Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV3453

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
394107 - HA ZA 11-1476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weduwe, eiseres, vordert schadevergoeding van de Staat wegens bieden van onvoldoende bescherming aan haar wijlen echtgenoot, die als anonieme bedreigde getuige in het Kolbak-proces zou getuigen tegen o.m. [C]. Reikwijdte van de zorgplicht van de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 394107 / HA ZA 11-1476

Vonnis van 1 februari 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.H. Fellinger te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (HET OPENBAAR MINISTERIE EN HET MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W. Heemskerk te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 april 2011;

- de conclusie van antwoord (met producties);

- het tussenvonnis van 24 augustus 2011, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; en

- het proces-verbaal van comparitie van 14 november 2011, en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is de weduwe van de heer [A] (hierna: [A]) en eigenaar van een aantal horeca-gelegenheden in Amsterdam en Zandvoort.

2.2. In januari en maart 2005 heeft [A] tegenover de Nationale Recherche in het geheim een drietal verklaringen afgelegd over de afpersing van zijn vriend en vastgoedhandelaar [B] door [C] (hierna: [C]). [C] was verdachte in een strafrechtelijk onderzoek van het Landelijk Parket, genaamd "Kolbak" naar aanleiding van het vermoeden van georganiseerde afpersing van vastgoedhandelaren. [B] werd in november 2005 geliquideerd en eind januari 2006 werd [C] aangehouden. Kort hierna heeft [A] (op 12 februari 2006) in het geheim een vierde verklaring tegenover de Nationale Recherche afgelegd. Alle verklaringen van [A] tegenover de Nationale Recherche werden bewaard in een kluis en zijn aangemerkt als zogeheten "kluisverklaringen". De kluisverklaringen mochten alleen met toestemming van [A] in het politieonderzoek worden gebruikt.

2.3. Naar aanleiding van die kluisverklaringen heeft toenmalig officier van justitie

mr. [D] (hierna: mr. [D]) [A] gevraagd om als getuige een verklaring af te leggen in het strafproces tegen [C] en anderen. [A] heeft te kennen gegeven alleen anoniem te willen verklaren in verband met zijn eigen veiligheid en dat van zijn gezin. Op vordering van mr. [D] heeft de rechter- commissaris aan [A] op 27 maart 2006 de status van anonieme bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Wetboek van strafvordering (Sv) toegekend.

2.4. Eén dag later, op 28 maart 2006, werd [A] (in een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd "Artemis") aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de Opiumwet, bestaande uit het medeplegen van handelen in meer dan 100 kilogram softdrugs. [A] is door de rechtbank Amsterdam op 31 maart 2006 in bewaring gesteld en overgebracht naar de Bijlmer-gevangenis. Mr. [D] heeft vervolgens aan de betrokken officier van justitie in het Artemis-onderzoek gevraagd of de gevangenhouding van [A] noodzakelijk was voor dat onderzoek. [A] is op 13 april 2006 in vrijheid gesteld.

2.5. Op 20 april 2006 is [A] in café De Hallen in Amsterdam doodgeschoten.

2.6. Op 13 juni 2006 heeft het openbaar ministerie de kluisverklaringen van [A] aan het onderzoeksdossier van Kolbak toegevoegd.

2.7. Half oktober 2007 heeft [eiseres] aan de minister van justitie verzocht om informatie over de afspraken die met [A] zijn gemaakt in het onderzoek Kolbak. [eiseres] vraagt zich in haar brief, onder meer, het volgende af:

"(...)

1. Om welke reden is [A] uit voorarrest ontslagen uit de Bijlmerbajes?

2. Wat voor risicoanalyse is er gemaakt met het oog op getuigenbescherming?

3. Had [A] niet in een getuigenprogramma of safehuis moeten komen?

4. Wat was de deal met justitie als hij praatte?

(...)

7. Wat kunnen wij verwachten als slachtoffers van dit drama (...) Wij zijn achtergelaten met een grote financiële misère (...)".

2.8. Naar aanleiding van deze brief heeft het College van procureurs-generaal (hierna: het College) [eiseres] uitgenodigd voor een gesprek. Eind december 2007 heeft een bespreking plaatsgehad tussen [eiseres], haar toenmalige raadsvrouwe mr. N. Cuvelier (hierna: mr. Cuvelier) en mr. [E]. Tijdens deze bespreking heeft mr. [E] de gang van zaken rondom de kluisverklaringen van [A] toegelicht. Bij brief van 23 januari 2008 aan mr. Cuvelier heeft mr. [E], onder meer, geschreven:

"(...)

- Na de aanhoudingen van [C] en anderen in januari 2006 heeft [A] in februari 2006 een gesprek gehad met de heer [D]; hij wilde alsnog een voor het bewijs bruikbare verklaring afleggen, maar uitsluitend als aan hem de status van bedreigde anonieme getuige zou worden toegekend. In de periode van februari tot en met april 2006 is de geëigende procedure bij de rechtbank gevolgd. Tegenover andere rechercheurs van de Nationale recherche, die van dit vertrouwelijke traject niet op de hoogte waren, verklaarde [A] in maart 2006 niets te willen zeggen.

- Vervolgens werd [A] aangehouden i.v.m. de Opiumwet, en na enige tijd in vrijheid gesteld. Van een inhoudelijk nader verhoor door de rechter-commissaris in aanwezigheid van verdediging en OM is het niet meer kunnen komen door de dood van [A].

- De kluisverklaringen van begin 2005 zijn in juni 2006, enkele maanden na de dood van [A], alsnog door het OM aan het dossier van de aangehouden verdachten [C] e.a. toegevoegd. Enkele passages uit die verklaringen zijn, ter bescherming van derden, daaruit weggelaten. (...)"

2.9. Begin februari 2008 heeft mr. Cuvelier het College verzocht om financiële genoegdoening, waarbij de totale schuldenlast van [eiseres] op dat moment werd begroot op circa € 134.000,00.

2.10. De door [eiseres] ingediende aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het Schadefonds) is in oktober 2007 afgewezen, evenals het door haar daartegen ingestelde bezwaar. Bij beschikking van 25 mei 2009 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het beroepschrift van [eiseres] ongegrond verklaard.

2.11. Bij brief van 22 juli 2008 heeft mr. [E] in het kader van de bezwaarprocedure bij het Schadefonds aan mr. Cuvelier, onder meer, het volgende geschreven:

"(...) hebt u mij gevraagd of ik als behandelend officier van justitie in de strafzaak "Kolbak" tegen [C] e.a. iets zou kunnen schrijven over de positie van de op 20 april 2006 geliquideerde heer [A].

(...) deel ik u mede dat de aanleiding tot de moord op [A] niet primair wordt gezocht in zijn betrokkenheid bij (handel in) verdovende middelen in de periode kort daarvóór (...). Enkele opmerkingen in dit verband. Het OM beschikt over aanwijzingen dat in de directe omgeving van [A] al langer bekend was dat hij vertrouwelijk met de politie over [C] sprak. En hoewel deze op dit moment geen verdachte is in het moordonderzoek zijn er aanwijzingen van een langdurig conflict tussen beiden. [C] heeft daarover tijdens de terechtzitting in zijn eigen strafzaak bij de rechtbank te Haarlem verklaard, zij het enigszins bagatelliserend. Er zijn voorts aanwijzingen dat [A] er zelf van uit ging dat als hij vermoord zou worden [C] daarin de hand zou hebben. Er zijn tenslotte ook aanwijzingen dat aan de moord op [A] een opdracht is voorafgegaan die dateert van vóór de drugstransactie waarbij [A] werd aangehouden. (...)".

2.12. Bij vonnissen van 27 oktober 2008 zijn [F] en [G] (hierna: [F] en [G]) door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (het medeplegen van) de moord op [A]. Zij zijn voorts hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 16.863,11 ter zake van de begrafeniskosten. In zijn arresten van 16 november 2009 heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de vordering benadeelde partij tot datzelfde bedrag bekrachtigd. [F] en [G] hebben beroep in cassatie ingesteld.

2.13. Het College heeft bij brief van 26 januari 2009 aan mr. Cuvelier een reactie gegeven op het verzoek om financiële genoegdoening (opgenomen onder 2.9.). Door het College werd een bedrag van € 3.500,00 aangeboden tegen finale kwijting. In genoemde brief is, onder meer, opgenomen:

"(...) Hoewel geen sprake is van aansprakelijkheid bekijkt het College in de onderhavige kwestie wel of er aanleiding bestaat om coulancehalve over te gaan tot een financiële bijdrage aan de situatie van uw cliënte. (...) kan niet worden ontkend dat de onderhavige kwestie uitzonderlijk en tamelijk specifiek is. (...) Zonder in te willen gaan op de juistheid van de beslissing van het Schadefonds of het oordeel van de rechtbank, is het College van oordeel dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval bij hoge uitzondering aanleiding kan worden gevonden tot een bijdrage van het Openbaar Ministerie. Voor de bepaling van de hoogte van de bijdrage wordt door het College gekeken naar de richtlijnen van het Schadefonds. Deze richtlijnen in ogenschouw genomen, is naar het oordeel van het College een bedrag van € 3.500,- redelijk.

Bijgaand treft u een verklaring van finale kwijting aan. Hoewel van aansprakelijkheid uitdrukkelijk geen sprake is - en een dergelijke verklaring daar in de regel juist op ziet - is om administratieve redenen een ondertekende afstandsverklaring vereist.(...)"

2.14. In verband met onvrede over deze brief heeft [eiseres] een interview in de media gegeven over de kwestie. De toenmalige voorzitter van het College, mr. [H] (hierna: mr. [H]) heeft vervolgens aan [eiseres] laten weten dat de betreffende brief als ongeschreven moet worden beschouwd. Hierop heeft eind april 2009 een gesprek plaatsgehad met [eiseres], mr. Cuvelier, mr. [H] en mr. [I] (hierna: mr. [I]), toenmalig hoofd van de Afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal. In het vertrouwelijke gespreksverslag is het volgende opgenomen:

"(...)

- [eiseres] heeft haar financiële situatie toegelicht (ter sprake kwamen onder anderen de gemeente, de strandtent van wijlen haar man en de belastingdienst). Ze vertelde veel schulden te hebben. Deze waren overigens geen direct gevolg van het overlijden van haar man, maar veel zaken waren achterstallig.

- Dhr. [H] heeft geconstateerd dat er sprake was van bijzondere omstandigheden en dat [eiseres] in een zware situatie verkeerd.

- Toegezegd is dat er een coulancehalve bedrag zal worden aangeboden. Omdat het OM uitdrukkelijk niet aansprakelijk kan worden gehouden is dit dus geen bedrag waarover onderhandeld zal worden en zal er ook geen verklaring van finale kwijting worden gevraagd. In dat bedrag zal een bijdrage zijn vervat in de kosten van rechtsbijstand tot op heden. Met mr. Cuvelier is daarom afgesproken dat zij die kosten inzichtelijk zou maken."

2.15. In mei en juni 2009 heeft mr. Cuvelier het College de gevraagde stukken toegezonden, alsmede specificaties van de door [eiseres] gemaakte advocaatkosten. Bij brief van 6 juli 2009 van mr. [H] aan mr. Cuvelier, heeft het College [eiseres] een tegemoetkoming aangeboden van € 35.000,00. Ook de in eerste aanleg toegewezen vordering benadeelde partij van [eiseres] van € 16.863,11 werd hiermee (door middel van cessie) overgenomen, lopende het hoger beroep, zodat de risico's en zorgen van de inning van deze kosten niet langer bij haar zouden rusten. In de brief is, onder meer, het volgende vermeld:

"(...) Hoewel inderdaad niet is komen vast te staan dat het gewelddadig overlijden van de heer [A] het gevolg is geweest van zijn bijzondere positie in lopende strafrechtelijke onderzoeken, valt dit evenmin uit te sluiten. Van juridische aansprakelijkheid ten opzichte van uw cliënte kan aldus niet gesproken worden, doch het College is van oordeel dat op het Openbaar Ministerie in deze bijzondere zaak een moreel appèl kan worden gedaan. (...) Het College biedt uw cliënte een tegemoetkoming aan van € 35.000,-. Dit bedrag omvat de vergoeding van de kosten van uw rechtsbijstand (...) en een immateriële bijdrage met betrekking tot de emotionele schade van uw cliënte. (...)

2.16. Tevens heeft op 6 juli 2009 een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres], mr. Cuvelier en de officieren van justitie mr. [D], mr. [E] en mr. [I]. Hierin hebben de officieren van justitie nogmaals toelichting gegeven over de gang van zaken, onder meer:

"(...) stelt [eiseres] dat dhr. [A] beveiligd had moeten worden. Haar is uitgelegd dat hem duidelijk was gemaakt wat de diverse mogelijkheden van beveiliging waren bij het op naam verklaren, maar hij wilde uitdrukkelijk niet beveiligd worden. Hij heeft daarom zelf de beslissing genomen anoniem te verklaren. Zijn aanhouding vanwege de hashhandel-verdenkingen kwam ook voor justitie op een slecht moment, maar de politie in dat onderzoek wist natuurlijk niets van de rol als getuige van [A]. Uitgelegd is dat er uitdrukkelijk geen link was tussen de aanhouding en vrijlating en zijn beslissing tot het afleggen van verklaringen.(...)."

2.17. In oktober 2009 heeft de Staat een bedrag van € 18.137,00 aan [eiseres] overgemaakt, zijnde het deel van het aangeboden bedrag van € 35.000,00 dat niet zag op de vordering benadeelde partij.

2.18. Mr. [I] heeft zich tijdens een telefonisch contact met de voicemail van [eiseres] zeer kwetsend uitgelaten over [eiseres] persoonlijk, niet wetende dat de verbinding met de voicemail nog niet was verbroken. Mr. [H] heeft bij brief van 3 november 2009 verontschuldigingen aangeboden namens het College en afstand genomen van de bewoordingen van mr. [I].

2.19. Bij brieven van 30 november 2009 en 29 januari 2010 heeft de huidige raadsman van [eiseres], mr. Fellinger, de Staat aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden schade en aangegeven dat het College aan [eiseres] heeft toegezegd haar volledig te compenseren voor de schade.

2.20. Hierna hebben partijen over en weer gecorrespondeerd.

2.21. [eiseres] heeft begin april 2010 de akte van cessie ondertekend en de Staat heeft vervolgens op 27 mei 2010 een bedrag van € 16.863,51 aan [eiseres] betaald in verband met de overgenomen vordering benadeelde partij. De cessie is bij brieven van 22 juni 2010 aan [F] en [G] medegedeeld.

2.22. Bij brief van 25 februari 2011 heeft mr. Fellinger, namens [eiseres], de Staat nogmaals aansprakelijk gesteld voor de geleden schade, en de verjaring gestuit.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

A. primair

- een verklaring voor recht dat de Staat door de toezegging van mr. [H] gehouden is de door [eiseres] ten gevolge van het overlijden van [A] geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

subsidiair en meer subsidiair

- een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A], door in strijd met de wettelijke eisen betreffende de status van anonieme bedreigde getuigen, na te laten afdoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat [A] werd vermoord op 20 april 2006, waardoor tevens in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid jegens [eiseres] is gehandeld, met veroordeling van de Staat tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

B. een verklaring voor recht dat de Staat in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft gehandeld jegens [eiseres], door zonder toestemming van [A] de kluisverklaringen te gebruiken in de rechtszaal, waardoor Heineken gestopt is met de leverantie aan de horecaondernemingen van [eiseres], ten gevolge waarvan haar horecaondernemingen ten onder zijn gegaan en [eiseres] dientengevolge schade heeft geleden, met veroordeling van de Staat tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

C. veroordeling van de Staat in de proceskosten, de nakosten daarin begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis.

3.2. [eiseres] legt hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag. Zij stelt zich primair op het standpunt dat de Staat gehouden is tot nakoming van een toezegging van mr. [H] dat haar schade volledig door de Staat zou worden vergoed. Subsidiair stelt [eiseres] dat de Staat heeft nagelaten om, in het bijzonder na zijn vrijlating uit de Bijlmergevangenis, afdoende beschermingsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat [A] werd vermoord, terwijl de Staat ervan op de hoogte was dat hij zich met reden grote zorgen maakte over zijn veiligheid. De Staat wist dat [A] door het milieu in de gaten werd gehouden en dat het vermoeden begon te groeien dat [A] met justitie sprak. Justitie had [A] ofwel in voorlopige hechtenis moeten houden en hem als gedetineerde als anonieme bedreigde getuige moeten horen, ofwel hem moeten vrijlaten en hem via een beschermingsprogramma of anderszins moeten beschermen. Daarnaast heeft de Staat in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid gehandeld door de kluisverklaringen van [A] zonder overleg na diens overlijden aan het Kolbak-dossier toe te voegen. [eiseres] heeft hierdoor schade geleden, omdat Heineken, nadat via de media bekend was geworden dat [A] had meegeholpen om het losgeld in de Heineken-ontvoering op te graven, is gestopt met de leveranties voor de horecagelegenheden van [eiseres] en wijlen [A], als gevolg waarvan deze horecagelegenheden ten onder zijn gegaan. [eiseres] stelt dat zij door het onrechtmatig handelen van de Staat tevens immateriële schade heeft geleden; zij is inmiddels onder behandeling bij een psycholoog, die de voorlopige diagnose posttraumatische stress stoornis (PTSS) heeft gesteld. Voorts vordert zij shockschade.

3.3. De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Gestelde toezegging door mr. [H]

4.1. De rechtbank is - met de Staat - van oordeel dat noch uit het gespreksverslag van eind april 2009 (opgenomen onder punt 2.14.), noch uit de overgelegde correspondentie en de overige gespreksverslagen blijkt van een onvoorwaardelijke mondelinge of schriftelijke toezegging van mr. [H] om alle door [eiseres] geleden schade te vergoeden. In het gesprek van april 2009 heeft mr. [H] zich (slechts) bereid getoond om [eiseres], bij wijze van coulanceregeling in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval, een financiële tegemoetkoming aan te bieden. Gesteld noch gebleken is dat deze gespreksverslagen en brieven geen goede weergave vormen van hetgeen besproken was. Uit de stellingen van [eiseres] en de overgelegde stukken volgt evenmin dat [eiseres] hetgeen in de bespreking van april 2009 door mr. [H] is verklaard, heeft opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging om de schade volledig te compenseren. [eiseres] heeft immers zelf ter comparitie verklaard: "De toezeggingen die zijn gedaan, waren dat ik een bedrag zou krijgen of ik dat nu zou willen of niet. Wat er precies met die toezeggingen bedoeld werd, weet ik niet." Weliswaar heeft [eiseres] ter comparitie verklaard dat zij zich in de gesprekken met het Parket-Generaal "overruled" voelde, maar hieruit kan de rechtbank hooguit afleiden dat hetgeen besproken was niet overeenstemde met de wensen van [eiseres] en bepaald niet dat haar wens tot volledige schadevergoeding werd gehonoreerd of dat zij dat zo mocht begrijpen.

4.2. Nu de stelling van [eiseres] betreffende een toezegging door mr. [H] tot volledige financiële compensatie onvoldoende is onderbouwd, komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering, zodat het bewijsaanbod van [eiseres] op dit punt wordt gepasseerd. Het voorgaande brengt voorts mee dat de primair gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.

Onrechtmatig handelen van de Staat?

4.3. Vervolgens zijn aan de orde de subsidiair gevorderde verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. [eiseres] stelt dat (i) de Staat onvoldoende beschermingsmaatregelen heeft genomen jegens [A] en (ii) onzorgvuldig heeft gehandeld bij het toevoegen van de kluisverklaringen aan het strafdossier na de dood van [A]. Deze verwijten jegens de Staat worden hierna besproken.

(i) Beschermingsmaatregelen

4.4. Bij de beoordeling van dit geschilpunt neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt. Uit de onder punt 2.2. tot en met 2.4. opgenomen gang van zaken volgt dat [A] voor het eerst in 2005 met de politie sprak over zijn wetenschap van criminele activiteiten van [C] en anderen. Op het uitdrukkelijk verzoek van [A] geschiedde dit in het diepste geheim. De weerslag van die geheime gesprekken met de Nationale Recherche is vervat in de eerdergenoemde kluisverklaringen. [A] heeft in genoemde gesprekken verklaard dat hij zich bedreigd voelde door de groep rondom [C]. In de kluisverklaring van 12 februari 2006 staat namelijk: "De afgelopen vier vijf weken zijn er al mensen naar mij toegekomen. En die hebben mij verteld dat ik binnenkort ook word neergeschoten. Mensen in het café Marktzicht hadden dit opgevangen, wie dat was, dat weet ik niet. Ik heb al van (...) een kogelvrije jas gekregen. Ik heb die jas wel eens aan maar de laatste veertien dagen niet omdat [C] vast zat. [C] heeft wel eens wat gehad met een [J]. Zij was wel eens meegeweest met [C] naar de Yab Yum. [J] gaat ook met andere mensen om en vanuit die hoek heb ik gehoord dat ik mogelijk ook gevaar loop. Dit is ook de reden dat ik vermoed dat het uit die richting kom[t]. (...) Als [C] of iemand van zijn groep hoort dat ik gepraat heb met jullie, dan schiet hij mij dood. (...)". In de kluisverklaring van 14 maart 2005 staat: "Het belangrijkste is mijn veiligheid. Als hij weet dat ik praat, hij heeft me toen gewaarschuwd op het strand, hij zei als je ooit praat ben je voor mij". Omdat de kluisverklaringen niet als bewijs konden worden gebruikt in het inmiddels lopende strafproces tegen [C] en anderen, heeft mr. [D] kort na het afleggen van de vierde (en laatste) kluisverklaring op 12 februari 2006 aan [A] gevraagd om een officiële getuigenverklaring af te leggen. Ook daaraan wilde [A] meewerken, maar alleen als hij anoniem kon blijven omwille van zijn veiligheid en die van zijn gezin. [A] heeft vervolgens op 27 maart 2006 de status van anonieme bedreigde getuige verkregen, zoals neergelegd in artikel 226a van het Wetboek van strafvordering (Sv).

4.5. Ingevolge artikel 226a Sv beveelt de rechter-commissaris dat de identiteit van een getuige verborgen wordt gehouden, indien de getuige of een andere persoon, met het oog op de af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd, en de getuige te kennen heeft gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen. De rechter-commissaris is op grond van artikel 226f Sv gehouden om, zoveel mogelijk in overleg met de betrokken officier van justitie, de maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de bedreigde getuige verborgen te houden. Tegen vorenstaande achtergrond zal de rechtbank de door [eiseres] gestelde verwijten bespreken.

Strijd met wettelijke eisen van bedreigde getuigen?

4.6. De rechtbank is, anders dan [eiseres] betoogt, van oordeel dat het openbaar ministerie niet in strijd heeft gehandeld met de wettelijke eisen met betrekking tot bedreigde getuigen. Ten eerste is door [eiseres] niet specifiek aangegeven op welke wijze de Staat in strijd met de in artikel 226a Sv neergelegde procedure heeft gehandeld. Niet gesteld of gebleken is voorts dat door het openbaar ministerie in het kader van de gevolgde artikel 226a-procedure onvoldoende overleg is gevoerd met de rechter-commissaris over de te nemen maatregelen om de identiteit van [A] verborgen te houden. Door [eiseres] is in ieder geval niet onderbouwd dat de identiteit van [A] door toedoen van de Staat vóór zijn overlijden aan het licht is gekomen. Uit haar stellingen volgt niet dat reeds vóór het overlijden van [A] de kluisverklaringen zijn uitgelekt en evenmin dat vóór het overlijden van [A] vanwege politie of justitie op enige andere wijze naar buiten was gekomen dat [A] met politie en justitie sprak.

4.7. Daarnaast constateert de rechtbank dat met [A] niet nadrukkelijk de mogelijkheid van het volgen van een beschermingsprogramma is besproken. In artikel 226l Sv is de wettelijke grondslag gegeven aan de Minister van justitie voor het ontwikkelen en uitvoeren van specifieke beschermingsprogramma's voor bedreigde getuigen. De uitwerking hiervan is neergelegd in het Besluit getuigenbescherming van 21 december 2005. De Staat heeft in dit verband aangevoerd dat vanuit het openbaar ministerie met [A] over zijn veiligheid is gesproken en afspraken zijn gemaakt over zijn optreden als anonieme bedreigde getuige. Volgens de Staat wilde [A] geen (extra) bescherming, en zijn om die reden met de toenmalige raadsman van [A] ook geen afspraken gemaakt over (verdere) beschermingsmaatregelen. [eiseres] heeft ter comparitie desgevraagd bevestigd dat [A] erg bang was, maar dat zij met hem niet heeft gesproken over bescherming, omdat hij daarover erg gesloten was. Dat er aldus sprake zou zijn van afspraken tussen [A] en het openbaar ministerie met betrekking tot een speciaal beschermingsprogramma, en dat die zijn geschonden, is niet gebleken, zodat ook in dit opzicht geen sprake is van handelen door de Staat in strijd met een wettelijke plicht.

Strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid?

4.8. [eiseres] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de Staat in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft gehandeld. Volgens [eiseres] rustte op het openbaar ministerie een maatschappelijke zorgplicht om [A], naast de verkregen status als anonieme bedreigde getuige, (extra) bescherming te bieden, desnoods buiten zijn wil om, in het bijzonder direct na zijn vrijlating uit de Bijlmergevangenis. [eiseres] verwijt de Staat voorts dat het openbaar ministerie [A] na diens aanhouding in de Artemis-zaak reeds na twee weken uit de voorlopige hechtenis heeft gehaald, zodat hij verklaringen kon afleggen tegen [C]. Volgens [eiseres] wist de Staat niet alleen dat [A] zich bedreigd voelde (door wat hij daarover vertelde in de kluisverklaringen), maar ook dat [A] door het milieu in de gaten werd gehouden. Zij verwijst voor die wetenschap naar de brief van 22 juli 2008 van mr. [E] (weergegeven onder punt 2.11. hiervoor). Er werd bij café de Hallen gepost en het vermoeden begon te groeien dat [A] met justitie sprak. Op de dag waarop [eiseres] te horen kreeg dat [A] zou vrijkomen (op 11 april 2006), kreeg zij een telefoontje dat café de Hallen was overvallen, zo heeft [eiseres] ter comparitie verklaard. Juist omdat justitie van een en ander op de hoogte was, had justitie [A] ofwel in voorlopige hechtenis moeten houden en hem daar als anonieme bedreigde getuige moeten horen, ofwel hem moeten vrijlaten en hem via een beschermingsprogramma of anderszins moeten beschermen, bijvoorbeeld door hem met zijn gezin op het vliegtuig te zetten en fysiek te verwijderen. Door dit na te laten heeft de Staat gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid, zo stelt [eiseres].

4.9. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat op de Staat in beginsel een zorgplicht rust ten opzichte van een (anonieme bedreigde) getuige indien de Staat beschikt over concrete en specifieke aanwijzingen dat deze getuige moet vrezen voor zijn leven vanwege dreiging vanuit enig crimineel circuit. Voor beantwoording van de vraag of genoemde zorgplicht bestaat, is dan ook van doorslaggevend belang of de dreiging voldoende concreet en specifiek is. Indien de dreiging (in overwegende mate) samenhangt met de omstandigheid dat binnen genoemd crimineel circuit bekend is geraakt of sterke vermoedens zijn ontstaan dat de getuige samenwerkt met politie of justitie, zal eerder een zorgplicht op de Staat rusten die bovendien verdergaand zal zijn dan bij een dreiging die geen verband houdt met de contacten van de getuige met justitie en politie.

4.10. De rechtbank is van oordeel dat uit de stellingen van [eiseres] niet, althans onvoldoende, volgt dat het openbaar ministerie ten tijde van de invrijheidstelling van [A] op 13 april 2006 aanwijzingen had dat binnen enig crimineel circuit bekend was geraakt of sterke vermoedens waren ontstaan dat [A] met politie en justitie sprak. De verwijzing van [eiseres] naar de inhoud van de brief van mr. [E] van 22 juli 2008 kan haar stelling niet dragen, aangezien daarin te lezen valt: "Het OM beschikt over aanwijzingen dat in de directe omgeving van [A] al langer bekend was dat hij vertrouwelijk met de politie over [C] sprak" [onderstreping rechtbank]. Zonder nadere toelichting, die [eiseres] niet heeft verschaft, kan uit het uit deze passage blijkende gegeven dat het openbaar ministerie op 22 juli 2008 over aanwijzingen beschikte niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie ruim twee jaar eerder ook al over deze aanwijzingen beschikte. Daarbij weegt mee dat aannemelijk is dat deze aanwijzingen eerst na de invrijheidstelling van [A] zijn verkregen in het kader van strafrechtelijke onderzoeken, waaronder het strafrechtelijk onderzoek naar de moord op [A].

4.11. Dat het openbaar ministerie reeds voor de invrijheidstelling van [A] over aanwijzingen beschikte dat binnen enig crimineel circuit bekend was geraakt of sterke vermoedens waren ontstaan dat [A] met politie en justitie sprak, kan evenmin volgen uit de inhoud van de door [eiseres] overgelegde kluisverklaringen. [A] heeft tijdens deze verhoren geen blijk ervan gegeven dat hijzelf ervan uit ging dat in zijn omgeving bekend was of sterke vermoedens bestonden dat hij met justitie en politie sprak. De rechtbank wijst op de reeds onder 4.4. aangehaalde passage uit het verhoor van 12 februari 2006: "Als [C] of iemand van zijn groep hoort dat ik gepraat heb met jullie, dan schiet hij mij dood"[onderstreping rechtbank]. Zonder nadere toelichting, die [eiseres] niet heeft verschaft, valt niet in te zien dat het openbaar ministerie destijds wel over aanwijzingen beschikte dat bekend was of vermoed werd dat [A] met justitie en politie sprak, terwijl [A] daarover zelf kennelijk niet beschikte.

4.12. Gezien het voorgaande dient de rechtbank ervan uit te gaan dat het openbaar ministerie ten tijde van de invrijheidstelling van [A] niet over aanwijzingen beschikte dat in enig crimineel circuit bekend was of sterke vermoedens bestonden dat [A] met politie en justitie sprak. Vanwege het ontbreken van deze aanwijzingen heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig gehandeld door [A] na een, gezien de ernst van de verdenking tegen hem, betrekkelijk korte voorlopige hechtenis in vrijheid te stellen, althans een dergelijke invrijheidstelling in de hand te werken door contact op te (laten) nemen met de zaaksofficier in de zaak Artemis. Er waren immers geen aanwijzingen dat een dergelijke invrijheidstelling vermoedens in het criminele circuit zouden bevestigen of versterken.

4.13. De invrijheidstelling, waarvan vast staat dat deze niet met veiligheidsmaatregelen gepaard is gegaan, zou slechts als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd indien het openbaar ministerie ten tijde van de invrijheidstelling over concrete en specifieke aanwijzingen beschikte dat [A] (om een andere reden) moest vrezen voor zijn leven vanwege dreiging vanuit enig crimineel circuit. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de stellingen van [eiseres] onvoldoende blijkt van dergelijke concrete en specifieke aanwijzingen. Uit de brief van mr. [E] van 22 juli 2008 kan niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie ten tijde van de invrijheidstelling van [A] beschikte over aanwijzingen dat er een opdracht tot moord op [A] was gegeven. Dat mr. [E] schrijft: "Er zijn tenslotte ook aanwijzingen dat aan de moord van [A] een opdracht is voorafgegaan die dateert van vóór de drugstransactie waarbij [A] is aangehouden", betekent niet dat justitie reeds twee jaar eerder over die aanwijzingen beschikte. Daartoe hanteert de rechtbank dezelfde argumenten als die in r.o. 4.10 zijn weergegeven met betrekking tot de aanwijzingen voor bekendheid in het criminele circuit met de contacten tussen [A] enerzijds en politie en justitie anderzijds. De rechtbank is voorts van oordeel dat de onder 4.4. aangehaalde passages uit de kluisverklaringen onvoldoende concreet en specifiek zijn om een zorgplicht van de Staat te doen ontstaan.

4.14. Nu gezien het hiervoor overwogene geen zorgplicht voor de Staat is ontstaan, kan ook geen sprake zijn van een schending daarvan. De rechtbank kan dan ook in het midden laten of - zoals [eiseres] heeft betoogd - van de Staat kon worden gevergd [A] "desnoods tegen zijn wil" te beschermen. Evenmin komt de rechtbank toe aan de weging van de omstandigheid dat door [eiseres] niet nader is toegelicht waaruit de beschermingsmaatregelen zouden hebben moeten bestaan en voorts niet is onderbouwd dat, voor zover die maatregelen wel zouden zijn genomen, [A] niet om het leven zou zijn gebracht.

4.15. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de Staat niet in strijd heeft gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid, zodat de subsidiaire vordering van [eiseres] om die reden wordt afgewezen.

(ii) Kluisverklaringen

4.16. Met betrekking tot de meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de kluisverklaringen van [A] zonder toestemming van [eiseres] toe te voegen aan het Kolbak-onderzoek, overweegt de rechtbank als volgt.

4.17. Voorop staat dat de door [eiseres] gestelde belangen bij het niet-openbaar maken van de kluisverklaringen puur bedrijfseconomische belangen betreffen. De Staat heeft aangevoerd dat de kluisverklaringen van [A] "de kluis in gingen" in verband met de veiligheidsrisico's voor zijn leven en dat die risico's met zijn overlijden zijn weggevallen. Voor zover de Staat hiermee heeft willen betogen dat bij de vraag of de kluisverklaringen aan het Kolbak-onderzoek konden worden toegevoegd, alleen de veiligheidsrisico's voor [A] een rol speelden, faalt dit verweer. In beginsel is immers niet uitgesloten dat ook economische belangen een rol kunnen spelen bij de belangenafweging om kluisverklaringen al dan niet openbaar te maken. Het niet-openbaren van kluisverklaringen is immers, in lijn met het bepaalde omtrent de anonieme bedreigde getuige in artikel 226a Sv, ingegeven door het feit dat een getuige die in het geheim met politie spreekt over zijn wetenschap omtrent strafbare feiten, zich zodanig bedreigd kan voelen dat - kortweg - voor zijn leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van zijn gezinsleven of sociaal-economisch bestaan moet worden gevreesd.

4.18. Voorts leidt de rechtbank uit de verklaringen van de Staat ter comparitie af dat het openbaar ministerie in het geheel geen belangenafweging of overlegtraject heeft gevolgd alvorens de kluisverklaringen aan het Kolbak-dossier toe te voegen. Ook hier voert de Staat aan dat Mr. [E] geen andere op de voorgrond tredende belangen heeft gezien dan die van [A] zelf, aldus de Staat ter comparitie. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, voor zover de vereiste belangenafweging wel zou hebben plaatsgehad, het belang van het openbaar ministerie om de kluisverklaringen toe te voegen aan het Kolbak-onderzoek en te kunnen gebruiken in het proces tegen [C] van een groter gewicht is dan de puur economische belangen van [eiseres]. Op het openbaar ministerie lag de verantwoordelijkheid om de zwaarwegende maatschappelijke belangen die met het proces-[C] en het Kolbak-onderzoek waren gemoeid, zo goed mogelijk te dienen en hij heeft in dit opzicht niet in strijd gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Het meer subsidiaire standpunt van [eiseres] wordt dan ook verworpen.

Slotsom

4.19. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de Staat in enig opzicht onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, zodat de rechtbank ook niet meer toekomt aan de beoordeling van gevorderde materiële en immateriële schade. Ook de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure dient te worden afgewezen.

4.20. Voor het overige heeft [eiseres] niets gesteld dat, indien bewezen, tot een ander oordeel kan leiden, zodat aan haar bewijsaanbod moet worden voorbijgegaan.

Overig

4.21. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van dit geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op totaal € 1.472,00, waarvan € 568,00 aan griffierechten en € 904,00 aan salaris van de advocaat (2 punten à € 452,00, volgens tarief II). De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal, als onweersproken, worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiseres] tot betaling aan de Staat van de proceskosten, tot op heden begroot op € 1.472,00;

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart, mr. D. Glass en mr. M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.