Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV1125

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-01-2012
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
12/665 - 12/666 - 12/667
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenzaak. Het hoger beroep in de tweede asielprocedure van de vreemdelingen (verzoekers) is nog aanhangig bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Minister voor Immigratie en Asiel (verweerder) wil verzoekers uitzetten op 12 januari 2012. Op 5 januari 2012 vragen verzoekers opnieuw asiel aan. De Minister voor Immigratie en Asiel (verweerder) beslist op 5 januari 2012 dat de uitzetting van verzoekers hangende deze asielaanvraag niet achterwege blijft (artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000). Verzoekers maken bezwaar tegen hun voorgenomen uitzetting en dienen verzoeken om voorlopige voorziening in. Verweerder wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat niet de voorzieningenrechter, maar de voorzitter van de Afdeling bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken om voorlopige voorziening. Verzoekers vragen onder meer om schorsing van de beslissing van verweerder dat hun uitzetting hangende hun derde asielaanvraag niet achterwege blijft. Die beslissing houdt uitsluitend verband met de derde en niet met de tweede asielprocedure van verzoekers. Voorts hebben verzoekers een document ingebracht dat door de voorzitter van de Afdeling niet betrokken kan worden bij de beoordeling van een eventueel verzoek om voorlopige voorziening hangende het hoger beroep in de tweede asielprocedure. Verzoekers hebben vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat zij het document waarop zij hun derde asielaanvraag baseren niet eerder hadden kunnen inbrengen. Dit neemt niet weg dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat dit document zoveel gewicht in de schaal legt dat verweerder niet langer kan vasthouden aan zijn standpunt dat verzoekers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Gelet hierop en ter voorkoming van een onomkeerbare situatie schorst de voorzieningenrechter de beslissing van 5 januari 2012 tot de datum van bekendmaking van de beslissingen op de derde asielaanvragen van verzoekers en verbiedt de voorzieningenrechter de voorgenomen uitzetting op 12 januari 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummers: AWB 12/665, 12/666 en 12/667,

V-nummers: [nummerA], [nummerB ] en [nummerC ],

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de gedingen tussen

[naamA], [naamB ] en [naamC], verzoekers,

gemachtigde: mr. Y. Tamer, advocaat te 's-Gravenhage,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. J.N. Mons, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1. Bij besluiten van 22 september 2011 heeft verweerder afwijzend beslist op de herhaalde aanvragen van verzoekers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers beroep ingesteld. Voorts hebben zij verzoeken om voorlopige voorziening ingediend.

Bij uitspraak van 14 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, de beroepen van verzoekers ongegrond verklaard en hun verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). Deze hoger beroepen zijn nog aanhangig.

1.2. Op of omstreeks 5 januari 2012 heeft verweerder aan verzoekers meegedeeld dat zij op 12 januari 2012 worden uitgezet naar Azerbeidzjan.

Op 5 januari 2012 hebben verzoekers opnieuw aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft verweerder hen over deze aanvragen gehoord.

Bij brieven van 5 januari 2012 heeft verweerder aan verzoekers meegedeeld dat hun aanvragen naar verweerders voorlopig oordeel worden aangemerkt als herhaalde aanvragen en dat de uitzetting niet achterwege wordt gelaten.

Bij faxbericht van 6 januari 2012 hebben verzoekers bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting.

Bij schrijven van 6 januari 2012 hebben verzoekers verzoeken om voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De zaken zijn op 9 januari 2012 ter zitting gevoegd behandeld.

Verzoekers zijn ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt voor de toepassing van deze afdeling (hoofdstuk 7, afdeling 2, van de Vw 2000) met een beschikking gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

Uit artikel 88, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat artikel 8:81 van de Awb van overeenkomstige toepassing is op het hoger beroep in vreemdelingenzaken.

2.1.3. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.1.4. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de aanvraag naar het voorlopig oordeel van Onze Minister een herhaalde aanvraag betreft.

2.1.5. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.2. het standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de voorzieningenrechter onbevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken om voorlopige voorziening en dat de verzoeken ter behandeling moeten worden doorgezonden aan de voorzitter van de Afdeling. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen en dat de uitzetting van verzoekers naar Azerbeidzjan doorgang kan vinden. Dat nog geen beslissingen op de asielaanvragen van verzoekers zijn genomen, maakt dit niet anders. Het betreft de derde asielaanvraag van verzoekers. De eerste asielprocedure is afgerond, de tweede asielprocedure bevindt zich in de fase van hoger beroep. Ook met het stuk dat verzoekers thans overleggen, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer te vrezen hebben voor de autoriteiten van Azerbeidzjan. Uit deze brief blijkt niet waarvan verzoeker [naamA] wordt verdacht en deze brief kan niet afdoen aan de argumenten op grond waarvan verweerder diens asielrelaas in de eerdere procedures gedeeltelijk ongeloofwaardig en voor het overige onvoldoende zwaarwegend heeft geoordeeld. De beslissingen van 5 januari 2012 van verweerder zijn dan ook rechtmatig.

2.3. de gronden van de verzoeken

Verzoekers hebben, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verzoekers hebben opnieuw asielverzoeken ingediend in verband met een document dat hun gemachtigde onlangs uit Azerbeidzjan heeft ontvangen. In oktober 2011 heeft de gemachtigde van verzoekers het Openbaar Ministerie te Baku telefonisch verzocht te onderzoeken of de door verzoekers in de eerdere procedure overgelegde documenten authentiek zijn. Bij schrijven van 7 november 2011 bericht de heer [naam], hoofdofficier in Baku, dat de inhoud van het opsporingsbevel van 23 mei 2011 juist is. In de vorige asielprocedure hebben verzoekers dit opsporingsbevel ook overgelegd, maar wegens het ontbreken van referentiemateriaal kon verweerder niet vaststellen of dit document authentiek is. Verzoekers hadden in de vorige asielprocedure te weinig tijd voor eigen onderzoek. In de brief van 7 november 2011 is vermeld wat verzoeker [naamA] wordt verweten, zodat verweerder daarnaar onderzoek kan doen. De gemachtigde van verzoekers heeft verweerder laten weten dat de originele brief van 7 november 2011 in zijn bezit is en dat verzoeker [naamA] een kopie en de vertaling van de brief van 7 november 2011 heeft. Verweerder heeft ten onrechte de gemachtigde niet benaderd om dit document over te leggen. Het handelen van verweerder is in strijd met artikel 4 van de Definitierichtlijn, nu verzoekers niet voldoende in de gelegenheid zijn gesteld hun asielaanvragen met documenten te onderbouwen. In dit geval leidt strikte toepassing van artikel 4:6 van de Awb tot strijd met de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het belang van verzoekers om niet uitgezet te worden naar Azerbeidzjan weegt zwaarder dan het belang van verweerder om verzoekers uit te zetten.

2.4. het oordeel van de voorzieningenrechter

2.4.1. Bij de Afdeling zijn aanhangig de hoger beroepen van verzoekers in hun tweede asielprocedure. De voorzitter van de Afdeling is bevoegd voorlopige voorzieningen te treffen ter voorkoming van uitzetting van verzoekers hangende die hoger beroepen. Gelet hierop rijst de vraag of de voorzieningenrechter bevoegd is tot kennisneming van de onderhavige verzoeken. Volgens verweerder moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers verklaard dat de verzoeken om voorlopige voorziening zo moeten worden opgevat dat mede wordt verzocht een voorziening te treffen met betrekking tot verweerders beslissingen van 5 januari 2012. Deze beslissingen zijn genomen opdat verzoekers in afwijking van de hoofdregel van artikel 3.1, eerste lid, van het Vb 2000 kunnen worden uitgezet voordat op hun derde asielaanvragen is beslist. De uitzetbaarheid van verzoekers is een rechtsgevolg waarop de beslissingen van 5 januari 2012 van verweerder zijn gericht, zodat deze beslissingen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat, indien hierover anders zou worden geoordeeld, verweerders beslissingen van 5 januari 2012 in ieder geval zijn aan te merken als handelingen als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De besluiten van 5 januari 2012 houden uitsluitend verband met de derde en niet met de tweede asielprocedure van verzoekers, zodat de voorzitter van de Afdeling geen voorlopige voorziening kan treffen ten aanzien van deze besluiten. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd tot kennisneming van de verzoeken om voorlopige voorziening, in ieder geval voor zover die betrekking hebben op verweerders besluiten van 5 januari 2012. Voorts wijzen verzoekers er terecht op dat de onderhavige asielaanvragen zijn gebaseerd op de brief van 7 november 2011, die de voorzitter van de Afdeling niet kan betrekken bij de beoordeling van verzoeken om voorlopige voorziening hangende het hoger beroep in de tweede asielprocedure. Ook om die reden acht de voorzieningenrechter zich bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige verzoeken.

2.4.2. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt verweerder niet bij het nemen van een beslissing op de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 5 januari 2012 dan wel hun asielaanvragen en heeft in zoverre een voorlopig karakter.

2.4.3. Bij besluit van 22 september 2011 heeft verweerder de vorige asielaanvragen van verzoekers afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De onderhavige asielaanvragen van verzoekers zijn nieuwe aanvragen in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers aan hun aanvragen van 5 januari 2012 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag hebben gelegd. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten volgens vaste rechtspraak van de Afdeling worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit - in dit geval de besluiten van 22 september 2011 - zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit - de besluiten van 22 september 2011 - konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Ook indien de desbetreffende vreemdeling stelt dat bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst het risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing, moet volgens vaste rechtspraak van de Afdeling worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels. Slechts in geval van bijzondere feiten of omstandigheden kan noodzaak bestaan deze regels niet tegen te werpen.

2.4.4. Verzoekers hebben vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan de beslissing op hun tweede asielaanvragen onvoldoende tijd hebben gehad om het Openbaar Ministerie te vragen om een bevestiging van de echtheid van het opsporingsbevel van 23 mei 2011 en dat zij niet voorafgaand aan de afwijzing van hun vorige asielaanvragen de beschikking konden verkrijgen over de verklaring die op 7 november 2011 is verstrekt. De brief van 7 november 2011 is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Dit neemt echter niet weg dat uitzetting van verzoekers in strijd kan komen met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Gelet op hetgeen de gemachtigde van verzoekers heeft verklaard over de wijze waarop hij de brief van 7 november 2011 heeft verkregen, gevoegd bij de inhoud van deze brief, valt niet op voorhand uit te sluiten dat moet worden uitgegaan van de echtheid van deze brief en daarmee in beginsel ook van de juistheid van de inhoud van het opsporingsbevel van 23 mei 2011. In dat geval moet ervan worden uitgegaan dat verzoeker [naamA] in het land van herkomst wordt gezocht door de autoriteiten en valt niet op voorhand uit te sluiten dat hieraan zoveel gewicht toekomt dat verweerder niet kan vasthouden aan zijn standpunt dat verzoekers niet in aanmerking komen voor verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd. De stelling van verweerder dat de brief van 7 november 2011 een herhaling is van hetgeen verzoekers eerder hebben ingebracht en dat uit deze verklaring niet blijkt waarom verzoeker [naamA] wordt gezocht, gaat eraan voorbij dat sprake is van een nieuw document en dat vooralsnog niet is gebleken van redenen om aan de echtheid hiervan te twijfelen.

2.4.5. Gezien het vorenstaande, bij afweging van de betrokken belangen en ter voorkoming van een onomkeerbare situatie zal de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening toewijzen en verweerders besluiten van 5 januari 2012 schorsen tot de datum van bekendmaking van de beslissingen op de asielaanvragen van verzoekers. Deze schorsing heeft tot gevolg dat verzoekers overeenkomstig de hoofdregel van artikel 3.1, eerste lid, van het Vb 2000 niet mogen worden uitgezet voordat op hun asielaanvragen is beslist. Omdat niet op voorhand valt uit sluiten dat verweerder kort voorafgaand aan de voorgenomen uitzetting van verzoekers alsnog beslist op hun asielaanvragen, zal de voorzieningenrechter voor alle duidelijkheid ook de voorgenomen uitzetting van verzoekers op 12 januari 2011 verbieden.

2.4.6. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker [naamA] wordt toegewezen, zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb bepalen dat het door hem betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed. Van de andere verzoekers is geen griffierecht geheven.

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb, te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1 omdat sprake is van minder vier samenhangende zaken van gemiddeld gewicht). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers nog andere kosten hebben moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.7. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;

- schorst de besluiten van 5 januari 2012 tot de datum van bekendmaking van de beslissing op de asielaanvragen van verzoekers;

- bepaalt dat de voorgenomen uitzetting van verzoekers op 12 januari 2012 geen doorgang mag vinden;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker [naamA] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 156 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken om voorlopige voorziening redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan verzoekers.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.