Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV3602

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-02-2012
Datum publicatie
16-02-2012
Zaaknummer
AWB 12/2382 en AWB 23/2432
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de aard van het inreisverbod, bezien in samenhang met de maatregel van bewaring, moet verweerder ook in staat zijn om op gronden die in beroep zijn aangevoerd uiterlijk ter zitting te kunnen motiveren waarop hij zijn besluit baseert en waarom de aangevoerde gronden al of niet tot een ander oordeel moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 12/2382 en AWB 23/2432

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1985], van Surinaamse nationaliteit, alias [naam], geboren op [1983], eiser,

gemachtigde: mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. F.S. Schoot.

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 januari 2012 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft verweerder aan eiser het besluit opgelegd dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Het besluit omvat tevens een inreisverbod voor de periode van drie jaar.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Over het inreisverbod heeft eiser aangevoerd dat verweerder te weinig rekening heeft gehouden met eisers individuele omstandigheden, te weten de wens in Nederland een studie te volgen en het bezoeken van in Nederland wonende familie. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het continueren van het familie- en gezinsleven zoals dat nu bestaat, geen reden is om af te zien van het inreisverbod. De enkele stelling van eiser dat hij een studie in Nederland wenst te volgen, is evenmin reden hiervan af te zien. De rechtbank stelt vast dat eiser in het gehoor van 23 januari 2012, dat ging over het op te leggen terugkeerbesluit en inreisverbod, heeft gezegd geen nadere vragen te hebben over het inreisverbod en de gevolgen hiervan. Eiser heeft niet gesproken over omstandigheden op grond waarvan verweerder van het inreisverbod zou moeten afzien, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het besluit mocht uitgaan van het gevoerde beleid. Op grond van artikel 6.5a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft verweerder een inreisverbod met een termijn van drie jaar mogen opleggen. Gelet op de aard van dit besluit, bezien in samenhang met de maatregel van bewaring, moet verweerder echter ook in staat zijn om op gronden die in beroep zijn aangevoerd uiterlijk ter zitting te kunnen motiveren waarop hij zijn besluit baseert en waarom de aangevoerde gronden al of niet tot een ander oordeel moeten leiden. Gelet op eisers vaagheden in zijn verklaringen over familie en studie in Nederland en verweerder nadere motivering ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen vasthouden aan de termijn van drie jaar. De beroepsgrond faalt.

2. Tegen het terugkeerbesluit heeft eiser geen specifieke beroepsgronden aangevoerd, zodat geen reden bestaat dit besluit te vernietigen.

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

4. Niet bestreden is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

5. Eiser voert aan dat verweerder voortvarend dient te werken aan zijn uitzetting naar Suriname, mede gelet op het feit dat de Surinaamse autoriteiten een noodpaspoort hebben afgegeven. De rechtbank overweegt dat via tussenkomst van het IOM de Surinaamse autoriteiten een noodpaspoort voor eiser hebben afgegeven. Voor eiser staat een vlucht gepland naar Paramaribo, Suriname, voor 2 februari 2012. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend handelt bij de voorbereiding van de uitzetting van eiser.

6. Gelet op het voorgaande en artikel 94, vierde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

7. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2012.

griffier rechter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.