Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV5828

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
16-02-2012
Zaaknummer
387517 / HA ZA 11-0515
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid rechtbank. Te vernietigen schenking en/of onrechtmatige daad in Zwitserland, Nederlandse eiser, Duitse gedaagde. Artikel 5 EEX-Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Vonnis van 1 februari 2012 in het incident tot onbevoegdheid

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 387517 / HA ZA 11-0515 van:

[curator], handelend als curator over [A],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. A.A. den Hollander,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. G.L. Maaldrink.

De rechtbank zal de procespartijen hierna [curator] en [gedaagde] noemen.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 december 2010 tegen de eerste rolzitting van 16 februari 2011, met elf producties;

- de incidentele conclusie voor alle weren tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter van 5 oktober 2011, met één productie;

- de incidentele conclusie van antwoord van 30 november 2011.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De geschillen in de hoofdzaak

2.1.[curator] vordert kort gezegd primair dat de rechtbank de schenkingsovereenkomst waarbij [A] aan [gedaagde] een bedrag van € 1.000.000,- heeft geschonken zal vernietigen wegens misbruik van omstandigheden als bedoeld in art. 7:176 BW of op grond van de wilsgebreken bedoeld in art. 3:44 BW of op grond van dwaling of onrechtmatig handelen, met veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van € 1.000.000,-, met nevenvorderingen. Subsidiair - voor het geval dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van een schenking maar van een beheersovereenkomst - vordert [curator] kort gezegd dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om het door [A] bij [gedaagde] in beheer gegeven bedrag van € 1.000.000,- aan [A] of aan haar curator [curator] terug te geven, met nevenvorderingen.

2.2.Samengevat stelt [curator] daartoe als curator van [A] primair dat er geen sprake is van een geldige schenking, omdat het nooit de werkelijke bedoeling van de toen 86-jarige [A] is geweest om in april 2007 haar op een bankrekening in Zwitserland aanwezige vermogen van € 1.000.000,- aan haar aangetrouwde neef [gedaagde] te schenken. Er was sprake van misbruik van omstandigheden, bedreiging, bedrog, onaanvaardbare druk, het veroorzaken van dwaling of onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens de kwetsbare [A] bij deze schenking. Zijn subsidiaire vordering baseert [curator] op de voorwaardelijke stelling dat [gedaagde] als toenmalig beheerder dat beheerde vermogen van € 1.000.000,- aan [A] of aan haar curator [curator] moet teruggeven.

3.De geschillen in het incident

3.1.[gedaagde] heeft zich voor alle overige weren op het standpunt gesteld dat [A] hem het bedrag van € 1.000.000,- in Zwitserland heeft geschonken en dat er geen sprake was van een beheersovereenkomst. Aan de voorwaarde voor de subsidiaire vorderingen van [curator] is dus niet voldaan. Voor alle overige verweren vordert [gedaagde] dat de rechtbank te Den Haag zich onbevoegd verklaart om van de resterende primaire vorderingen van [curator] kennis te nemen, met nevenvorderingen.

3.2.[gedaagde] stelt daartoe dat [curator] hem op grond van de hoofdregel van artikel 2 van de EEX-Verordening had moeten dagvaarden voor de rechter van zijn woonplaats in Duitsland. Volgens [gedaagde] is de rechtbank te Den Haag ook niet bevoegd op grond van de alternatieve bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening. [curator] stelt zich daarentegen op het standpunt dat de rechtbank te Den Haag wel bevoegd is op grond van artikel 5 lid 1 onder a of artikel 5 lid 3 van de EEX-Verordening. Op de relevante stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling in het incident

4.1.Omdat [gedaagde] in Duitsland woont en [curator] in Nederland, is er sprake van een geschil met een internationaal karakter. Zowel Duitsland als Nederland zijn lidstaten als bedoeld in de EEX-Verordening, waardoor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden bepaald aan de hand van deze verordening.

4.2.Op grond van artikel 2 EEX-Verordening geldt als hoofdregel dat gedaagde [gedaagde] voor de Duitse rechter van zijn woonplaats [woonplaats] moet worden opgeroepen, en dus niet voor de rechtbank Den Haag als woonplaats van de eiser [curator].

4.3.[curator] heeft zich echter beroepen op de alternatieve bevoegdheidsregels van de artikelen 5 lid 1 onder a EEX-Verordening en 5 lid 3 EEX-Verordening, die bepalen dat ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst ook kan worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, en ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

4.4.Volgens [curator] is er een voldoende nauwe band met Den Haag, omdat de door de rechtbank te vernietigen schenkingsovereenkomst tussen [A] en [gedaagde] - hoewel in Zwitserland uitgevoerd - al in Den Haag is gesloten of voorbereid, en omdat het ten onrechte geschonken bedrag van € 1.000.000,- in Den Haag aan [A] moet worden terugbetaald voor wat betreft de vorderingen van contractuele aard. Volgens [curator] heeft het schadebrengende feit zich ook in Den Haag voorgedaan voor wat betreft de grondslag onrechtmatige daad. [gedaagde] bestrijdt primair dat artikel 5 EEX-Verordening ziet op de door [curator] ingestelde vorderingen. Subsidiair wijst hij erop dat artikel 5 EEX-Verordening slechts zou kunnen leiden tot alternatieve bevoegdheid van de Zwitserse rechter te Basel naast bevoegdheid van de Duitse rechter van zijn woonplaats [woonplaats], omdat de door [curator] aangevochten schenking van [A] aan [gedaagde] in Basel te Zwitserland heeft plaatsgevonden.

4.5.Naar het oordeel van de rechtbank is zij onbevoegd om van de ingestelde vorderingen kennis te nemen. Indien en voor zover artikel 5 lid 1 onder a EEX-Verordening en artikel 5 lid 3 EEX-Verordening al op de door [curator] ingestelde vorderingen van toepassing zouden zijn, zou dit naar het oordeel van de rechtbank hooguit kunnen leiden tot bevoegdheid van de Zwitserse rechter te Basel. De omstreden schenking van € 1.000.000,- is immers onmiskenbaar uitgevoerd in Basel te Zwitserland, en ook daar heeft zich onmiskenbaar het schadebrengende feit aan het daar op een Zwitserse bankrekening geparkeerde vermogen van [A] voorgedaan, alles zoals bedoeld en bepaald in artikel 5 EEX-Verordening.

4.6.Het strookt niet met de strekking van de EEX-Verordening om de alternatieve bevoegdheidsregels van artikel 5 EEX-Verordening zo ver op te rekken als door [curator] in deze procedure bepleit. Daardoor zou in soortgelijke gevallen in feite het door de EEX-Verordening als exorbitant beschouwde eigen forum van de eiser [curator] te Den Haag worden gecreëerd door een te ruime en te vergezochte interpretatie van artikel 5 lid 1 onder a of artikel 5 lid 3 EEX-Verordening. [curator] had dit incidentele geschil en het academische debat daarover bij wellicht meerdere rechterlijke instanties kunnen voorkomen door conform de hoofdregel van artikel 2 EEX-Verordening gedaagde [gedaagde] eenvoudigweg op te roepen voor de Duitse rechter van diens Duitse woonplaats [woonplaats].

4.7.De slotsom luidt dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren en [curator] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde] moet veroordelen, zowel in het incident als in de hoofdzaak, en met de nevenvorderingen waartoe [gedaagde] in dat verband heeft geconcludeerd.

5.De beslissingen

De rechtbank:

in het incident en in de hoofdzaak

5.1.verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen;

5.2.veroordeelt [curator] tot betaling aan [gedaagde] van € 452,- aan fictief salaris advocaat in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 15 februari 2012;

5.3.veroordeelt [curator] tot betaling aan [gedaagde] van € 1.414,- aan griffierecht in de hoofdzaak, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 15 februari 2012;

5.4.veroordeelt [curator] tot betaling aan [gedaagde] van € 131,- aan nakosten, nog te vermeerderen met € 68,- in het geval van betekening, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen met ingang van 15 februari 2012;

5.5.verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen onder 5.2, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de rolrechter mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 1 februari 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.