Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6340

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
AWB 11/16816
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 7 en 15 Dublinverordening.

Geen betekenis artikel 7 van Verordening 343/2003 bij terugname. Niet voldaan aan voorwaarden voor toepassing artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 van Verordening 343/2003 omdat ten tijde van het bestreden besluit reeds door een andere lidstaat is beslist op het asielverzoek. Niet gebleken dat de situatie in Italië zodanig slecht is dat uitzetting een schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 11/16816

Datum uitspraak: 17 februari 2012

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer]

van Somalische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. E. Ebes,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 30 juli 2010 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft daartegen op 17 mei 2011 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 december 2011. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Post.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij na zijn vertrek uit Somalië in oktober 2009 in Italië is aangekomen, alwaar hij asiel heeft aangevraagd. Eiser is door Italië in het bezit gesteld van een tijdelijke verblijfsvergunning, die geldig is tot 14 januari 2013. Eiser heeft Italië verlaten om zijn vrouw in Nederland terug te vinden, zij is uit Somalië gevlucht en verblijft in Nederland. Daarnaast wil eiser in Nederland asiel aanvragen omdat het voor hem onmogelijk is in Italië te verblijven. Hij had daar geen huis, uitkering en ziektekostenverzekering.

3. Verweerder heeft de aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt ervan uitgegaan dat Italië de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (hierna: het Anti-Folterverdrag) naleeft. Eiser heeft niet aangetoond dat er concrete aanwijzingen zijn dat Italië de verdragsbeginselen van het Vluchtelingenverdrag, het Anti-Folterverdrag en het EVRM niet naleeft. Gebleken is dat eiser in Italië rechtmatig verblijf heeft, zodat door overdracht van eiser aan de Italiaanse autoriteiten geen sprake kan zijn van (indirect) refoulement. De verklaring van eiser dat hij in Nederland asiel wil aanvragen, laat onverlet dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. De omstandigheid dat de echtgenote van eiser in Nederland een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen vormt geen reden om het asielverzoek van eiser in Nederland te behandelen. Er zijn ook verder geen feiten en/of omstandigheden op grond waarvan Nederland onverplicht het asielverzoek in behandeling zou moeten nemen.

4. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Italië heeft onomwonden toegegeven dat zij haar verdragsverplichting niet nakomt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser gewezen op het overzicht van het Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk van 26 april 2011 en de daarbij vermelde bronnen, waaronder het NOAS-rapport “The Italian approach to asylum: System and core problems” van april 2011. Eiser wijst erop dat blijkens het NOAS-rapport Dublinclaimanten die terugkeren naar Italië nadat de expiratiedatum van hun verblijfsvergunning is verstreken, geconfronteerd worden met verlengingsproblemen. Verder blijkt uit de rapporten dat er een gebrek is aan bijstand op het gebied van opvang en integratie, met name voor vergunninghouders. Ter zitting heeft eiser tevens een beroep gedaan op hetgeen bekend is uit algemene bronnen over de opvang van asielzoekers in Italië, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (hierna: het arrest M.S.S.). Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat zijn vrouw in Nederland verblijft en dat uit hun relatie inmiddels een kind is geboren. Ter zitting heeft eiser gesteld dat verweerder voor de toelating van een gezinslid van een toegelaten vluchteling uitgaat van een te beperkte invulling van het begrip vluchteling. Verweerder had op grond van deze omstandigheden aanleiding moeten zien de aanvraag zelf in behandeling te nemen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Verordening 343/2003) behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van Verordening 343/2003 genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van Verordening 343/2003 kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 7 van Verordening 343/2003 is de lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek wanneer een gezinslid van de asielzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als vluchteling is toegelaten voor verblijf in deze lidstaat, mits de betrokkenen dat wensen.

7. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag in Italië heeft ingediend. Eiser heeft verklaard dat hij in het bezit is gesteld van een Italiaanse verblijfsvergunning, geldig tot 14 januari 2013. Voorts heeft Italië niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek.

8. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek omdat zijn echtgenote hier een verblijfsvergunning heeft gekregen, hetgeen, zoals verweerder ook heeft overwogen, een beroep op artikel 7 van Verordening 343/2003 impliceert, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 7 van Verordening 343/2003 heeft betrekking op de verantwoordelijkheids-bepaling als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Verordening 343/2003. Deze verantwoordelijkheidsbepaling heeft reeds in Italië plaatsgevonden en Italië heeft de aanvraag inhoudelijk behandeld en ingewilligd. In dit geval is dan ook geen sprake van een verzoek om overname, maar om terugname van eiser ingevolge artikel 16, eerste lid, onder e, van Verordening 343/2003. Nu sprake is van terugname komt aan artikel 7 van Verordening 343/2003 geen betekenis toe.

Dit maakt dat Italië op grond van Verordening 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

9. De omstandigheid dat eisers echtgenote en hun gezamenlijke kind in Nederland verblijven heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven geven om de behandeling van eisers asielaanvraag op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 van Verordening 343/2003, aan zich te trekken. Verweerder maakt weliswaar op grond van het beleid zoals neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), onder omstandigheden gebruik van de mogelijkheid om een asielverzoek onverplicht aan zich te trekken indien de asielzoeker familielid is van een vreemdeling die een asielvergunning heeft gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d van de Vw 2000. Eén van de voorwaarden om de behandeling van het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken is echter dat er nog geen beslissing op het asielverzoek in een andere lidstaat is genomen. Nu eiser ten tijde van het bestreden besluit in het bezit was van een verblijfsvergunning van Italië die geldig is tot 14 januari 2013, is er door een andere lidstaat beslist op zijn asielverzoek, zodat hij niet aan deze voorwaarde voldoet.

Ook deze beroepsgrond treft geen doel.

10. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden is de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.

Volgens het door verweerder gevoerde beleid, neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.1 van de Vc 2000, wordt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3, tweede lid, van Verordening 343/2003 het asielverzoek zelf te behandelen, terughoudend gebruik gemaakt.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van Verordening 343/2003. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM, wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

11. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraken van 14 juli 2011 met de zaaknummers 201007479/1/V3, 201002796/1/V3 en 201009278/1/V3, blijkt uit het arrest M.S.S. dat het EHRM van oordeel is dat, indien door de vreemdeling ingeroepen documenten van een al dan niet algemeen karakter aanleiding geven voor gerede twijfel over één of meer van de in dit arrest relevant geachte aspecten, een lidstaat niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar zich er bij overdracht van dient te vergewissen dat de lidstaat waar de vreemdeling aan wordt overgedragen, de eigen wetgeving in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM.

12. Nu eiser geen zienswijze heeft ingediend en eerst in beroep het overzicht van het Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk van 26 april 2011 met de daarbij vermelde bronnen heeft ingeroepen, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich hiervan in het bestreden besluit onvoldoende heeft vergewist.

13. Ter zitting heeft verweerder op de verschillende door eiser aangehaalde rapporten gereageerd en zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2011 en van 6 september 2011 (nrs. 2011808256/1/V4 en 201108256/2/V4), en van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 30 juni 2011 (LJN: BR1595), dat uit de aangehaalde stukken niet blijkt dat de situatie in Italië zodanig slecht is dat uitzetting een schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM.

14. In het licht van de aangevoerde gronden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt daarmee in dit geval voldoende gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de stukken waarop door eiser een beroep is gedaan reeds zijn betrokken bij de uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2011 en van 6 september 2011. Ook het persoonlijk relaas van eiser biedt geen indicaties voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Eiser heeft een verblijfsvergunning van de Italiaanse autoriteiten gekregen die geldig is tot 14 januari 2013. Eiser wordt in Italië dan ook niet bedreigd met uitzetting naar zijn land van herkomst.

15. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2012.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).