Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6740

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
385089 - HA ZA 11-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Geschil over de vraag of de financieel adviseur (accountant/belastingadviseur) eisers onjuist heeft geadviseerd. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van onjuiste advisering. Adviseur had ook geen "spontane" adviesplicht om eisers te wijzen op een mogelijke fiscale uitzondering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-0583
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 385089 / HA ZA 11-187

Vonnis van 15 februari 2012

in de zaak van

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2.[A1],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [A], [A1] en [gedaagde] genoemd worden. Eisers zullen gezamenlijk ook aangeduid worden als [A c.s.] (mannelijk enkelvoud).

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 december 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- het tussenvonnis van 27 april 2011, waarbij een comparitie is gelast;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 november 2011, waarop [A c.s.] en [gedaagde] bij brieven van 23 november 2011 respectievelijk 22 november 2011 hebben gereageerd;

- de brief van de rechtbank van 30 november 2011, waarin onder meer een datum voor vonnis is bepaald.

2.De feiten

2.1.Vanaf 20 december 1999 dreef [A1] een onderneming op het gebied van (financiële) dienstverlening in de vorm van een eenmanszaak. Deze eenmanszaak is op 3 februari 2000 omgezet in een vennootschap onder firma genaamd "[A] & Partner V.O.F." (hierna: de vof), met als partners [A1] (70%) en [C] (30%). Tevens zijn [A1] en [C] (hierna: [C]) op 3 februari 200 de vennootschap onder firma "[A] & Partner vastgoed V.O.F." begonnen (hierna: [A2] vof), waarin [A1] deelnam voor 70% en [C] voor 30%.

2.2.[A1] en [C] hebben op 31 augustus 2006 hun samenwerking in zowel de vof en [A2] vof met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 beëindigd. [A1] heeft het aandeel van [C] in de vof en in [A2] vof overgenomen voor een bedrag van

€ 281.265,-- respectievelijk voor € 1,--. [A1] heeft de ondernemingen van de vof en [A2] vof vanaf 1 september 2006 voortgezet in de vorm van een eenmanszaak genaamd "[A] en Partner" (hierna: de eenmanszaak). Deze voortzetting geschiedde fiscaal gezien geruisloos, zodat er fiscaal niet behoefde te worden afgerekend.

2.3.Op 29 december 2006 is [A] opgericht, waarvan [A1] enig aandeelhouder en bestuurder is. [A1] heeft ter volstorting van de aandelen die hij bij oprichting van [A] heeft genomen de eenmanszaak "geruisloos" ingebracht. Vervolgens heeft [A], eveneens op 29 december 2006, de (dochter)vennootschappen [A] en Partner B.V. (hierna: [A2]), [A2] Vastgoed B.V. en [F] Groep B.V. (hierna: [F] Groep) opgericht, waarvan [A] enig aandeelhoudster was. Daarna heeft [A], ook op 29 december 2006, de eerder ingebrachte eenmanszaak fiscaal geruisloos laten "doorzakken" in [A2], een en ander met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Deze geruisloze inbreng en het vervolgens laten doorzakken van de eenmanszaak geschiedden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: IB). Hierdoor werd voorkomen dat er invordering van inkomsten- en vennootschapsbelasting ten laste van [A1] zou plaatsvinden als gevolg van de beëindiging van de vof en van [A2] vof.

2.4.[gedaagde] heeft in haar brief van 7 augustus 2008 aan [A] uiteengezet wat er tussen haar en [A1] is besproken over de problemen bij de uittreding van [C] uit de vof. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

"Als wij het goed begrijpen zijn er twee problemen inzake de finale afrekening in verband met het uittreden van [C] [[C], toevoeging rechtbank] uit de v.o.f.:

1. (...).

2. Bij de verkoop van de units is de opbrengst, verminderd met de hypotheek schuld tussen jou en [C] fifty-fifty verdeeld. [D] [adviseur van [C], toevoeging rechtbank] stelt dat de hypotheek schuld in rekening -courant (€ 45.550) niet tot de hypotheek schuld behoort, maar een schuld is van de v.o.f. die al in de afrekening is begrepen. [C] heeft volgens [D] daardoor recht op 50% van dit bedrag, ofwel € 22.775,--. Jij hebt voor dit bedrag een factuur van haar ontvangen.

Zo de factuur van [C] al terecht is, stelde jij dat er door jou ook een factuur aan [C] gezonden moet worden die als volgt zal worden samengesteld:

* Winst op verkoop auto door [C] (70% van € 5.000,--);

* Aandeel [C] in de hypotheek schuld in rekening-courant (€ 9.075,--);

* VVE kosten door V.o.f. betaald waardoor jij voor 20% meer hebt bijgedragen dan [C];

* Rente over het verschil in schuld en de te veel betaalde kosten."

2.5.[gedaagde] heeft vervolgens met de heer [D], adviseur van [C], gesproken over de onder 2.4 genoemde problemen bij de uittreding van [C] uit de vof. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [gedaagde] in haar brief van 13 augustus 2008 onder meer aan [A] geschreven: "Gezien het vorenstaande zijn wij van mening dat [C] terecht een factuur heeft gestuurd voor het in mindering op de koopsom brengen van de helft van de rekening-courant hypotheek."

2.6.Voor het samenstellen en het begeleiden bij het opstellen van de jaarrekening 2007 en het verzorgen van aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting van [A] en haar dochtervennootschappen, heeft [gedaagde] een opdrachtbevestiging gedateerd 5 september 2008 aan [A] verstuurd, die [A] op 23 september 2008 voor akkoord heeft getekend (hierna: de opdrachtbevestiging). Op de opdrachtbevestiging zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing, waarin in artikel 9 lid 3 is bepaald: "Indien Opdrachtgever niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn heeft betaald, is Opdrachtgever gehouden tot vergoeding van alle door Opdrachtnemer gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke (incasso)kosten. De vergoeding van de gemaakte kosten beperkt zich niet tot eventueel door de rechter vastgestelde kostenveroordeling."

Voorts is in artikel 3.4 van de orderbevestiging, voor zover van belang, vermeld:

"Deze opdrachtbevestiging is tevens van kracht voor de jaren na 2007, totdat u een nieuwe opdrachtbevestiging zal worden aangeboden, tenzij de opdracht wordt beëindigd, (...)."

2.7.Op 22 september 2008 is er een bespreking op het kantoor van [gedaagde] geweest, waarbij [A1], mr. [E] van [gedaagde], [C] en haar adviseur [D] aanwezig waren. [C] heeft [A1] een aanbod gedaan om te schikken voor een bedrag van

€ 11.500,--. [A1] heeft dit aanbod niet aanvaard, omdat hij van mening was dat hij nog een aantal (tegen)vorderingen op [C] had.

2.8.Naar aanleiding van een verzoek van [A1] om de volgens hem bestaande (tegen)vorderingen op [C] te beoordelen, heeft [gedaagde] in een brief van 9 oktober 2008 aan [A2] haar bevindingen / opmerkingen over deze vorderingen uiteengezet. In het bij deze brief gevoegde financiële overzicht is vermeld dat [A1] in totaal nog een bedrag van € 49.517,-- te vorderen heeft van [C]. Aan het slot van deze brief is vermeld: "Bijgaand zenden wij je een financieel overzicht waarop bovenstaande opmerkingen zijn verwerkt. Wellicht dat je met behulp van onze opmerkingen en het overzicht er uit komt met [C]."

2.9.Begin november 2008 is [A1] benaderd door een zekere [F] met de vraag of hij zijn op 1 januari 2003 aan de eenmanszaak van [A1] overgedragen assurantieportefeuille kon terugkopen. [A1] heeft dit verzoek tijdens een bespreking op 6 november 2008 met [gedaagde] besproken. Naar aanleiding van deze bespreking heeft [gedaagde] in een e-mail van 7 november 2008 onder meer het volgende aan [A1] geschreven:

* "Ik heb niet de goedkeuring van de belastingdienst gevonden inzake de geruisloze inbreng. Vreemd, maar wellicht heeft de belastingdienst de goedkeuring naar jou gestuurd. Ik zie ook geen brief in Word over de doorzending van de goedkeuring.

* (...).

* De voorwaarden van de geruisloze inbreng in de situatie dat jij een deel van de omzet gaat verkopen zijn simpel.

* De 3-jaarstermijn geldt alleen voor de verkoop van aandelen. Dat is nu niet het geval.

* De winst die je maakt op de verkoop is bij de B.V. belast. De oude winstverdeling (70-30) speelt geen rol meer. Per saldo wordt belast het verschil tussen de koopsom en het deel van de (boekwaarde van de) goodwill dat ziet op de overgedragen relaties (zeg 20% van de goodwill zoals die op dat moment op de balans staat)."

2.10.Enkele weken na 6 november 2008 werd [A1] benaderd door een derde, mevrouw [G], met het voorstel de volledige assurantieportefeuille van [A2] te kopen. [A2] heeft vervolgens met de vennootschap onder firma genaamd "[G] Advies" (hierna: [G] Advies) een "Contract aangaande de exploitatie van de assurantieportefeuille" gesloten gedateerd 27 november 2008 (hierna: de exploitatieovereenkomst). In de exploitatieovereenkomst is onder meer bepaald dat [G] Advies met ingang van 1 december 2008 de "back office"-werkzaamheden van [A2], zoals de administratie, overleg met verzekeringskantoren en het behandelen van dossiers, voor haar rekening zal nemen, een en ander vooruitlopend op een (mogelijke) verkoop van de aandelen [A2] door [A] aan [G] Advies per uiterlijk 1 november 2009. Verder is in de exploitatieovereenkomst bepaald dat [A2] recht heeft op 93% en [G] Advies op 7% van de in de periode van 1 januari tot 1 november 2009 gegenereerde provisie op de over te dragen assurantieportefeuille.

2.11.Ter uitvoering van de exploitatieovereenkomst hebben [A], [A2] en [G] Advies op 12 december 2008 een "Overeenkomst van Koop" (hierna: de koopovereenkomst) gesloten, waarin onder meer is bepaald dat [A] de aandelen in [A2] zal verkopen aan [G] Advies en dat de levering van deze aandelen uiterlijk op 1 november 2009 zal plaatsvinden. Tevens is in de koopovereenkomst vermeld dat de activa van [A2] bij levering uitsluitend zullen bestaan uit het aandelenkapitaal en de assurantieportefeuille. De koopsom is gebaseerd op 4,6 maal de jaar-doorloopprovisie per 1 januari 2009 en is bepaald op € 1.472.000,--, te vermeerderen met het aandelenkapitaal van € 18.000,--. Deze koopprijs is bij een addendum van 9 april 2009 vervolgens gewijzigd in

€ 1.658.263,38, exclusief het aandelenkapitaal.

2.12.[C] heeft op 21 januari 2009 een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt waarin zij een bedrag van in totaal € 47.191,85, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten, vordert van [A c.s.] in verband met de beëindiging van de vof en [A2] vof. In reconventie heeft [A c.s.] betaling van een bedrag € 72.206,-- gevorderd van [C]. Ter onderbouwing van zijn vordering in reconventie heeft [A c.s.] onder meer de onder 2.8 genoemde brief van [gedaagde] overgelegd. Ter beëindiging van dit geschil zijn [C] en [A c.s.] een schikking overeengekomen op grond waarvan [A c.s.] een bedrag van € 20.000,-- aan [C] heeft betaald.

2.13.[gedaagde] heeft in haar e-mail van 25 september 2009 het volgende aan [A1] geschreven:

"Bijgaand een kopie van onze brief aan de belastingdienst, een kopie van een deel van de standaardvoorwaarden en de toelichting van de staatssecretaris van Financiën. Het gaat om standaardvoorwaarde 1. Daarin staat dat bij vervreemding binnen drie jaar na de inbreng, aangenomen wordt dat al vanaf het begin de bedoeling voorop stond om de aandelen te vervreemden. Met andere woorden toen de onderneming werd omgezet in een B.V. had je al overeenstemming met een koper om de onderneming over te nemen. De staatssecretaris van Financiën zegt dat ook in de toelichting. Maar hij zegt ook dat als je aannemelijk kunt maken dat dat niet het geval is, de sanctie niet van toepassing is. De geruisloze inbreng blijft dan in stand.

Als jij aannemelijk (de lichtste vorm van bewijs) kunt maken dat je in 2006 nog niet bezig was met de verkoop van de aandelen in [A] & Partner B.V. loopt de geruisloze inbreng geen gevaar. Wij denken dat de koop/verkoopovereenkomst al voldoende is.

Als jij dat niet aannemelijk kunt maken moet je de verkoopdatum verplaatsen naar een datum na

29-12-2009. Dan loop je ook geen gevaar."

2.14.In reactie op de onder 2.13 weergegeven e-mail heeft [A1] in zijn e-mail van 1 oktober 2009 onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:

"Zoals bij jullie vanaf het begin af aan bekend was (en recent nog met jou besproken) heb ik nooit plannen m.b.t. verkoop gehad. Pas in oktober / november 2008 is dat plan ontstaan en dat blijkt toch duidelijk uit het feit dat er pas vanaf dat moment onderhandelingen met [G] gevoerd zijn? (...).

Daarnaast moet mij het volgende van het hart. Voor het eerst krijg ik nu te horen (lezen) dat:

- 1-11-2009 niet buiten de 3 jaars termijn valt? (zelfs in het gesprek 3 maanden geleden toen ik een koper had voor de "lege" [F] Groet BV is mij geadviseerd dit niet voor 1-10-2009 te doen in verband met de 3 jaars termijn),

- De 3 jaars termijn in dit geval helemaal niet van toepassing is! (waarom heb ik dan het kantoor ruim 6 maanden langer dan nodig actief laten zijn? Met alle kosten van dien!).

- ik heb overigens niets meer van jullie gehoord over het al dan niet registreren van de voorovereenkomst inzake de geruisloze inbreng. Is er nu wel of niet geregistreerd?.

In de brief aan de belastingdienst stel jij dat ik jullie op 24-8-2009 heb bericht over de verkoop. Ik heb jou inderdaad toen nog even de overeenkomsten doorgefaxt; jullie waren echter reeds vanaf december 2008 op de hoogte (heb al in dec/jan tijdens een afspraak kopieën van de overeenkomsten gegeven en diverse besprekingen gehad voordat de overeenkomsten definitief werden/ heb van jullie een mail inzake de bedrijfsresultaten omdat ik personeelscontracten ging beëindigen n.a.v. de back-office en de verkoopovereenkomst)."

2.15.Bij notariële akte van 3 november 2009 zijn de aandelen in [A2] door [A] geleverd aan [G] Schadeverzekeringen B.V. voor een koopprijs van € 1.658.263,38.

2.16.[gedaagde] heeft onder meer de hierna te vermelden facturen aan [A] gestuurd voor door haar verrichte werkzaamheden, met een bedrag van in totaal € 32.123.15. [A] heeft deze facturen onbetaald gelaten.

Tabel overzicht facturen

3.Het geschil

in conventie

3.1.[A c.s.] vordert, samengevat:

I. de verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door [A c.s.], althans [A1] en/of [A] en/of [A2], onjuist te adviseren over de toepasselijkheid van de (fiscale) regelgeving op de door [A] voorgenomen verkoop van de aandelen [A2] aan [G] Advies;

II. de verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door [A c.s.], althans [A1] en/of [A] en/of [A2], in haar brief van 9 oktober 2008 onjuist te adviseren dat [A1] (nog) een bedrag van € 49.517,-- had te vorderen van [C];

III. de veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de als gevolg van de onjuiste advisering geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met wettelijke rente, een en ander nader op te maken bij staat;

IV. de veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [A], althans [A1], van de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

V. de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.

3.2.[A c.s.] legt aan zijn vorderingen - samengevat - ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de (doorlopende) overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A c.s.], door onjuist en onvolledig te adviseren (a) over de (on)mogelijkheden van een verkoop van de aandelen [A2] en/of andere vennootschappen van [A c.s.] en (b) bij de uitkoop van [C] uit de vof en [A2] vof. [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die [A c.s.] en/of [A2] hierdoor heeft/hebben geleden, een en ander nader op te maken bij staat.

3.3.[gedaagde] verweert zich tegen deze vorderingen.

in reconventie

3.4.[gedaagde] vordert - samengevat - de veroordeling van [A] tot betaling van zes openstaande facturen met een totaalbedrag van € 32.123,15, vermeerderd met wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.214,40, alsmede [A c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de werkelijke kosten van het geding.

3.5.[gedaagde] legt aan haar vorderingen - samengevat - ten grondslag dat [A] de facturen voor (voornamelijk) accountantswerkzaamheden en (beperkt) fiscale werkzaamheden niet heeft betaald. Deze facturen houden geen verband met de verkoop van de aandelen [A2] aan [G] Advies, noch met de advisering over de uittreding van [C]. Volgens de toepasselijke algemene voorwaarden kan [gedaagde] aanspraak maken op vergoeding van de werkelijke incassokosten en op volledige vergoeding van de proceskosten.

3.6.[A] verweert zich tegen deze vorderingen.

in conventie en in reconventie

3.7.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie

Onjuiste advisering over verkoopmogelijkheden inzake [A2] en/of andere vennootschappen van [A c.s.]?

4.1.Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of [gedaagde] [A c.s.] onjuist heeft geadviseerd. De verwijten van [A c.s.] aan het adres van [gedaagde] komen er, naar de rechtbank begrijpt, op neer dat [gedaagde] onjuist of onvolledig heeft geadviseerd over de mogelijkheden om binnen drie jaar na de geruisloze inbreng van de eenmanszaak te verkopen: (i) (een deel van) de verzekeringsportefeuille van [A2], (ii) de aandelen [A2] aan [G] Advies en (iii) de aandelen [F] Groep. Ten aanzien van deze verwijten overweegt de rechtbank het volgende.

4.2.Met betrekking tot verwijt (i) stelt zij voorop dat volgens de eerste voorwaarde van de standaardvoorwaarden ingevolge artikel 3.65 IB (hierna: de eerste standaardvoorwaarde) een geruisloze inbreng van een onderneming in een vennootschap alsnog fiscale consequenties heeft, indien de aandelen binnen drie jaar na de inbreng worden vervreemd, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het niet vanaf het moment van de inbreng de bedoeling was de aandelen te vervreemden. De genoemde driejaarstermijn geldt dus alleen voor een vervreemding van aandelen, in dit geval de aandelen [A2]. Dit heeft [gedaagde] in haar e-mail van 7 november 2008 ook aan [A c.s.] megedeeld (zie onder 2.9), hetgeen naar het oordeel van de rechtbank juist is. De rechtbank volgt [A c.s.] niet in zijn standpunt dat [gedaagde] hem, [A c.s.], op dat moment erop had moeten wijzen dat een verkoop van de aandelen [A2] binnen drie jaar (onder bepaalde voorwaarden) wel mogelijk was. Op dat moment was immers alleen sprake van een mogelijke overdracht van een deel van de assurantieportefeuille van [A2] aan [F], zodat de genoemde uitzondering op de driejaarstermijn niet aan de orde was. Te minder was dit het geval nu [A1], voordat hij door [G] Advies werd benaderd, zelf ook niet uitging van een verkoop van aandelen [A2] (zie onder meer in zijn onder 2.14 weergegeven e-mail). In het licht van het voorgaande is het verwijt dat [gedaagde] [A c.s.] onjuist of onvolledig heeft geadviseerd over de mogelijkheden van (een deel van) de verzekeringsportefeuille binnen de driejaarstermijn, ongegrond.

4.3.Met betrekking tot verwijt (ii) stelt [A c.s.] zich primair op het standpunt dat [gedaagde] hem heeft geadviseerd om de aandelen [A2] niet binnen drie jaar na meergenoemde geruisloze inbreng van de eenmanszaak te verkopen aan [G] Advies, zonder daarbij te wijzen op de in de eerste standaardvoorwaarde genoemde uitzondering. De rechtbank is, gelet op het hierna volgende, van oordeel dat ook dit verwijt ongegrond is.

4.4.Ter zitting heeft [A1] verklaard dat [G] Advies hem enkele weken na 6 november 2008 heeft benaderd met het verzoek om de assurantieportefeuille van [A2] over te nemen. Dit betekent dat, anders dan [A c.s.] heeft aangevoerd, de e-mail van [gedaagde] van 7 november 2008 niet kan worden aangemerkt als een advies van [gedaagde] om de aandelen niet binnen de driejaarstermijn aan [G] Advies te verkopen. Op dat moment was er immers nog geen sprake van een (mogelijke) verkoop van aandelen aan [G] Advies. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat [A1] ter comparitie heeft verklaard dat [A] bij de exploitatieovereenkomst en de koopovereenkomst met [G] advies niet werd bijgestaan door een eigen advocaat of jurist en dat deze overeenkomsten zijn opgesteld door de advocaat van [G] Advies. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat [A1] haar pas op 24 augustus 2009 voor het eerst heeft geïnformeerd over de met [G] Advies gesloten overeenkomsten en toen heeft gevraagd hem te helpen bij de afwikkeling van de koopovereenkomst. [A] had zich in de koopovereenkomst namelijk verplicht [A2] "schoon" op te leveren, dat wil zeggen dat de activa en de passiva uitsluitend zouden bestaan uit het gestorte en geplaatste aandelenkapitaal en de assurantieportefeuille. [A1] verzocht [gedaagde] om de cijfers over 2008 versneld te produceren en om medewerking bij het "opschonen" van de balans, aldus nog steeds [gedaagde]. Dit heeft [A c.s.] niet, althans onvoldoende, weersproken. Tegen deze achtergrond kan [A c.s.] niet staande houden dat [gedaagde] betrokken is geweest bij de (totstandkoming van de) met [G] Advies gesloten overeenkomsten dan wel [A c.s.] hierover heeft geadviseerd. [A c.s.] heeft ook geen andere concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] hem heeft geadviseerd over de (on)mogelijkheden van een verkoop van de aandelen [A2]. Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat [A c.s.] zijn stelling dat [gedaagde] hem heeft geadviseerd de aandelen [A2] niet binnen drie jaar te verkopen aan [G] Advies, niet voldoende heeft toegelicht. Voor bewijslevering op dit punt is dan ook geen plaats.

4.5.Aan de orde is dan het subsidiaire standpunt van [A c.s.] dat [gedaagde] een spontane adviesplicht had om hem, [A c.s.], erop te wijzen dat vervreemding van de aandelen [A2] onder voorwaarden zonder fiscale bezwaren ook per 1 januari 2009, dus binnen de driejaarstermijn, mogelijk was. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

4.6.Zoals in onderdeel 4.4 is overwogen, was [gedaagde] voordat [A] de exploitatieovereenkomst en de koopovereenkomst met [G] Advies had gesloten, niet op de hoogte van de inhoud van deze overeenkomsten. Op het moment dat [gedaagde] de overeenkomsten op 24 augustus 2009 voor het eerst onder ogen kreeg waren deze dus al gesloten en gingen [A] en [G] Advies uit van een levering van de aandelen na 1 januari 2009. Om alsnog een overdracht met terugwerkende kracht tot de door [A c.s.] gestelde datum van 1 januari 2009 te kunnen bewerkstelligen, hadden deze overeenkomsten moeten worden aangevuld of gewijzigd. Niet valt in te zien dat of waarom [gedaagde] als belastingadviseur dat had moeten adviseren aan [A c.s.] Te minder is dit het geval nu [gedaagde] niet betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomsten en [A c.s.] ook onvoldoende concreet heeft toegelicht dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat [G] Advies eigenlijk een overdracht per 1 januari 2009 wenste. Onder deze omstandigheden gaat het niet aan om van [gedaagde], aan wie op 24 augustus 2009 was gevraagd te helpen bij de afwikkeling van de koopovereenkomst met [G] Advies, te vergen om ongevraagd en zonder bijzondere aanleiding te adviseren dat de overdracht van de aandelen vóór 1 november 2009 mogelijk was. Gelet op het voorgaande treft het verwijt dat [gedaagde] "spontaan" had moeten meedelen dan wel adviseren dat overdracht van de aandelen [A2] binnen de driejaarstermijn mogelijk was, geen doel.

4.7.Aan verwijt (iii) gaat de rechtbank voorbij, nu [A c.s.] dit op geen enkele wijze nader heeft toegelicht. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - valt niet op te maken op welke manier [gedaagde] [A c.s.] onjuist heeft geadviseerd over de (on)mogelijkheden van een verkoop van de aandelen [F] Groep.

4.8.Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] [A c.s.] onjuist of onvolledig heeft geadviseerd. Voor zover [A c.s.] nog heeft betoogd dat [gedaagde] heeft erkend dat zij [A c.s.] onjuist of onvolledig heeft geadviseerd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Dit valt namelijk niet op te maken uit de door [A c.s.] overgelegde e-mails van 8 oktober 2009 en 13 oktober 2009 (producties 16 en 17 bij dagvaarding). Nu de gronslagen aan de onder 3.1 sub I weergegeven vordering zijn komen te ontvallen, is deze vordering niet toewijsbaar.

Onjuiste advisering bij uitkoop [C] uit de vof?

4.9.[A c.s.] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] in de brief van 9 oktober 2008 heeft geadviseerd dat hij een vordering had op [C] en dat dit advies was bedoeld om te worden gebruikt in de geschilbeslechting tussen [A1] en [C]. Als gevolg hiervan heeft [A1] het schikkingsaanbod dat [C] op 22 september 2008 heeft gedaan niet geaccepteerd. Vervolgens heeft [A c.s.] zijn advocaat in de procedure tegen [C] de opdracht gegeven een reconventionele vordering in te stellen, ter onderbouwing waarvan hij de brief van [gedaagde] in het geding heeft gebracht. Achteraf bezien is volgens [A c.s.] het advies van [gedaagde] onjuist geweest en heeft hij hierdoor schade geleden.

4.10.Ter afwering van haar aansprakelijkheid voert [gedaagde] aan dat zij in haar brief van 9 oktober 2008 slechts de tegenvorderingen die [A1] pretendeerde te hebben, "op een rijtje heeft gezet". Zij heeft op geen enkel moment gezegd dat deze gepretendeerde tegenvorderingen ook geldend konden worden gemaakt. Deze brief was ook niet bedoeld als een advies en al helemaal niet als een procesadvies. De brief moet volgens haar worden gelezen in samenhang met de twee eerdere brieven van [gedaagde] van 7 en 13 augustus 2008 (zie onder 2.4 en 2.5). Na de brief van 9 oktober 2008 heeft [gedaagde] niets meer van [A c.s.] vernomen over deze kwestie. Het is de eigen keuze van [A c.s.], en zijn advocaat, geweest om een reconventionele vordering in te stellen en om vervolgens te schikken voor een bedrag van € 20.000,--. Hierbij is [gedaagde] niet betrokken geweest. Er is volgens [gedaagde] geen causaal verband tussen de brief van 9 oktober 2008 en de door [A c.s.] gestelde schade.

4.11.De rechtbank is van oordeel dat, voor zover ervan moet worden uitgegaan dat hetgeen [gedaagde] in de brief van 9 oktober 2008 heeft verwoord achteraf bezien onjuist is geweest, dit op zichzelf onvoldoende is om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat [A c.s.] hierdoor in de procedure tegen [C] voor een hoger bedrag heeft moeten schikken dan het eerdere schikkingsvoorstel van € 11.500,--. Deze brief kan namelijk niet worden beschouwd als een procesadvies voor de procedure die [C] tegen [A c.s.] heeft aangespannen, omdat deze procedure pas ruim na 9 oktober 2008 door [C] is aangevangen. Hiervoor is te minder reden nu [gedaagde] onbetwist heeft aangevoerd dat zij na de brief van 9 oktober 2008 niets meer van [A c.s.] over deze kwestie heeft vernomen en dat zij ook niet op de hoogte was van deze procedure. Verder is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] [A c.s.] heeft bijgestaan dan wel heeft geadviseerd met betrekking tot de procedure tegen [C]. Onder deze omstandigheden komen de mogelijke nadelige gevolgen van het door [A c.s.] in het geding brengen van de brief van [gedaagde] van 9 oktober 2008 voor zijn risico. Voorts heeft [A c.s.], tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], onvoldoende toegelicht dat hij het eerdere schikkingsvoorstel van [C] voor het bedrag van € 11.500,-- zou hebben aanvaard indien de inhoud van de brief van 9 oktober 2008 juist was geweest. Dit standpunt van [A c.s.] ligt naar het oordeel van de rechtbank ook niet voor de hand, omdat hij dan een tegenvordering van € 49.517,-- zou hebben gehad op [C] en het maar zeer de vraag is of hij dan genoegen zou hebben genomen met een schikkingsbedrag van € 11.500,--.

4.12.Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het causale verband ontbreekt tussen de (onjuiste) brief van [gedaagde] van 9 oktober 2008 en de door [A c.s.] gestelde schade. De onder onder 3.1 sub II weergegeven vordering is evenmin toewijsbaar.

Conclusie

4.13.Geen van de onderdelen van de vordering van [A c.s.] is toewijsbaar. Dit betekent dat [A c.s.], als de in het ongelijk gestelde partij, dient te worden veroordeeld in de proceskosten, met toepassing van het gebruikelijke forfaitaire tarief. Aan [gedaagde] komt geen beroep toe op artikel 9 lid 3 van haar algemene voorwaarden, omdat dit artikel klaarblijkelijk alleen geldt bij niet tijdige betaling van facturen van [gedaagde]. [gedaagde] kan dan ook geen aanspraak maken op de werkelijke proceskosten. De veroordeling is, zoals gevorderd, een hoofdelijke.

4.14.De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 568,-- wegens griffierecht en op € 904,-- (twee punten à € 452, volgens tarief II) wegens salaris van de advocaat.

in reconventie

4.15.Het door [A c.s.] gedane beroep op verrekening en opschorting met betrekking tot de betaling van de onder 2.16 genoemde facturen (hierna: de facturen) kan niet slagen. In conventie is immers overwogen dat [A c.s.] geen (tegen)vordering heeft op [gedaagde], zodat voor de door [A c.s.] aangevoerde verrekening en opschorting geen grond bestaat.

4.16.[A c.s.] betwist op zichzelf niet de hoogte van de facturen. Zij stelt zich echter op het standpunt dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 2.328,-- incl. BTW ten onrechte in rekening heeft gebracht, verspreid over de facturen 40942 (€ 360,--), 41877 (€ 90,--) en 41878 (€ 1.507,--). Deze bedragen hebben volgens [A c.s.] betrekking op werkzaamheden in verband met het zoekraken van de benodigde "intentieverklaring" en het (alsnog) verkrijgen van goedkeuring van de belastingdienst voor de geruisloze inbreng van de eenmanszaak met ingang van 1 oktober 2006. Deze werkzaamheden zijn volgens [A c.s.], achteraf bezien, onnodig verricht. Op 16 oktober 2009 is namelijk de op 20 september 2006 geregistreerde "intentieverklaring" alsnog gevonden in het dossier van een medewerker van [gedaagde]. De belastingdienst heeft er vervolgens mee ingestemd om de fiscale inbrengdatum van de eenmanszaak alsnog met terugwerkende kracht op 1 januari 2006 te stellen, aldus nog steeds [A c.s.] Ter toelichting op dit standpunt heeft [A c.s.] onder meer de producties 7, 9, 10, 11 en 16 overgelegd. [gedaagde] erkent dat zij de op 20 september 2006 geregistreerde "intentieverklaring" aanvankelijk niet in haar dossier heeft kunnen vinden. Om eventuele schade voor [A c.s.] te beperken heeft zij in haar brief van 13 augustus 2009 een verzoek bij het ministerie van Financiën ingediend (zie productie 10 bij dagvaarding). Ter comparitie heeft [gedaagde] nog verklaard dat zij alleen met betrekking tot factuur 41878 een bedrag van € 450,-- excl. BTW ten onrechte in rekening heeft gebracht. Ten aanzien van het hier besprokene overweegt de rechtbank het volgende.

4.17.Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de vereiste "intentieverklaring" en goedkeuring van de belastingdienst voor de geruisloze inbreng van de eenmanszaak was kwijtgeraakt en dat [gedaagde] deze pas op 16 oktober 2009 alsnog in haar dossier heeft gevonden. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde], achteraf bezien, dus onnodige werkzaamheden verricht. Uit de door [gedaagde] overgelegde specificaties van haar werkzaamheden met betrekking tot de door [A c.s.] bestreden bedragen is op te maken dat deze bedragen zien op werkzaamheden van [gedaagde] in verband met het zoekraken van de benodigde "intentieverklaring" en de goedkeuring van de belastingdienst voor de geruisloze inbreng van de eenmanszaak. Daarnaast heeft [gedaagde], tegenover de gemotiveerde betwisting door [A c.s.], haar vordering op dit punt niet nader (meer) toegelicht. Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] het door [A c.s.] genoemde bedrag van € 2.328,-- in totaal, ten onrechte aan [A] in rekening heeft gebracht. Anders dan [A c.s.] heeft aangevoerd, moet dit bedrag echter nog worden verhoogd met de verschuldigde BTW, zodat een bedrag van in totaal € 2.770,32 niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.18.Gelet op dit een en ander zal de rechtbank een bedrag in hoofdsom van

€ 29.352,83 (€ 32.123,15 minus € 2.770,32) toewijzen. De gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de betreffende factuurdatum, is niet toewijsbaar. De facturen hebben immers geen betrekking op een handelsovereenkomst. De rechtbank zal wel de wettelijke rente vanaf 30 dagen na de desbetreffende factuurdatum toewijzen, nu vaststaat dat [A] met de betaling van de facturen in verzuim is. Bij deze uitkomst past dat [A] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Voor een hoofdelijke proceskostenveroordeling, zoals [gedaagde] heeft gevorderd, is geen plaats. [gedaagde] heeft immers niet toegelicht op grond waarvan [A1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de facturen en een dergelijke grondslag volgt ook overigens niet uit de vastgestelde feiten.

4.19.Ten aanzien van de door [gedaagde] gevorderde werkelijke incassokosten, ten bedrage van in totaal € 1.214,40, overweegt de rechtbank als volgt. In de opdrachtbevestiging is bepaald dat deze tevens van "kracht is voor de jaren na 2007". Uit de door [gedaagde] overgelegde specificaties van de verrichte werkzaamheden met betrekking tot de facturen, maakt de rechtbank op dat deze alle zijn verricht na het (boek)jaar 2007. Onder deze omstandigheden komt aan [gedaagde] met betrekking tot de facturen een beroep toe op artikel 9 lid 3 van haar algemene voorwaarden. Zij kan dan ook aanspraak maken op de door haar gemaakte werkelijke incassokosten van € 1.214,40, nu zij deze voldoende heeft toegelicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding van de incassokosten over te gaan.

4.20.De door [gedaagde] gevorderde "werkelijke kosten van het geding" komen op grond van artikel 9 lid 3 van de algemene voorwaarden in beginsel eveneens voor vergoeding in aanmerking. Hierbij passen enkele kanttekeningen. Opmerking verdient allereerst dat [gedaagde] niet heeft gesteld hoe hoog deze kosten precies zijn. Zij heeft slechts melding gemaakt van een bedrag van "ongeveer € 38.000". Dit bedrag betreft echter ook de procedure in conventie, waarvan de kosten niet onder de clausule van artikel 9 lid 3 van haar algemene voorwaarden vallen (zie onderdeel 4.13 van dit vonnis). De rechtbank kan op dit moment dus niet vaststellen welke advocaatkosten [gedaagde] metterdaad heeft gemaakt met betrekking tot haar reconventionele vordering. Het ligt niet voor de hand om aan te nemen dat een substantieel van het gestelde bedrag van ongeveer € 38.000 is gemaakt voor het geding in reconventie. De geschillen van partijen betreffen immers vooral de door [A c.s.] gepretendeerde (tegen)vordering. Daarover is veruit het grootste deel van hun debat in deze procedures gegaan. [A c.s.] heeft ook met een beroep op die tegenvordering betaling van de - goeddeels door hem erkende - facturen van [gedaagde] achterwege gelaten. Van belang is voorts dat de rechtbank, voor zover zij, afgezien van de verwerping van het beroep van [A c.s.] op verrekening, in het geding in reconventie een inhoudelijke beslissing op tegenspraak heeft gegeven, [gedaagde] in het ongelijk heeft gesteld. Dit betreft overigens slechts een klein deel van de totale vordering van [gedaagde]. Gelet op dit alles begroot de rechtbank de werkelijke proceskosten aan de zijde van [gedaagde], voor zover die voor vergoeding in aanmerking komen, op € 2.000,--. Voor een afzonderlijke vergoeding volgens het forfaitaire tarief is daarnaast geen grond. De vordering van [gedaagde] op dit punt wordt afgewezen voor zover daarin iets meer of anders is opgenomen.

5.De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.wijst de vordering af;

5.2.veroordeelt [A c.s.] in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en begroot deze kosten tot aan dit vonnis op € 568,-- wegens verschotten en op

€ 904,-- wegens salaris van de advocaat;

5.3.verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.veroordeelt [A c.s.] tot betaling van € 29.352,83, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, per factuur telkens berekend over de periode tussen de 31ste dag na de desbetreffende factuurdatum en de dag van de betaling;

5.5.veroordeelt [A c.s.] tot betaling van € 3.214,40 wegens buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten;

5.6.verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op

15 februari 2012.