Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6759

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
410596 - KG ZA 12-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; aanbestedingsrecht, aanbesteding schoonmaakwerkzaamheden. De aanbestedende dienst kon in redelijkheid tot de conclusie komen dat eiseres, in strijd met de in het Beschrijvend Document toepasselijk verklaarde Code, niet heeft weten te onderbouwen dat de door haar gecalculeerde prestatienorm realistisch is. Reeds daarom acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de aanbestedende dienst inschrijving op goede gronden terzijde heeft gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2012/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 410596 / KG ZA 12-11

Vonnis in kort geding van 22 februari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ISS Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. S.A. Vogel te De Meern,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. H.M. Fahner te 's-Gravenhage,

waarin zijn tussengekomen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU Cleaning Services B.V.,

gevestigd te Uden,

advocaat mr. J.C. Verlinden-Bijlsma te Rotterdam,

en:

de commanditaire vennootschap,

Hectas Bedrijfsdiensten C.V.,

gevestigd te Duiven,

advocaat mr. H.J. Kastein te Zevenaar.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'ISS', 'de Belastingdienst', 'CSU' en 'Hectas'.

1. De incidenten tot tussenkomst

CSU en Hectas hebben ieder voor zich gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen ISS en de Belastingdienst. Ter zitting van 14 februari 2012 hebben ISS en de Belastingdienst verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. CSU en Hectas zijn vervolgens toegelaten als tussenkomende partijen, aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarbij voldoende belang hebben. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 februari 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Op 6 mei 2011 heeft de Belastingdienst een aankondiging verzonden voor de Europese openbare aanbesteding 'Schoonmaakdiensten en Kwaliteitscontroles'. Op de aanbesteding is het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) van toepassing. Het gunningscriterium is de 'economisch meest voordelige inschrijving'.

2.2. Doel van de aanbesteding is het sluiten van overeenkomsten met ten minste drie en ten hoogste vijf opdrachtnemers ten behoeve van schoonmaakdiensten en kwaliteitscontroles in alle locaties van de Belastingdienst in Nederland. De aanbesteding is verdeeld in vijf percelen. Perceel 1 tot en met 4 betreft de levering van schoonmaakdiensten voor de regio's Noordoost, Noordwest, Zuidoost en Zuidwest. Voor deze vier percelen geldt dat er maximaal twee percelen per inschrijver worden gegund. Perceel 5 betreft de levering van periodieke kwaliteitscontroles van de schoonmaakwerkzaamheden in de vier regio's. Een inschrijver die zich inschrijft voor perceel 5, kan zich niet inschrijven voor de percelen 1 tot en met 4 en vice versa.

2.3. De voorwaarden voor de aanbesteding zijn vastgelegd in het 'Beschrijvend document' d.d. 6 mei 2011 (hierna 'het Beschrijvend Document').

2.4. In het Beschrijvend Document is onder meer het volgende bepaald:

"De Belastingdienst hecht veel waarde aan een schone werkomgeving voor haar medewerkers. De schoonmaakdienstverlening dient duurzaam, innovatief en resultaatgericht te worden vormgegeven met daarbij voldoende aandacht voor de beleving van de gebruikers, een acceptabele werkdruk van de schoonmaakmedewerkers en een minimale verstoring van het primaire proces van de Belastingdienst."

2.5. In het Beschrijvend Document wordt van Opdrachtnemers gevraagd om zich net als de Belastingdienst, aan de Code Verantwoordelijk Marktgedrag (hierna 'de Code') te committeren. Deze code, die zich richt tot zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers ter zake van schoonmaakdiensten, heeft onder meer tot doel bij te dragen aan een acceptabele werkdruk voor de schoonmaakmedewerkers.

Paragraaf 2.3 en 2.4 van de Code bepalen voor zover relevant als volgt:

"Bedrijven baseren hun offertes op een degelijke onderbouwing en op een in de praktijk op verantwoorde en professionele wijze haalbare, aantoonbare èn controleerbare normstelling. In dat licht hanteren bedrijven realistische prijzen.

(...)

Bedrijven staan controles door opdrachtgevers op naleving van deze code toe. Daarbij gaat het in het bijzonder om het verlenen van medewerking en het verstrekken van alle benodigde informatie voor controle op de juistheid van de aangeleverde informatie, inclusief cijfermateriaal, ter onderbouwing van de offerte. Controles kunnen zowel tijdens het inkoopproces als tijdens de looptijd van de overeenkomst plaatsvinden."

2.6. In het Beschrijvend Document wordt onderscheid gemaakt tussen vijf verschillende ruimtegroepen, te weten: bureaukamers, verkeersruimten, sanitaire ruimten, fietsenstallingen/parkeergarages en representatieve ruimten. Per ruimtegroep zijn ruimtesoorten (bijvoorbeeld: callcenter, spreekkamer, computerruimte) en een veelheid aan inventarissoorten (bijvoorbeeld: kapstok, bureau/tafel, deurpost, bewegwijzering) onderscheiden. Per inventarissoort is een reinheidseis gedefinieerd. Vervolgens zijn kwaliteitsniveaus vastgesteld waarmee per ruimtesoort (en daarbinnen per element) per ruimtegroep de maximaal toegestane afwijking van de toepasselijke reinheidseis is bepaald. De door de Belastingdienst gehanteerde normen corresponderen met de in markt gebruikelijke AQL's (Accepted Quality Level).

Ten slotte is per ruimte bepaald hoe vaak aan de voorgeschreven reinheidseis met bijbehorend kwaliteitsniveau moet worden voldaan. Dit zijn de opleverfrequenties, waarvan er tien worden onderscheiden. Deze frequenties, die berekend zijn op jaarbasis en variëren van 1095 (zeven keer per week plus tweemaal naloop per dag) tot 4 (vier keer per jaar), staan per perceel per locatie per verdieping per ruimtesoort met bijbehorende vloeroppervlak en vloersoort omschreven in bijlage 4 (ruimtedata).

2.7. Op grond van gunningseis 4.14.1 dienen inschrijvers akkoord te gaan met de voorwaarden van de conceptovereenkomst, waarin, net als in gunningseis 4.7.1, is vastgelegd dat inschrijvers dienen te voldoen aan de in het Beschrijvend Document vermelde reinheidseisen en de opleverfrequenties. Daarnaast bepaalt gunningseis 4.2.6:

"De Inschrijver biedt een realistische prijs. Hiervoor wordt verwezen naar de Code Verantwoordelijk Marktgedrag (...)."

2.8. ISS, CSU en Hectas hebben zich tijdig ingeschreven voor de percelen 1 tot en met 4. Op grond van het thans nog lopende schoonmaakcontract verzorgt ISS sinds 2008 de schoonmaakwerkzaamheden in een groot deel van de locaties van de Belastingdienst.

2.9. Bij brief van 22 augustus 2011 heeft de Belastingdienst, onder verwijzing naar de Code, aan ISS verzocht nadere informatie te verschaffen over de per perceel aangeboden tarieven, onder meer met specificatie van de gehanteerde prestatienorm (aantal m2 per medewerker per uur) per ruimtecategorie (voorzieningenrechter: ruimtegroep). Bij brief van 24 augustus 2011 heeft ISS de gevraagde toelichting aan de Belastingdienst verstrekt.

2.10. Bij brief van 7 november 2011 heeft de Belastingdienst, mede aan de hand van de in de brief opgenomen tabellen, aan ISS meegedeeld dat de door haar gecalculeerde prestatienormen op alle percelen op de ruimtecategorieën bureaukamer, representatieve ruimten, sanitaire ruimten en verkeersruimten (met uitzondering van het perceel Noordwest) opmerkelijk hoger liggen dan de door twee onafhankelijke adviesbureaus gecalculeerde normen, terwijl de door haar gehanteerde prestatienorm voor de ruimtecategorie fietsenstalling en parkeergarage juist aanmerkelijk lager ligt. Hierop heeft de Belastingdienst ISS uitgenodigd haar prestatienormen te komen toelichten in een gesprek.

2.11. Op 15 november 2011 heeft ISS aan de Belastingdienst een toelichting gegeven op de door haar gehanteerde prestatienormen. Blijkens het door de Belastingdienst van de bijeenkomst opgemaakte verslag heeft ISS tijdens de bijeenkomst het door haar gehanteerde schoonmaakconcept, waaronder het programma "Cleaning Excellence" met de bijbehorende SimmISS-calculatie, toegelicht. Hierbij heeft ISS onder meer de voordelen van dagschoonmaak (in plaats van schoonmaak in de avonduren) en resultaatgericht schoonmaken aan de orde gesteld.

Voorts vermeldt het verslag met betrekking tot de toelichting op de prestatienorm kantoor (bedoeld zal zijn Bureaukamers) het volgende:

"Tijdens de hoofdbeurt worden alleen horizontale vlakken gereinigd met microvezel.

Hiervoor is geen werkkar nodig. De norm is 75 seconden per kantoor van 25m2. De rest van de ruimte wordt in de hoofdbeurt/naloop gereinigd (30 seconden per beurt). Afval ophalen is een aparte taak. Stofzuigen gebeurt met rugstofzuigers op accu waardoor tijdwinst wordt behaald (geen stopcontacten zoeken en stekkers in en uitdoen).

De berekening leidt tot een m2 prestatie van 750. ISS heeft gecalculeerd met een m2 prestatie van 620 om speling te creëren (onder andere voor looptijden). Speling wordt ook gecreëerd op dagen waarop de bezetting laag is. Wat niet vuil is hoeft niet te worden schoongemaakt."

Ten slotte vermeldt het verslag vragen van de Belastingdienst met daarop door ISS gegeven antwoorden. Deze vragen en antwoorden luiden, voor zover relevant, als volgt:

"Vraag: Is ISS verrast door de verschillen in de prestatienormen tussen ISS en de berekening van twee adviesbureaus?

Antwoord: Nee het verbaast ISS niet. ISS is van mening dat intermediairs onvoldoende actuele kennis hebben om prestatienormen te berekenen omdat ze niet in de uitvoering werkzaam zijn.

(...)

Vraag: Hoe verhouden de nieuwe prestatienormen zich tot de prestatienormen uit het huidige contract?

Antwoord: Als je het effect van het om de dagprogramma eruit filtert dan zijn de verschillen klein (5 tot 10% ten opzichte van de offerte van het lopende contract). 5 tot 10% efficiency wordt gerealiseerd door toepassing van Cleaning Excellence. Ter vergelijking: In het huidige contract betaalt de Belastingdienst € 8 per m2. De ingediende offerte komt uit op een bedrag van € 7 per m2.

Vraag: Heeft ISS een verklaring waarom de norm van de fietsenstalling/parkeergarage lager is dan de norm van de adviesbureaus?

Antwoord: De fietsenstalling/parkeergarage wordt niet op basis van SimISS gecalculeerd maar op basis van ervaring. Voor deze categorie is het vrijwel onmogelijk om een vaste prestatienorm te hanteren. De categorieën bureau, sanitair en verkeersruimte zijn gebaseerd op SimISS calculatie. De categorie representatieve ruimten is een mix van het calculatiemodel en ervaring."

2.12. Bij brief van 23 november 2011 heeft de Belastingdienst naar aanleiding van de tijdens de presentatie gegeven toelichting op de prestatienorm kantoorruimte, die gebaseerd was op de prestatienorm bij een om-de-dagprogramma (voorzieningenrechter: opleverfrequentie 130) de volgende vraag gesteld aan ISS:

"De Belastingdienst heeft in bijlage 4 Ruimtedata, welke onderdeel zijn van de opdracht, de opleverfrequenties aangegeven. Een deel van de kantoorruimtes kent een om de dag opleverfrequentie, een deel van de ruimtes kent een hogere opleverfrequentie. Hoe verhoud uw calculatie zich tot de in de aanbesteding in Bijlage 4 meegegeven opleverfrequenties?"

2.13. Bij e-mailbericht van 24 november 2011 heeft ISS op voorgaande vraag als volgt geantwoord aan de Belastingdienst:

"In de presentatie was een voorbeeld opgenomen ter berekening van de prestatienorm kantoorruimte bij een om de dag programma (frequentie 130).

Wij hebben specifiek dit voorbeeld gekozen (...) omdat dit meest voorkomende ruimte is.

In de totale calculatie die geleid heeft tot de door ISS aangeboden offerte, hebben wij op regelniveau gecalculeerd met de door u aangeleverde gegevens in Bijlage 4 Ruimtedata, met de daarbij behorende frequenties.

Als voorbeeld:

Perceel Noord Oost kent in totaliteit 108.035m2 Bureaukamers.

Deze is vanuit bijlage 4 Ruimtedata als volgt opgebouwd:

- 1.545 m2 met frequentie 004

- 63 m2 met frequentie 052

- 86.927 m2 met frequentie 130

- 15.628 m2 met frequentie 255

- 3.872 m2 met frequentie 510

Bij al deze ruimten hebben wij in calculatie op regelniveau rekening gehouden met bijbehorend:

werkprogramma, frequentie, vloerafwerking, kwaliteitsnorm.

(...)

Voor de totale opgave van de 108.035 m2 Bureaukamers van Perceel Noord Oost heeft dit geresulteerd in een gemiddelde prestatie van 628 m2 per uur.

Deze methodiek is toegepast bij alle ruimtesoorten in alle percelen."

2.14. Bij brief van 15 december 2011 heeft de Belastingdienst aan ISS meegedeeld dat bij hem het voornemen bestaat de percelen 1 en 2 te gunnen aan Hectas en de percelen 3 en 4 aan CSU. In deze uitvoerig gemotiveerde brief schrijft de Belastingdienst dat ISS niet voor gunning in aanmerking komt aangezien haar inschrijving niet voldoet aan gunningseis 4.14.1 (integraal akkoord met de conceptovereenkomst) en gunningseis 4.2.6 (realistische prijs) en dat de inschrijving op alle vier de percelen tevens te beschouwen is als een abnormaal lage inschrijving in de zin van artikel 56 Bao. Ter onderbouwing van deze gronden heeft de Belastingdienst onder meer gewezen op de Code en de door ISS gegeven toelichting op de prestatienorm kantoor in combinatie met de daaraan gestelde reinheidseisen. In deze brief schrijft de Belastingdienst in dat verband onder meer dat 72% van de schoon te maken bureauruimten een oppervlakte kent die kleiner is dan 25m2 en dat bij de calculatie op basis van een gemiddelde oppervlakte uitgegaan moet worden van 17m2.

3. Het geschil

3.1. ISS vordert, zakelijk weergegeven:

primair: de Belastingdienst te veroordelen de gunningsbeslissing voor de percelen 1 tot en met 4 in te trekken, althans hem te gebieden de gunningsbeslissing voor één of meerdere percelen in te trekken, en de inschrijving van ISS alsnog in behandeling te nemen en tot (her)beoordeling van haar inschrijving over te gaan;

subsidiair: de Belastingdienst te verbieden de percelen 1 tot en met 4 te gunnen anders dan na heraanbesteding daarvan;

meer subsidiair: in goede justitie een passende voorziening te treffen;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Belastingdienst in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten.

3.2. Daartoe stelt ISS het volgende. De Belastingdienst heeft de inschrijving van ISS ten onrechte terzijde gelegd. De door ISS gecalculeerde prestatienormen wijken weliswaar af van de door het adviesbureau Masterkey gecalculeerde normen, maar het in onduidelijk op welke uitgangspunten Masterkey haar normen heeft gebaseerd. De hogere prestatienorm van ISS is voorts te verklaren door haar schoonmaakmethode "Cleaning Excellence", waarmee zij efficiënter schoonmaakt. De calculatie heeft plaatsgevonden met het bijbehorend softwareprogramma SimISS dat zichzelf wereldwijd in de praktijk heeft bewezen. Hierbij geldt dat ISS met inachtneming van de in het Beschrijvend Document vermelde reinheidseisen met bijbehorende opleverfrequenties geheel vrij is om te bepalen hoe vaak en op welke wijze en hoe intensief er wordt gereinigd. Ook uit de door ISS voor haar huidige werkzaamheden voor de Belastingdienst alsmede voor de werkzaamheden bij UWV, SVB en Delta Lloyd gehanteerde prestatienormen blijkt dat de haar inschrijving op de onderhavige aanbesteding realistisch is.

3.3. De Belastingdienst, CSU en Hectas voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.4. CSU en Hectas concluderen beide ten aanzien van ISS tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van ISS in de proceskosten. Ten aanzien van de Belastingdienst vordert CSU hem te veroordelen uitvoering te geven aan het voornemen de percelen 3 en 4 aan CSU te gunnen, mits de Belastingdienst de opdracht terzake de percelen 3 en 4 niet intrekt, met veroordeling van ISS in de proceskosten. Hectas vordert ten aanzien van de Belastingdienst hem te gebieden het gunningsvoornemen ongewijzigd te laten en, indien en voor zover hij de opdracht nog wenst te gunnen, over te gaan tot het sluiten van de overeenkomst met Hectas; en in het verlengde daarvan de Belastingdienst te verbieden over te gaan tot gunning van de opdracht aan ISS, een en ander met veroordeling van ISS in de proceskosten.

3.5. Verkort weergegeven stellen CSU en Hectas daartoe dat zij er belang bij hebben dat de opdracht definitief aan hen gegund wordt en derhalve bij afwijzing van de vorderingen van ISS, nu de definitieve gunning van de voorlopig aan hen gegunde percelen daardoor in gevaar kan komen.

3.6. Voor zover nodig zullen de standpunten van ISS en de Belastingdienst met betrekking tot de vorderingen van CSU en Hectas hierna worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. In deze procedure moet worden beoordeeld of de Belastingdienst de inschrijving van ISS op goede gronden terzijde heeft gelegd.

4.2. In zijn brief van 15 december 2011 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat de inschrijving van ISS niet voldoet aan gunningseis 4.14.1 (integraal akkoord met de conceptovereenkomst) en 4.2.6 (realistische prijs) en dat de per perceel geoffreerde prijzen bovendien abnormaal laag zijn in de zin van artikel 56 Bao. Meer concreet betreft de reden voor afwijzing het verwijt dat ISS, in strijd met de Code, niet heeft weten te onderbouwen dat de door haar geoffreerde prijzen zijn gebaseerd op een verantwoorde en professionele wijze haalbare, aantoonbare en controleerbare normstelling en daarmee dat zij evenmin een realistische prijsstelling heeft gehanteerd. Daarnaast zou de Belastingdienst hebben geconstateerd dat de inschrijving van ISS in ieder geval voor de ruimtegroep Bureaukamers niet voldoet aan de gestelde reinheidseisen.

Gelet op het voorgaande moet in deze procedure worden beoordeeld of de Belastingdienst, mede gelet op de beginselen van het aanbestedingsrecht, in redelijkheid tot de betreffende conclusies kon komen.

4.3. Ter onderbouwing van het standpunt dat de door ISS geoffreerde prijzen abnormaal laag, en daarmee niet realistisch, zijn, heeft de Belastingdienst erop gewezen dat de door ISS per perceel per ruimtegroep geoffreerde prestatienormen (het aantal m2 per medewerker per uur), zoals ISS deze op verzoek van de Belastingdienst uit haar inschrijving heeft gedestilleerd, voor het overgrote deel (te weten met uitzondering van de ruimtegroep fietsenstalling/parkeergarage en de ruimtegroep Verkeersruimte van perceel noordwest) veel hoger liggen dan de door de onafhankelijke facilitaire adviesbureaus Masterkey en InTexSo op basis van het Beschrijvend Document gecalculeerde prestatienormen en met de door de andere inschrijvers gehanteerde prestatienormen. Hierbij geldt dat het ter zitting gevoerde debat zich heeft beperkt tot de door Masterkey gecalculeerde cijfers.

4.4. Het bezwaar van ISS dat door de vergelijking met de door Masterkey (en InTexSo) gecalculeerde normen in strijd met het transparantiebeginsel een nieuwe gunningseis is geïntroduceerd, kan niet worden gevolgd. De cijfers van Masterkey zijn slechts een aanleiding geweest voor de Belastingdienst om, conform de onder 2.5 vermelde Code, ISS te verzoeken de aan haar offerte ten grondslag liggende cijfers nader te onderbouwen. Het is niet de afwijking van de door ISS gepresenteerde prestatienorm maar de vervolgens door haar gegeven onderbouwing die heeft geleid tot de conclusie dat haar inschrijving niet realistisch zou zijn. Overigens staat tussen partijen niet ter discussie dat de door ISS gecalculeerde prestatienorm hoger is dan bijvoorbeeld de thans door ISS in haar contract met de Belastingdienst gehanteerde prestatienorm en de door de andere inschrijvers gecalculeerde prestatienorm. Ook in dat licht bezien, komt het de voorzieningenrechter, mede gelet op de Code, niet onbegrijpelijk voor dat de Belastingdienst ISS om een nadere toelichting heeft gevraagd. Dit betekent dat verder ook in het midden kan blijven welke waarde moet worden toegekend aan de cijfers van Masterkey.

4.5. ISS heeft betoogd dat de door haar gehanteerde hoge prestatienorm te danken is aan de schoonmaakmethode Cleaning Excellence, aan resultaatgericht schoonmaken (in plaats van inspanningsgericht) en aan de dagschoonmaak (in plaats van schoonmaak in de avonduren). In dit verband heeft ISS onder meer gesteld dat, ten opzichte van het huidige contract met de Belastingdienst, het gebruik van microvezeltechniek (ook voor de vloer), waarbij sop niet nodig is, en rugstofzuigers, waarbij geen stopcontact behoeft te worden gezocht, leidt tot een enorme efficiencyslag. Volgens ISS kan voor de door de Belastingdienst gevraagde (gebruikelijke) reinheidseisen worden volstaan met een grondige reiniging per week (de hoofdbeurt), waarbij alle elementen in een ruimte worden gereinigd, in combinatie met een reiniging van wat herbevuild is in overige schoonmaakfrequenties (de nabeurten). Training van de schoonmaakmedewerkers zou ertoe leiden dat zij efficiënt kunnen beoordelen wat bij de naloopbeurten opnieuw moet worden schoongemaakt, aldus ISS. Ook dagschoonmaak zou in de visie van ISS prestatieverhogend werken aangezien hierdoor langere diensten kunnen worden gedraaid met minder medewerkers en daardoor minder aansturing nodig is. Volgens ISS heeft zij in de uitvoering van vergelijkbare contracten met derden aangetoond dat zij in staat is met goed resultaat de aan de Belastingdienst geoffreerde prestatienorm in de praktijk uit te voeren.

4.6. De Belastingdienst heeft deze zienswijze van ISS in twijfel getrokken. Hij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat het lopende contract noch de contracten tussen ISS en derden vergelijkbaar zijn met de thans door de Belastingdienst aanbestede opdracht. Hij heeft hierbij onder meer gewezen op de toepasselijkheid van de Code en de hogere reinheidseisen in de onderhavige aanbesteding.

4.7. Met betrekking tot voormeld verschil van inzicht tussen ISS en de Belastingdienst overweegt de voorzieningenrechter dat in zijn algemeenheid, en zeker in het beperkte kader van een kort geding, niet te beoordelen valt of de door ISS gestelde efficiencyslag (ook) bij de Belastingdienst gehaald kan worden. Wel roept de gestelde efficiencyslag in het licht van de Code, die in het leven is geroepen om werkdruk van schoonmaakmedewerkers op een acceptabel niveau te houden/brengen, in combinatie met het feit dat de schoonmaakmarkt nu eenmaal voor een zeer groot deel gebaseerd is op laagbetaalde arbeid, vragen op. Hetzelfde geldt voor de stelling dat dagschoonmaak prestatieverhogend werkt. Uit niets blijkt hoe ISS rekening heeft gehouden met de evident negatieve effecten van dagschoonmaak, te weten de dan noodzakelijke interactie met medewerkers van de Belastingdienst. Met betrekking tot de door ISS bij derden uitgevoerde werkzaamheden geldt dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld in hoeverre de bij die derden uitgevoerde werkzaamheden vergelijkbaar zijn met hetgeen thans door de Belastingdienst wordt gevraagd. Dit geldt temeer nu de Belastingdienst onweersproken heeft gesteld dat deze contracten, anders dan in de onderhavige aanbesteding door de Belastingdienst geëist, niet onder toepasselijkheid van de Code zijn gesloten.

4.8. Als meer concrete onderbouwing van de door haar gehanteerde prestatienormen heeft ISS een toelichting gegeven aan de hand van de ruimtegroep bureaukamers. Voor deze ruimtegroep hanteert ISS naar eigen zeggen een prestatienorm van 750 m2, waarbij zij ter compensatie van - onder meer - looptijden voor de vier percelen heeft ingeschreven met een prestatienorm van gemiddeld 628 m2. De prestatienorm van 750m2 is volgens ISS gebaseerd op de aanname dat een medewerker per uur 1.500 m2 kan stofzuigen in de hoofdbeurt en 3.000m2 in de nabeurt en dat hij 1.200m2 per uur kan schoonmaken in de hoofdbeurt en 3.000m2 in de nabeurt. Hierbij heeft ISS betoogd dat in de hoofdbeurt van 75 seconden de oppervlakten (zowel de horizontale als verticale) van alle inventarissoorten worden gereinigd. Een bureauruimte van 25 m2 die 130 maal per jaar gereinigd wordt, hetgeen jaarlijks in het totaal 4,33 uur (4 uur en 20 minuten) in beslag neemt, leidt op jaarbasis tot 3.250m2 die in 4,33 uur gereinigd wordt en daarmee tot een prestatienorm van 750m2 per uur. De door ISS gegeven becijfering, gebaseerd op een ruimte van 25m2 met een opleverfrequentie van 130, ziet er als volgt uit:

tabel becijfering

4.9. Als bezwaar tegen deze onderbouwing van de door ISS gecalculeerde prestatienorm heeft de Belastingdienst in zijn brief van 15 december 2011 onder meer aangevoerd dat hieruit niet valt af te leiden dat deze prestatienorm haalbaar is bij bureaukamers met een kleinere omvang dan 25 m2 en/of bij bureaukamers met een opleverfrequentie van meer dan 130 (en die bijvoorbeeld dagelijks of meermaals per dag schoon opgeleverd dienen te worden).

4.10. Hoewel dat wel op haar weg lag, heeft ISS deze bezwaren van de Belastingdienst niet, althans onvoldoende weerlegd. Zij heeft immers op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de prestatienorm van 750 m2 ook haalbaar is bij bureaukamers van gemiddeld 17 m2, waarbij, behoudens de looptijd, de prestatienorm voor stofzuigen gelijk blijft, maar het aantal te reinigen inventarissoorten (kasten, tafels en stoelen etc.) per vierkante meter zal toenemen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft ISS evenmin aannemelijk gemaakt dat de door haar gecalculeerde prestatienorm ook haalbaar is bij ruimten met een hogere opleverfrequentie dan 130. Voor die ruimten zal de totale jaarlijkse schoonmaaktijd logischerwijs toenemen, zodat verwacht mag worden dat de bijbehorende prestatienorm zal afnemen. Dat - zoals ISS heeft gesteld - deze toename van de schoonmaaktijd bij een hogere frequentie per definitie (deels) zal worden gecompenseerd door het afnemende meerwerk bij de naloop, is niet aannemelijk geworden. Dit valt ook niet af te leiden uit de door ISS in het onder 2.13 vermelde e-mailbericht van 24 november 2011 gegeven uitleg. Daar staat immers niets anders dan het gemiddelde van de bij de verschillende opleverfrequenties behorende oppervlakten van de bureauruimten leidt tot een gemiddelde van 628 m2 per uur, zonder dat de berekening inzichtelijk is gemaakt. Zo blijft verder onduidelijk welk deel van het verschil tussen de 750m2 en 628m2 wordt aangewend voor looptijden en welk deel ter compensatie voor ruimten met een lagere prestatienorm dan 750m2.

4.11. Slotsom van het voorgaande is dat de Belastingdienst tot de conclusie kon komen dat inschrijving van ISS niet realistisch, althans onvoldoende onderbouwd is. Reeds daarom acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de Belastingdienst de inschrijving van ISS op goede gronden - als ongeldig - terzijde heeft gelegd. De vorderingen van ISS dienen derhalve te worden afgewezen.

4.12. Nu de Belastingdienst voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan CSU en Hectas, brengt voormelde beslissing mee dat zij geen belang (meer) hebben bij toewijzing van hun vorderingen, zodat deze worden afgewezen. CSU en Hectas zullen worden veroordeeld in de kosten van de Belastingdienst, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat hij als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet ISS in haar verhouding tot zowel CSU als Hectas worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van CSU en Hectas was immers te voorkomen dat de opdracht niet aan hen zou worden gegund, welk doel is bereikt. ISS zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van CSU en Hectas. Voorts zal ISS, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Belastingdienst.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt CSU en Hectas voor wat betreft de door hen tegen de Belastingdienst ingestelde vorderingen in de proceskosten aan de zijde van de Belastingdienst, tot dusver begroot op nihil;

- veroordeelt ISS in de overige proceskosten aan de zijde van zowel de Belastingdienst, CSU als Hectas, tot dusver telkens begroot op € 1.391,-, waarvan € 575,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan de proceskostenveroordelingen ten aanzien van de Belastingdienst en CSU is voldaan, daarover wettelijke rente verschuldigd is;

- verklaart de proceskostenveroordeling ten aanzien van de Belastingdienst en CSU uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

WJ