Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6135

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
Awb 11-36112 en Awb 11-33510
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Eisers zijn Hazara, afkomstig uit de provincie Wardak in Afghanistan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Wardak in het bijzonder, sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 14 november 2011, LJN: BU5013. Voor haar oordeel vindt de rechtbank voorts steun in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 december 2011, J.H. v. The United Kingdom, nr. 48839/09 (rechtsoverweging 55). De rechtbank volgt derhalve niet de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 18 november 2011, LJN: BU5793 en 9 december 2011 (Awb 11/37595 en 11/37594).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummers: Awb 11/36112 (eiser) en Awb 11/33510 (eiseres)

Uitspraak in de geschillen tussen:

[naam],

geboren op [geboortedatum],

van Afghaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. M. Haanstra, advocaat te Groningen,

en zijn partner

[naam],

geboren op [geboortedatum],

van Afghaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiseres,

gemachtigde: mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S. Knoop-Alberts, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van de geschillen

Ten aanzien van eiser

1.1. Op 31 oktober 2011 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. De asielaanvraag is behandeld in de zogenoemde Algemene Asielprocedure (hierna: AA). Verweerder heeft bij besluit van 8 november 2011 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 19 november 2011 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Voorts heeft eiser op 19 november 2011 de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Bij op 23 november 2011 ingekomen schrijven zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend.

1.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter openbare zitting van 25 november 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Haanstra. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.C. aan 't Goor, ambtenaar ten departemente.

1.4. Bij uitspraak van 30 november 2011 (kenmerk Awb 11/36116) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen - samengevat en onder meer - dat is gebleken dat de partner van eiser, [naam] [eiseres], reeds eerder, mede ten behoeve van hun minderjarige zoon, hier te lande een asielaanvraag heeft ingediend; dat tegen de afwijzing van haar asielaanvraag beroep is ingesteld bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo; en dat de voorzieningenrechter het aangewezen acht dat de beroepen van eisers tegelijkertijd worden behandeld.

1.5. Eiser heeft op 6 januari 2012 de gronden van beroep aangevuld.

Ten aanzien van eiseres

1.6. In verband met het hiervoor in 1.4. vermelde, is vervolgens het bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo aanhangige beroep van eiseres (kenmerk Awb 11/33510), na een daartoe strekkend verzoek van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, ter behandeling overgedragen aan laatstgenoemde nevenzittingsplaats.

1.7. Op 8 juli 2011 heeft eiseres, mede ten behoeve van haar minderjarige zoon [naam], geboren op [geboortedatum], een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 ingediend.

De asielaanvraag is behandeld in de zogenoemde Verlengde Asielprocedure (hierna: VA). Verweerder heeft bij besluit van 19 september 2011 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.8. Op 17 oktober 2011 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld. Op 17 november 2011 zijn de gronden van het beroep ingediend. Eiseres heeft op 8 januari 2012 de gronden van beroep aangevuld. In die aanvullende gronden van 8 januari 2012 heeft eiseres voorts verwezen naar hetgeen eiser in zijn beroepschrift in de zaak met kenmerk Awb 11/36116

[de rechtbank leest: Awb 11/36112] heeft aangevoerd.

Ten aanzien van eisers

1.9. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers toegezonden hen in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1.10. Verweerder heeft in de zaak van eiseres een verweerschrift, gedateerd 5 januari 2012 ingediend. De rechtbank heeft geconstateerd dat, blijkens de inhoud van het verweerschrift, de opsteller ervan niet bekend was met de zaak van eiser. In verband daarmee heeft de rechtbank op 18 januari 2012 telefonisch contact opgenomen met verweerder.

De gemachtigde van verweerder, mr. Knoop-Alberts, heeft de rechtbank in dat telefoongesprek laten weten dat zij inmiddels bekend is met de zaak van eiser en dat zij er voorts van op de hoogte is dat ter zitting van 19 januari 2012 zowel het beroep van eiser als dat van eiseres zal worden behandeld.

1.11. Verweerder heeft in de zaak van eiser een verweerschrift, gedateerd 16 januari 2012 ingediend.

1.12. De onderhavige beroepen zijn behandeld ter openbare zitting van 19 januari 2012. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen. Daarbij is eiser bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Haanstra, en eiseres door haar gemachtigde, mr. Ilahi. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Knoop-Alberts.

1.13. Bij de aanvang van de zitting heeft de rechtbank aan (de gemachtigde van) eiser meegedeeld dat zij - niettegenstaande het feit dat de zaak van eiser bij de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting van 25 november 2011 reeds inhoudelijk is behandeld - de zaak van eiser thans (opnieuw) in zijn geheel zal behandelen, gelet op de samenhang tussen de zaak van eiser en die van eiseres.

1.14. Ter voorkoming van misverstand heeft de rechtbank, bij de aanvang van de zitting, onder de aandacht van partijen gebracht dat de zaak van eiser een AA-zaak, en die van eiseres een VA-zaak betreft, hetgeen meebrengt dat in de onderscheiden zaken een verschillende termijn geldt voor het instellen van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS).

1.15. Het onderzoek is ter zitting van 19 januari 2012 gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Asielrelaas van eisers

2.1. Eisers hebben - samengevat - het volgende aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd.

Eisers behoren tot de bevolkingsgroep der Hazara. Zij hebben elkaar in 2005 leren kennen en werden verliefd. Zij schreven elkaar over en weer briefjes. De briefjes van eiser aan eiseres werden aan haar voorgelezen door haar vriendin [naam vriendin], omdat eiseres zelf analfabeet is. Om diezelfde reden schreef [naam vriendin] de briefjes van eiseres aan eiser. Na zes maanden heeft eiser aan de moeder en de broer van eiseres om de hand van eiseres gevraagd. Dezen weigerden hun toestemming te geven. Eiseres is daarop uitgehuwelijkt aan een man, genaamd [naam man].

Bijna twee jaar later vernam eiser van [naam vriendin] dat [naam man] eiseres ernstig had mishandeld. Eiser ging met [naam vriendin] mee naar haar huis, waar hij eiseres aantrof. Eiseres vertelde hem dat zij zijn laatste brief aan haar als herinnering bij zich had gehouden, en dat [naam man] deze brief had ontdekt. [naam man] wilde van haar weten van wie de brief afkomstig was. Met de ontdekking door [naam man] van de brief, was het leven van zowel eiseres als eiser in gevaar vanwege eerwraak. Eisers hebben daarop besloten samen te vluchten naar de woning van (de familie van) eiser in [plaatsnaam], nabij [plaatsnaam2]. Aldaar hebben eisers tegenover de buren voorgewend te zijn gehuwd. Zij hebben aldaar anderhalf jaar ongestoord geleefd. Eiser werkte in een levensmiddelenwinkel in [plaatsnaam2]. In [jaartal] is hun zoon geboren.

Op [datum] heeft [naam man] eiser op zijn werk in [plaatsnaam2] gevonden. Eiser is toen door [naam man] en enkele van diens kompanen ernstig mishandeld. Eiser is ontzet door buren. [naam man] heeft eiser toen laten gaan, waarbij hij eiser heeft gezegd dat hij ([naam man]) nu wist waar eiser woonde en werkte, en dat hij eiser zou doden. Eiser is daarop direct naar zijn woning gegaan. Eisers hebben hun spullen gepakt, en zijn nog diezelfde dag gevlucht.

Standpunt van verweerder

2.2. Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel. Daartoe heeft verweerder - samengevat - onder meer als volgt geoordeeld.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eisers, omdat zij toerekenbaar geen reis- of identiteitsdocumenten, dan wel andere bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, hebben overgelegd. Voorts heeft verweerder een aantal elementen uit het asielrelaas opgesomd, op basis waarvan is geoordeeld dat het relaas van eisers de vereiste positieve overtuigingskracht mist. Verweerder acht het relaas daarom ongeloofwaardig.

Verweerder acht niet aannemelijk gemaakt dat in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Wardak in het bijzonder - waar eisers volgens hun verklaring vandaan komen -, sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn).

Standpunt van eiser

2.3. Eiser heeft in beroep - samengevat - onder meer het volgende aangevoerd.

Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder dat toerekenbaar is dat hij geen documenten heeft overgelegd. Eiser is van mening dat verweerder het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

Eiser stelt dat hij aanspraak op toelating kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Daartoe voert eiser onder meer aan, onder verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 18 november 2011 (Awb 11/34275 en 11/34273) en 9 december 2011 (Awb 11/37595 en 11/37594), dat verweerder zijn standpunt dat de situatie in Afghanistan in het algemeen, en die in de provincie Wardak in het bijzonder, onvoldoende heeft gemotiveerd.

Standpunt van eiseres

2.4. Eiseres heeft in beroep - samengevat - onder meer het volgende aangevoerd.

Eiseres is van mening dat verweerder het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dat heeft verweerder gedaan op basis van futiliteiten. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het fenomeen van de "flitsherinnering".

Eiseres loopt bij terugkeer het risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Zij vreest voor eerwraak en de doodstraf.

Voor het overige verwijst eiseres naar de door haar ingebrachte zienswijze. Zij verzoekt de inhoud van de zienswijze als in de gronden van beroep herhaald en ingelast te beschouwen.

2.5. Eerst ter zitting van 19 januari 2012 heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande in de door eiser ingediende gronden van beroep naar voren is gebracht en voorts naar hetgeen dienaangaande door eiser ter zitting naar voren is gebracht.

2.6. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting van 19 januari 2012 aangegeven dat juist is dat haar beroep zich niet richt tegen de weigering, haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen op de zogenoemde a-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

Beoordeling van de beroepen

2.7. Vooraf overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele opmerking van eiseres in de gronden van beroep dat zij verzoekt de inhoud van de zienswijze als in die gronden herhaald en ingelast te beschouwen - zonder daarbij aan te geven in welk opzicht, in haar visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ten aanzien van het gestelde in de zienswijze tekortschiet -, onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op dient in te gaan.

2.8. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.9. Met betrekking tot de tegenwerping door verweerder aan eiser van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

Niet in geschil is dat eiser de vliegtickets en paspoorten waarvan hij, naar zijn zeggen, gebruik heeft gemaakt tijdens de reis van [plaats1] naar [plaats2], van [plaats2] naar [plaats3], en van [plaats4] naar [plaats5], heeft afgegeven aan de reisagent. Niet is gebleken dat eiser de vliegtickets en paspoorten onder dwang aan de reisagent heeft afgestaan. Reeds daarom heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ontbreken van documenten ter onderbouwing van zijn asielaanvraag hier te lande aan hem is toe te rekenen.

2.10. Met betrekking tot de tegenwerping door verweerder aan eiseres van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, merkt de rechtbank het volgende op.

Verweerder heeft overwogen dat eiseres ter staving van haar aanvraag niet het vliegticket heeft overgelegd waarvan zij, naar haar zeggen, gebruik heeft gemaakt tijdens de vlucht van Griekenland naar Nederland. Volgens haar verklaring heeft zij dit vliegticket weggegooid in het vliegtuig. Verder heeft verweerder overwogen dat eiseres ook overigens geen enkel indicatief bewijs van de reis heeft overgelegd en haar reisverhaal niet middels gedetailleerde, concrete en verifieerbare verklaringen aannemelijk heeft gemaakt. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen in 2.7., gaat de rechtbank in deze uitspraak niet over tot een beoordeling van dit standpunt van verweerder.

2.11. Nu zowel in de zaak van eiser als in die van eiseres sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, zal, volgens het door verweerder op grond van artikel 31 Vw 2000 gevoerde beleid, van de verklaringen van eisers een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de AbRS (onder meer de uitspraak van 11 december 2009, 200904257/1, LJN: BK 8672) kan reeds een enkel(e) hiaat, vaagheid, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom leiden dat daarvan geen sprake is.

2.12. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten en de daarin ingelaste voornemens gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eisers de vereiste positieve overtuigingskracht ontbeert. Zo heeft verweerder aan eiser onder meer tegengeworpen dat ongeloofwaardig is dat hij met eiseres in zijn eigen woning in [plaatsnaam] is gaan samenwonen, nu deze woning bekend was bij de ouders van eiseres. Derhalve was die woning voor de (gestelde) echtgenoot [naam man] van eiseres zeer gemakkelijk te traceren, aldus verweerder. Verweerder volgt eiser niet in zijn verklaring dat hij ervan was uitgegaan dat de familie van eiseres haar niet achterna zou komen omdat zij, door met eiser weg te lopen, de naam van haar familie in diskrediet had gebracht. Daartoe overweegt verweerder dat de familie van eiseres, om de goede naam van de familie te behouden, er juist alles aan zou doen om eiseres zo snel mogelijk te herenigen met haar echtgenoot [naam man]. Gezien het vorenstaande valt in de visie van verweerder niet in te zien dat eiser, samen met eiseres, ongeveer anderhalf jaar ongestoord in zijn dorp [plaatsnaam] heeft kunnen blijven wonen.

Voorts heeft verweerder aan eiser onder meer tegengeworpen dat ongeloofwaardig is dat hij, na het door hem gestelde incident met [naam man] op [datum], ongestoord naar huis heeft kunnen gaan, zijn spullen heeft kunnen inpakken en vervolgens met eiseres en hun kind heeft kunnen vertrekken. Verweerder vermag niet in te zien dat [naam man], wanneer deze zijn vrouw [eiseres] na zoveel maanden uiteindelijk heeft gevonden, eiser niet heeft opgewacht bij zijn woning dan wel eiser niet is gevolgd toen hij naar zijn huis vluchtte. Deze ongeloofwaardig-heid wordt nog versterkt, aldus verweerder, door de verklaringen van eiser dat hij reeds vóór het incident van [datum] tegen zijn vriend had gezegd dat hij plannen had om naar Europa te gaan en deze vriend had gevraagd om hem te helpen, een reisagent te vinden. Gezien het vorenstaande hecht verweerder geen geloof aan de verklaring van eiser dat [naam man] op zoek is naar eisers en dat eisers om die reden zijn gevlucht.

Verweerder heeft aan eiseres onder meer tegengeworpen dat zij vage en summiere verklaringen heeft afgelegd omtrent haar asielrelaas. Zo weet zij niet op welke datum, maar ook niet in welke maand of in welk jaar zij met [naam man] is gehuwd. Ook weet zij niet wie de tweede en derde getuige waren bij haar huwelijk met [naam man], en of er een huwelijksakte is opgemaakt. Voorts weet zij niet wanneer [naam man] haar heeft betrapt met de brief van eiser, wanneer hij haar heeft mishandeld, en wanneer zij vervolgens met eiser is gevlucht.

Voorts heeft verweerder aan eiseres onder meer tegengeworpen dat zij in de loop van de procedure tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft zij tijdens het eerste gehoor verklaard dat zij tot ongeveer haar 22e levensjaar in [plaatsnaam3] heeft gewoond, en daarna bijna 2,5 jaar in [plaatsnaam2]/ [plaatsnaam]. In het proces-verbaal van 11 mei 2011 heeft zij echter aangegeven dat zij haar hele leven in [plaatsnaam3] heeft gewoond, In het aanvullend nader gehoor heeft zij wederom een andere verklaring afgelegd, aldus verweerder.

2.13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eisers positieve overtuigingskracht ontbeert. Dat standpunt kan reeds worden gedragen door de, hiervoor in 2.12. vermelde, door verweerder gesignaleerde ongerijmdheden, vaagheden en tegenstrijdigheden, nu dit ongerijmdheden, vaagheden en tegenstrijdigheden betreffen die zich voordoen op het niveau van de relevante bijzonderheden.

2.14. Overigens overweegt de rechtbank nog dat uit de dossierstukken blijkt dat eisers, zoals verweerder terecht heeft gesteld in het bestreden besluit ten name van eiser, ook onderling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd op essentiële onderdelen van het asielrelaas waarmee ook de andere delen van het asielrelaas worden aangetast. Gelet op het in 2.13. gegeven oordeel van de rechtbank, laat de rechtbank dit aspect hier verder buiten bespreking.

2.15. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het asielrelaas van eisers geen geloof kan worden gehecht.

Met betrekking tot het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn

2.16. Eiser heeft in de gronden van beroep gemotiveerd stelling genomen tegen verweerders in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Wardak in het bijzonder, geen sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.17. Zoals hiervoor vermeld in 2.5., heeft eiseres zich eerst ter zitting van 19 januari 2012 beroepen op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, onder verwijzing naar hetgeen door eiser dienaangaande naar voren is gebracht. Door zich eerst ter zitting hier op te beroepen, heeft eiseres in beginsel gehandeld in strijd met de goede procesorde.

De rechtbank zal deze beroepsgrond van eiseres in het hiernavolgende niettemin inhoudelijk beoordelen, gelet op de samenhang tussen het beroep van eiser en dat van eiseres. Daarbij heeft de rechtbank voorts betrokken dat de gemachtigde van verweerder zich ten aanzien van de gestelde aanspraak op toelating op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn heeft kunnen voorbereiden, nu eiser in de gronden van beroep wel gemotiveerd stelling heeft genomen tegen verweerders standpunt met betrekking tot artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.18. De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Wardak in het bijzonder, geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. In het verweerschrift van 16 januari 2012 heeft verweerder dit standpunt nader toegelicht.

Onder verwijzing naar recente rechtspraak van de AbRS, waaronder haar uitspraak van 14 november 2011, 201002738/1/V2, LJN: BU5013 - bij welke uitspraak de AbRS het arrest van 20 juli 2010 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake N. tegen Zweden, nr. 23505/09 (JV 2010/373) heeft betrokken -, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de door eisers overgelegde stukken informatie bevatten die grond biedt voor het oordeel dat de mate van willekeurig geweld in het door eisers gestelde gewapend conflict thans afwijkt van de door het EHRM op 20 juli 2010 aangenomen veiligheidssituatie en dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan aan te nemen dat een burger in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Wardak in het bijzonder, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Voor haar oordeel vindt de rechtbank voorts - naast in het arrest van het EHRM van 13 oktober 2011, Husseini tegen Zweden, nr. 10611/09 (rechtsoverweging 84), waarnaar ook de AbRS verwijst in haar voormelde uitspraak van 14 november 2011 - steun in het arrest van het EHRM van 20 december 2011, J.H. v. The United Kingdom, nr. 48839/09 (rechtsoverweging 55).

Voor zover de door eisers aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 18 november 2011 en 9 december 2011 zouden (moeten) leiden tot een andersluidend oordeel ten aanzien van dit onderdeel van het beroep van eisers, volgt de rechtbank deze uitspraken niet.

2.19. Verweerder heeft derhalve terecht de aanvraag van eisers om een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 afgewezen.

2.20. De beroepen zijn ongegrond.

2.21. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake Awb 11/36112 en het beroep inzake Awb 11/33510 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, in aanwezigheid van M.H. Bolhuis, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2012.

De griffier, De rechter,

Tegen de uitspraak in het beroep met kenmerk Awb 11/36112 kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage.

Tegen de uitspraak in het beroep met kenmerk Awb 11/33510 kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de AbRS, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage.

Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.