiten hebben verzoekers en verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 8 februari 2012 hebben verzoekers en verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij besluit van 14 februari 2012, verzonden op 15 februari 2012, een omgevingsvergunning voor de bouw van een tijdelijke parkeergarage op de locatie Morssingel hoek Bloemfonteinstraat verleend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het verzoek is op 17 februari 2012 ter zitting behandeld. Van verzoekster is ter zitting verschenen [voorzitter wijkvereniging], voorzitter van Wijkvereniging Transvaal Leiden, en van verzoekers is verschenen [verzoeker 3], bijgestaan door hun gemachtigde mr. J. Hemelaar. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. D.S.P. Roelands-Fransen, [B] en [C].

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers en verzoekster hun grief ten aanzien van de eigendomssituatie van de gronden waarop de bomen staan ter zitting hebben laten vallen. Deze grief behoeft derhalve geen bespreking meer.

Het Morspoortterrein is het gebied gelegen tussen de Morssingel, Bloemfonteinstraat, Jan

C. Smutsstraat, de bebouwing aan de Paul Krugerstraat en de Morsweg, inclusief het terrein van de marechaussee. Aan de Morsweg ter plaatse van het Morspoortterrein wil de gemeente Leiden een parkeergarage (in demontabele systeembouw) bouwen. Op het grondgebied bevinden zich op dit moment grote en soms waardevolle bomen waarvan enkele zullen moeten wijken. Aan de hand van een bomeninventarisatie is bekeken welke bomen geschikt zijn om te verplaatsen en welke bomen - gelet op leeftijd en levensverwachting - gekapt moeten worden. Uitgangspunt is om de bomen zoveel mogelijk te handhaven (langs de rand van het terrein) dan wel te verplaatsen.

Bij besluit van 7 januari 2010 heeft de raad van de gemeente Leiden het bestemmingsplan "Transvaal" vastgesteld. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het gebied "Transvaal". Daarnaast wordt een parkeergarage mogelijk gemaakt aan de Morsweg ter plaatse van het Morspoortterrein. Het plangebied bevindt zich ten westen van het centrum van Leiden en wordt aan de noordwestelijke zijde begrensd door de spoorlijn, aan de noordoostzijde door de Morssingel en aan de zuid- en oostzijde door de Rijn en het Galgewater.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoekers als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 7:1, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan alleen een belanghebbende bezwaar maken, respectievelijk beroep instellen tegen een besluit.

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient er sprake te zijn van een voldoende objectief bepaalbaar eigen, persoonlijk belang dat een betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Verzoekers zijn allen wonende aan de Morsweg te Leiden en hebben vanuit hun woningen direct zicht op de te kappen en de te verplanten bomen. Gelet daarop zijn zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken. Zij zijn dus ontvankelijk in hun bezwaar en hun verzoek om voorlopige voorziening.

Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verzoekster als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde belangen zodanig samenhangen met de primaire besluiten, dat deze daarbij rechtstreeks zijn betrokken. Gelet daarop dient verzoekster als belanghebbende te worden aangemerkt. Zij is dus eveneens ontvankelijk in haar bezwaar en haar verzoek om voorlopige voorziening.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo geldt voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project - voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat - uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Van toepassing is de Bomenverordening 1996 van de gemeente Leiden (hierna: de Verordening).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een boom of houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van: ( a ). natuur- en milieuwaarden; ( b ). landschappelijke waarden; ( c ). cultuurhistorische waarden; ( d ). waarden van stadsschoon; ( e ). waarden voor recreatie en leefbaarheid; ( f ). dendrologische (boomkundige) waarden; ( g ). kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte door het verplaatsen of verwijderen van bomen of houtopstanden.

Uit artikel 5, tweede lid, van de Verordening vloeit voort dat een omgevingsvergunning slechts kan worden geweigerd indien een van de in dit artikellid bedoelde weigeringsgronden zich voordoet. Indien zich een weigeringsgrond voordoet dient het daarmee verbonden belang te worden afgewogen tegen de andere belangen die zijn betrokken bij het besluit omtrent het al dan niet verlenen van een kapvergunning. Aan verweerder komt daarbij beleidsvrijheid toe. De voorzieningenrechter dient een dergelijk besluit dan ook terughoudend te toetsen.

Op grond van artikel 9 van de Verordening vervalt de vergunning, indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na het onherroepelijk worden daarvan gebruik is gemaakt.

De verleende omgevingsvergunningen zien op het kappen van in totaal 17 bomen en het verplanten van in totaal 22 bomen binnen het plangebied "Morspoortterrein" te Leiden.

De kap en verplaatsing van de bomen is nodig voor de bouw van een parkeergarage. Aan de verleende omgevingsvergunningen heeft verweerder diverse voorwaarden verbonden, waaronder, dat van de omgevingsvergunningen geen gebruik mag worden gemaakt in het broedseizoen voor vogels van 15 maart tot 15 juli, dat voor de vervangende aanplant van de gekapte bomen als borgstelling voor de herplant een bedrag van € 21.938,- in het gemeentelijk Bomenfonds moet worden gestort en dat ter compensatie van de vier te kappen Tilia's (langs de weg) in het eerst komende plantseizoen direct volgend op de verlening van de vergunning, vier bomen van een nog nader te bepalen soort in de directe omgeving moeten worden herplant. Op grond van artikel 6:1, tweede lid, van de Wabo treedt het besluit verzonden op 23 december 2011 in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Awb, voor het indienen van een bezwaarschrift. Verder mag vergunninghouder gedurende een periode van 6 weken na bekendmaking van de omgevingsvergunning, verzonden op 13 januari 2012, daarvan geen gebruik maken.

Verzoekers en verzoekster (hierna: verzoekers) kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten. De voorzieningenrechter zal in het navolgende ingaan op de door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunningen.

Voorop wordt gesteld dat verweerder bij besluit van 14 februari 2012 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van een tijdelijke parkeergarage op de locatie Morssingel hoek Bloemfonteinstraat. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat deze vergunning op 15 februari 2012 aan de aanvrager is verzonden en derhalve op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Anders dan verzoekers ziet de voorzieningenrechter geen reden aan de juistheid hiervan te twijfelen.

Verzoekers hebben - samengevat - betoogd dat indien de bezwaren tegen de bouw van de parkeergarage, waarvoor de bomen zouden moeten wijken, gegrond zullen blijken onherstelbare schade zal worden aangericht aan de bomen en het groen op de bewuste locatie. Het college heeft in 2009/2010 zonder voorbehoud toegezegd niet met de kap van bomen te zullen beginnen zolang de bouwvergunning nog niet onherroepelijk zou zijn. Bij brief van 16 januari 2012 heeft verweerder verzoekers laten weten dat de toezegging niet zal worden nagekomen. Bij brief van 7 februari 2012 kondigt de gemeente aan volgende week te gaan beginnen met de kap. Verzoekers voeren aan dat zij hun zienswijze met betrekking tot de aanvraag niet naar voren hebben kunnen brengen.

Ter zitting is van de zijde van verweerder nader toegelicht dat de aanvragen voor de nieuwe kap- en verplantvergunningen beoordeeld zijn met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden die op dat moment golden. Ten tijde van de eerdere aanvraag van de kapvergunning voor 36 bomen op het Morspoortterrein was het bestemmingsplan "Transvaal" nog niet vastgesteld. Hierdoor was onduidelijk of een parkeergarage op het Morspoortterrein planologisch aanvaardbaar was. Aan de kapvergunning is toentertijd derhalve de voorwaarde verbonden dat pas gebruik gemaakt mocht worden van de kapvergunning, als de bouwvergunning voor de parkeergarage onherroepelijk was. Door het uitblijven van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) inzake de beroepen tegen het bestemmingsplan "Transvaal" is niet binnen een jaar na het onherroepelijk zijn gebruik gemaakt van de kapvergunning. De kapvergunning en de daaraan verbonden toezegging is hierdoor komen te vervallen. Na de behandeling van de beroepen door de Afdeling is voor het kappen en verplanten van de bomen op het Morspoortterrein een nieuwe kap- en verplantvergunning aangevraagd. De nieuwe kap- en verplantvergunning is op 23 december 2011 gepubliceerd in de Stadskrant.

De Afdeling heeft op 16 november 2011, LJN: BU4554, de beroepen tegen het bestemmingsplan "Transvaal" ongegrond verklaard. Hierdoor staat onherroepelijk vast dat een parkeergarage op het Morspoortterrein planologisch aanvaardbaar is en gerealiseerd kan worden. Nut en noodzaak van de parkeergarage staan daarmee vast.

Verweerder heeft te kennen gegeven dat hoewel het te betreuren valt dat verzoekers geen zienswijzen hebben kunnen indienen tegen de aanvraag van de omgevingsvergunningen verleend ten behoeve van het kappen en het verplaatsen van de bomen, zij daartegen wel hun bezwaren kenbaar hebben kunnen maken. De door verzoekers tegen de omgevingsvergunningen ingediende bezwaren zouden volgens verweerder niet tot een andere besluitvorming hebben geleid en zullen ook in de bezwaarprocedure niet tot een andere uitkomst leiden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niets aan de bouw van de parkeergarage in de weg staat. De kap- en herplantvergunningen zijn bovendien op goede gronden afgegeven, aldus verweerder.

De voorzieningenrechter overweegt dat de omstandigheid dat de besluitvorming ter zake de oprichting van de parkeergarage nog niet is afgerond, op zich zelf geen beletsel behoeft te vormen voor het kappen van de bomen. Wel zal dan moeten blijken dat i) de kans groot is dat de garage op de litigieuze perceel zal worden geplaatst, ii) aannemelijk is dat door plaatsing van de garage de geselecteerde bomen op het perceel moeten wijken en iii) dat langer wachten met kappen voor verweerder bezwaarlijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan deze eisen is voldaan. Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat het geldende en onherroepelijke bestemmingspan "Transvaal" het Morspoortterrein de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "parkeergarage" heeft gekregen, waarmee de komst van een parkeergarage op dit perceel zo goed als vast staat. Daarnaast is op 14 februari 2012 de omgevingsvergunning voor de bouw van de garage afgegeven. Ofschoon aan verzoekers kan worden toegeven dat er nog discussie kan ontstaan omtrent de exacte contouren van de garage en de welstandsvereisten, mag aangenomen worden dat dit de komst van de garage uiteindelijk niet zal verhinderen. Daarmee lijkt ook het lot van de geselecteerde bomen bezegeld, nu deze bomen afwel op de locatie van de beoogde parkeergarage staan, ofwel op of bij de route van het te verleggen fietspad staan. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen 15 maart tot 15 juli niet mag worden gekapt in verband met het broedseizoen. Dit betekent dat indien verweerder thans niet tot kap overgaat, de geplande bouw van de parkeergarage in de zomer geen doorgang kan vinden. Dat verweerder belang heeft bij spoedige plaatsing van de parkeergarage kan reeds worden opgemaakt uit het feit dat deze locatie als zodanig is bestemd.

De stelling van verzoekers dat verweerder zou hebben toegezegd niet te kappen totdat de bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) voor de parkeergarage onherroepelijk was, staat uitvoering van het kapbesluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de weg. Voornoemde toezegging is afgegeven naar aanleiding van de eerdere kapvergunning in 2009. Op dat moment stond nog niet vast dat het bestemmingsplan "Transvaal" ongeschonden het besluitvormingstraject zou doorlopen. Inmiddels staat het bestemmingsplan onherroepelijk vast. Deze nieuwe situatie maakt dat de destijds gedane toezegging thans geen gelding meer heeft. Evenmin bestaat er aanleiding om thans opnieuw een dergelijke voorwaarde aan de kapvergunning te verbinden.

Verzoekers stelling dat de procedure met betrekking tot de aanvragen niet helemaal zorgvuldig is geweest, kan de voorzieningenrechter tot op zekere hoogte beamen. Hierin wordt echter geen aanleiding gezien om de bestreden besluiten te schorsen. De door verweerder gegeven toelichting met betrekking tot de procedure van de aanvragen acht de voorzieningenrechter toereikend. Bovendien acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat het openstellen van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijze tot een gewijzigd besluit ter zake de kap zou hebben geleid. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat bij de aanvragen gegevens of bescheiden ontbraken die niet bij verweerder bekend konden worden geacht of anderszins essentieel waren om een goede beoordeling van de aanvragen mogelijk te maken.

Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 5, tweede lid, van de Bomenverordening is verleend, omdat de natuur- en milieuvoorwaarden worden aangetast, heeft verweerder verwezen naar de resultaten van de in opdracht van de gemeente Leiden uitgevoerde bomeninventarisatie door het onderzoeksbureau Van Jaarsveld / Van Scherpenzeel. De doelstelling daarbij was om alle bomen binnen het plangebied te inventariseren. Per boom zijn de volgende kenmerken opgenomen; ( - ) boomsoort (wetenschappelijke naam); ( -) stamdiameter; ( -) leeftijd; ( - ) huidige conditie; ( - ) kwaliteit; ( -) verplantbaarheid; ( - ) eventueel mechanische gebreken. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 24 oktober 2009. Daarin is onder meer vermeld dat het bomenbestand op het Morspoortterrein gevarieerd is en uit 66 grote en soms waardevolle bomen bestaat. Van deze bomen werden 28 bomen (42%) verplantbaar geacht en 37 bomen niet (56%). Bij brief van 1 november 2011 is door het onderzoeksbureau dat de inventarisatie in 2009 heeft uitgevoerd, aangegeven dat de inventarisatie nog altijd actueel is. Naar verweerder heeft gesteld is bij het vaststellen van het inrichtingsplan voor het Morspoortterrein als uitgangspunt genomen dat alle bomen die behouden kunnen blijven, ook behouden moeten blijven. Zo blijft onder meer de bestaande rij bomen direct naast de weg tegenover de woningen van de verzoekers aan de Morsweg behouden. Deze rij bomen zal de parkeergarage visueel afschermen. Het is dan ook niet zo dat alle bomen worden gekapt. De populier die onlangs is gekapt, betrof een noodkap vanwege de slechte staat van de boom, zo heeft verweerder onweersproken ter zitting gesteld. Ten aanzien van de cultuurhistorische waarde overweegt de voorzieningenrechter dat slechts een deel van de bomen wordt gekapt en het merendeel op deze locatie behouden blijft. Bovendien vindt in de directe omgeving herplant plaats die mogelijk bijdraagt aan het aangezicht van het Morspoortcomplex en de cultuurhistorische waarde van de Morspoort. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de natuur- en milieuvoorwaarden alsmede de cultuurhistorische waarden zodanig worden aangetast dat verweerder niet in redelijkheid tot het verlenen van de omgevingsvergunningen ten behoeve van het kappen en het verplanten van de hier in geding zijnde bomen heeft kunnen komen.

Ten aanzien van de drie te verplanten boomhazelaars, waarvan verweerder ter zitting heeft erkend dat op dit moment nog niet vaststaat dat deze drie bomen moeten wijken voor het nieuwe fietspad, heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat verplanting geen onomkeerbare gevolgen heeft. De bomen zijn voor de verplant geprepareerd en kunnen zonodig in depot geplaatst worden. Mocht de aanleg van het fietspad zo uitvallen dat de bomen kunnen worden teruggeplaatst op hun oude plek, dan zal verweerder hiervoor zorg dragen.

Dat luchtkwaliteitseisen aan het verlenen van de vergunningen in de weg zouden staan omdat sprake is van uitstoot van luchtverontreinigde stoffen, veroorzaakt door het intensieve verkeer op de Morsweg en Morssingel, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Nog daargelaten dat verzoekers hun stellingen op dit punt niet nader hebben onderbouwd, verwijst de voorzieningenrechter voor wat betreft het aspect kappen van de bomen en luchtkwaliteit op de memo van de Omgevingsdienst West-Holland van 14 februari 2012.

Volgens verweerder volgt daaruit dat de kap van deze bomen de luchtkwaliteit ter plaatse niet zal verslechteren. Het kan zelfs zo zijn dat juist door de kap van deze bomen de windsnelheid op het parkeerterrein en op de weg daarlangs toeneemt waardoor de uitlaatgassen beter worden verspreid. Hierdoor kan de luchtkwaliteit zelfs iets verbeteren.

De vraag of door het kappen van de bomen de luchtkwaliteit nadelig wordt beïnvloed valt overigens buiten het wettelijk kader waarbinnen kapvergunningen beoordeeld moeten worden. De grondslag voor de weigering dan wel verlening van de kapvergunningen is enkel gelegen in de Bomenverordening.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de belangen die zijn gemoeid met het kappen en verplanten van de bomen zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoekers bij behoud van de bomen. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunningen noodzakelijk zijn voor realisering van het gehele project. In aanmerking wordt genomen dat verweerder zich er rekenschap van heeft gegeven dat de realisering van de garage ten koste zal gaan van (veel) groen, maar dat door aan de omgevingsvergunningen een herplantplicht te verbinden het verlies van de bomen in voldoende mate zal worden gecompenseerd.

Gelet op het voorgaande geven de door verzoekers naar voren gebrachte gronden geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten zodanig gebrekkig zijn dat deze in de heroverweging niet of niet volledig in stand zullen kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, rechter, in aanwezigheid van G.J. Buitendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.