Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2012
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
407848 - KG ZA 11-1377
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De vorderingen richten zich tegen de Staat als wetgever en in essentie strekken ze tot het buiten toepassing doen verklaren van de Wet intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars. De burgerlijke rechter in kort geding kan (onderdelen van) een wet in formele zin slechts buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met een ieder verbindende verdragsbepaling of met het gemeenschapsrecht. Betoogd is dat de onmiskenbaarheidseis hier niet aan de orde is, nu het om een schending van artikel 1 Eerste Protocol gaat. Ter onderbouwing verwijzen FNV KIEM c.s. naar het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2000 (NJ 2001, 407). De voorzieningenrechter oordeelt dat het vervallen van de onmiskenbaarheidseis niet volgt uit genoemd arrest. Dit blijkt uit rechtsoverweging 3.5 van dat arrest en uit latere arresten van de Hoge Raad (Hoge Raad 22 december 2006, LJN: AY8050, Hoge Raad 10 juli 2009, LJN: BI3450 en Hoge Raad 11 juni 2010, LJN: BL8513.).

De vraag is of de aanspraak op de rechten onder WWik een eigendom zijn als bedoeld in artikel Eerste Protocol. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft overwogen dat rechten en belangen, waaronder een sociaal zekerheidsrecht, die een vermogenswaarde vertegenwoordigen beschouwd kunnen worden als eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aanspraak op een uitkering uit hoofde van een verleende beschikking op grond van de WWik een eigendomsrecht is. De omstandigheid dat tussentijds getoetst wordt of de kunstenaar nog aan bepaalde vereisten voldoet, brengt nog niet als vanzelfsprekend mee dat de uitkering daarom niet met voldoende zekerheid vaststaat. De aanspraak behelst immers meer dan een enkele hoop of verwachting op een uitkering. Het eigendomsrecht op grond van de WWik omvat meer dan alleen het recht op inkomenssteun. De overige rechten vertegenwoordigen immers ook een eigen vermogenswaarde. Het gaat hier om ontneming van eigendomsrechten en niet om regulering daarvan, nu de bestaande eigendomsrechten onder de WWik meer omvatten dan alleen inkomenssteun. Daarnaast komt niet iedereen die voor een WWik-uitkering in aanmerking komt als vanzelfsprekend in aanmerking voor een Wwb- of WIJ-uitkering.

Nu sprake is van inmenging in het eigendomsrecht dient beoordeeld te worden of deze inmenging gerechtvaardigd is. Voor de beoordeling van die rechtvaardiging is van belang of de inmenging i) bij wet is voorzien, ii) een gerechtvaardigd algemeen belang dient en iii) proportioneel is.

Bij de proportionaliteitsvraag komt aan de orde of er een rechtvaardig evenwicht, “fair balance”, bestaat tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Een inmenging moet in het algemeen belang plaatsvinden en mag geen onevenredige last (excessive burden) op de betrokkene leggen. In geval van ontneming van eigendom in het algemeen belang heeft het EHRM geoordeeld dat het ontbreken van enige compensatie in de regel als disproportioneel en daarmee in strijd met artikel 1 Eerste Protocol wordt beschouwd.

Vastgesteld wordt dat de Staat gehouden is enige compensatie toe te kennen aan kunstenaars aan wie vóór 1 januari 2012 een WWik-uitkering is toegekend. De inkomenssteun op grond van de Wwb of de WIJ is geen (adequate) compensatie, omdat de ontneming van de bestaande eigendomsrechten meer omvat dan alleen verlies van inkomenssteun.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ondanks de wide margin of appreciation die de Staat toekomt, de Staat niet op toereikende wijze heeft vorm gegeven aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waar het gaat om kunstenaars die vóór 1 januari 2012 reeds een uitkering ontvingen op grond van de WWik, nu er niet is voorzien in enig overgangsrecht. De voor deze groep personen gehanteerde overgangstermijn is voor de betreffende kunstenaars volstrekt onvoldoende geweest om hun beroepspraktijk aan de nieuwe situatie aan te passen. Dit leidt tot de conclusie dat de Intrekkingswet jegens hen onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met artikel 1 Eerste Protocol. Een adequate overgangsperiode, waarin de desbetreffende kunstenaar zijn of haar beroepspraktijk kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, kan als voldoende compensatie worden beschouwd. Het is aan de Staat om in het kader van zijn ‘wide margin of appreciation’ dergelijk overgangsrecht vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Intrekkingswet Wet werk en inkomen kunstenaars
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/74
TRA 2012/31 met annotatie van Prof. dr. K. Boonstra
AB 2012/188 met annotatie van I. Sewandono
USZ 2012/54 met annotatie van M.J.A.C. Driessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 407848 / KG ZA 11-1377

Vonnis in kort geding van 3 januari 2012

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV Kunsten Informatie en Media,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars,

beide statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

3. [eiser sub 3.],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4.],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 5.],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser sub 6.],

wonende te [woonplaats],

7. [eiser sub 7.],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.R. van Angeren te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.I. Wisman te 's-Gravenhage.

Eisers worden hierna respectievelijk aangeduid als 'FNV', 'BBK', '[eiser sub 3]', '[eiser sub 4]', '[eiser sub 5]', '[eiser sub 6]', '[eiser sub 7]' en allen tezamen als 'FNV KIEM c.s.'. Gedaagde wordt hierna aangeduid als 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 december 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. FNV is een vereniging die op 21 december 1978 bij notariële akte is opgericht. Zij is een vakbond voor werknemers, freelancers, kleine zelfstandigen, starters en uittreders in de kunsten, informatie-industrie, (multi-)media en het entertainment.

1.2. BBK is een vereniging die op 12 oktober 1945 bij notariële akte is opgericht. Zij is een vakbond voor beeldende kunstenaars.

1.3. [eiser sub 3] is beeldend kunstenaar van beroep en ontvangt vanaf 9 juni 2010 op grond van een beschikking van 30 augustus 2010 van de gemeente Utrecht een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWik).

1.4. [eiser sub 4] is beeldend kunstenaar van beroep en ontvangt vanaf 11 augustus 2011 op grond van een beschikking van 31 augustus 2011 van de gemeente 's-Gravenhage een WWik-uitkering.

1.5. [eiser sub 5] is zanger van beroep en ontvangt vanaf 1 september 2010 op grond van een beschikking van 9 december 2010 van de gemeente Amsterdam een WWik-uitkering.

1.6. [eiser sub 6] is componist en musicus van beroep en ontvangt vanaf 9 april 2009 op grond van een beslissing op bezwaar van 5 november 2009 van de gemeente Amsterdam een WWik-uitkering.

1.7. [eiser sub 7] is beeldend kunstenaar van beroep en ontvangt vanaf 1 oktober 2009 op grond van een beschikking van 31 december 2009 van de gemeente 's-Hertogenbosch een WWik-uitkering.

1.8. Op grond van de WWik kan de uitkeringsgerechtigde aanspraak maken op achtenveertig maanden een WWik-uitkering, op te nemen in een periode van tien jaar. De hoogte van een WWik-uitkering is maximaal 70% van het bijstandsniveau. Aan een WWik-uitkering zijn, naast de inkomenssteun, nog de volgende rechten gekoppeld:

- het recht om bij te verdienen tot een hoogte van 125% van het bijstandsniveau, waarbij beroepskosten mogen worden afgetrokken;

- het recht om niet te solliciteren en om algemeen geaccepteerde arbeid niet te hoeven aanvaarden;

- het recht op activerend en flankerend beleid, bestaande uit cursussen, begeleiding, ondersteuning en advies gericht op de opbouw en ontwikkeling van een renderende beroepspraktijk;

- het recht om eigen vermogen te hebben.

1.9. Bij brief van 20 januari 2011 heeft de Staat alle centrumgemeenten, die belast zijn met de uitvoering van de WWik, geïnformeerd dat de ministerraad op 17 december 2010 heeft ingestemd met het wetsvoorstel om de WWik per 1 januari 2012 in te trekken. In deze brief wordt de centrumgemeenten verzocht de kunstenaar actief en vroegtijdig te informeren, mede omdat niet in overgangsrecht is voorzien voor kunstenaars die vóór 1 januari 2012 al gebruik maken van de regeling.

1.10. Op 18 maart 2011 is bij Koninklijke boodschap een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal strekkende tot intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010 - 2011, 32 701, nr. 1) (hierna: de Intrekkingswet).

1.11. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010 - 2011, 32 701, nr. 3) behorende bij de Intrekkingswet staat, voor zover van belang, het volgende:

"(...)

3. Intrekking van de WWIK

Kunstenaars die gebruikmaken van de WWIK genieten een uitzonderingspositie in de sociale zekerheid. Zij worden door een uitkering (maximaal 4 jaar) in staat gesteld een al dan niet gemengde beroepspraktijk als kunstenaar op te zetten. Naar het oordeel van de regering is de huidige uitzonderingspositie van kunstenaars niet te rechtvaardigen ten opzichte van andere beroepsgroepen, waarvoor ook geldt dat afgestudeerden moeilijk werk vinden in de richting waarvoor zij zijn opgeleid. Voor hen geldt de kortst mogelijke weg naar werk ingeval een beroep wordt gedaan op de Wet werk en bijstand (WWB) of de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het argument dat kunst van bijzondere betekenis is voor de samenleving, die niet altijd gemakkelijk in een economische waarde te vatten is, vormt een te smalle basis voor het maken van verschil in sociale zekerheid tussen kunstenaars en andere beroepsgroepen in een vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt.

Het is de vrijheid én de verantwoordelijkheid van de kunstenaar te kiezen voor een beroep of studie in een culturele richting inclusief de hieraan gekoppelde inkomensonzekerheid in de toekomst. Bij die keuze mag de kunstenaar er niet vanzelfsprekend op vertrouwen dat de overheid na afronding van de vakopleiding voorziet in een inkomen vanwege de marktomstandigheden voor kunst. Het feit dat uit de evaluatie van de WWIK2 blijkt dat deze regeling een succesvoller stimuleringsregeling voor kunstenaars is dan de WIK doet daar niet aan af.

(...)

In het Regeerakkoord is aangekondigd dat de overheid zich minder met kunst en cultuur wil bemoeien en meer ruimte wil geven aan de samenleving. Binnen die visie past het niet dat kunstenaars als groep een uitzonderingspositie hebben in de sociale zekerheid ten opzichte van andere beroepsgroepen die moeilijk aansluiting vinden bij de arbeidsmarkt. De staat van de overheidsfinanciën maakt prioritering in overheidsuitgaven extra noodzakelijk. De mogelijkheid tot besparing via intrekking van de WWIK is geen doel op zich, maar wel een positief neveneffect waarmee rekening wordt gehouden. (...)

7. Onmiddellijke werking

De intrekking van de WWIK roept de vraag op hoe dient te worden omgegaan met de huidige uitkeringsgerechtigden die voorafgaand aan de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2012 een WWIK-uitkering ontvangen.

De regering heeft ervoor gekozen geen onderscheid te maken tussen kunstenaars die al gebruikmaken van de regeling en aankomende kunstenaars die van de regeling gebruik zouden willen maken. De WWIK heeft het karakter van een vrijwillige regeling voor kunstenaars en niet van een noodzakelijke regeling zoals het vangnet van de WWB. De uitkeringsnormen in de WWB (en de WIJ) zijn gunstiger dan de uitkeringsnormen in de WWIK en bovendien kent de WWB geen maximale uitkeringsduur zoals de WWIK. Ook zou een geleidelijke afbouw van de WWIK impliceren dat een uitvoeringsstructuur nodig blijft voor een steeds kleinere doelgroep, wat niet efficiënt is en vanwege gebrekkige continuïteit ten koste gaat van de kwaliteit van de besluitvorming.

Wel dienen belanghebbenden bij de regeling tijdig te worden geïnformeerd over de voorgenomen afschaffing van de WWIK. Daartoe heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 20 januari 2011 hierover een brief gestuurd naar de uitvoerende centrumgemeenten en de adviserende instelling. In bedoelde brief wordt concreet verzocht de kunstenaars die thans een beroep doen op de WWIK en de aankomende kunstenaars te informeren over de afschaffing van de regeling per 1 januari 2012.

(...)".

1.12. In de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010 - 2011, 32 701, nr. 6) van 6 juni 2011 staat, voor zover van belang, het volgende:

"(...)

6. Ontvangen commentaren

De leden van de fracties van de VVD, CDA en SP vragen de regering te reageren op het juridisch advies dat advocatenkantoor Stibbe op verzoek van de Stichting Cultuur-Ondernemen heeft opgesteld inzake het ontbreken van overgangsrecht voor kunstenaars.

(...)

Artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM komt in beeld als bestaande (reeds ingegane) uitkeringen worden aangetast. Sociale zekerheidsuitkeringen worden namelijk, ongeacht of daarvoor premie is betaald, beschouwd als eigendomsrechten in de zin van deze bepaling.

(...)".

1.13. [eiser sub 7] is bij brief van 1 september 2011 door de gemeente 's-Hertogenbosch op de hoogte gesteld van de eventuele gevolgen die de Intrekkingswet voor haar WWik-uitkering met zich zal brengen.

1.14. Op 13 oktober 2011 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal de Intrekkingswet aangenomen, waarbij niet is voorzien in enig overgangsrecht voor kunstenaars, aan wie reeds een WWik-uitkering is toegekend.

1.15. [eiser sub 4] is bij brief van 23 november 2011 door de gemeente 's-Gravenhage op de hoogte gesteld van de eventuele gevolgen die de Intrekkingswet voor haar WWik-uitkering met zich zal brengen.

1.16. De Motie van het lid Scholten c.s. van 20 december 2011 (Eerste Kamer, vergaderjaar 2011 - 2012, 32 701, nr. G) strekt ertoe om de Intrekkingswet niet aan te nemen voordat bij separaat wetsvoorstel in adequaat overgangsrecht bij de intrekking van de WWik wordt voorzien. In de motie wordt overwogen dat de kunstenaars tot op heden in onzekerheid verkeren ten aanzien van de vraag of de WWik al dan niet wordt ingetrokken en of bij deze intrekking al dan niet wordt voorzien in een overgangsperiode voor deze kunstenaars met eerder toegekende maar nog onverbruikte WWik-rechten.

1.17. Op 20 december 2011 heeft de Eerste Kamer der Staten-Generaal de Intrekkingswet aangenomen. In de Intrekkingswet is niet voorzien in enig overgangsrecht voor reeds toegekende rechten. De inwerkingtreding vindt plaats per 1 januari 2012.

2. Het geschil

2.1. FNV KIEM c.s. vorderen - zakelijk weergegeven - de Staat te gebieden:

primair:

de Intrekkingswet buiten werking te stellen, althans geen effect te doen sorteren ten aanzien van de kunstenaars die reeds vóór 1 januari 2012 een WWik-beschikking hebben ontvangen en hun rechten op grond van deze beschikking nog niet hebben verbruikt;

subsidiair:

de Intrekkingswet tot en met 1 januari 2017, althans tot een door de voorzieningenrechter te bepalen datum, buiten werking te stellen, althans geen effect te doen sorteren ten aanzien van de kunstenaars die reeds vóór 1 januari 2012 een WWik-beschikking hebben ontvangen en hun rechten op grond van deze beschikking nog niet hebben verbruikt;

meer subsidiair:

de Intrekkingswet buiten werking te stellen, althans geen effect te doen sorteren ten aanzien van de kunstenaars die reeds vóór 1 januari 2012 een WWik-beschikking hebben ontvangen en hun rechten op grond van deze beschikking nog niet hebben verbruikt, totdat zal zijn voorzien in adequaat overgangsrecht voor die kunstenaars, waarbij adequaat overgangsrecht in elk geval inhoudt dat verworven rechten worden gerespecteerd en geëffectueerd gedurende een overgangsperiode van vijf jaar;

nog meer subsidiair:

de rechten die kunstenaars hebben verworven - en nog niet hebben verbruikt - op grond van een aan hen toegekende WWik-beschikking, te effectueren en te respecteren, gedurende een overgangsperiode, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht.

2.2. Daartoe voeren FNV KIEM c.s. het volgende aan.

De Staat handelt met het uitvoeren van de Intrekkingswet onrechtmatig jegens FNV KIEM c.s., nu de Intrekkingswet strijdig is met artikel 1 Eerste Protocol van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EP) en artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: EU Handvest). Een uitkering op basis van de WWik is een sociale zekerheid en dat is een eigendom in de zin van artikel 1 EP. De intrekking van de WWik is een inmenging in het eigendomsrecht van kunstenaars, wier belangen door FNV en BBK behartigd worden, welke inmenging niet gerechtvaardigd is. De fair balance tussen enerzijds het algemene belang en anderzijds het individuele belang van de kunstenaar bij eerbiediging van zijn bestaande rechten onder de WWik ontbreekt, nu de wijziging niet voorzienbaar was en er geen overgangsrecht is vastgesteld. Omdat de werking van artikel 17 EU Handvest gelijk is aan die van artikel 1 EP geldt het hiervoor gestelde ook ten aanzien van dat artikel.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. FNV KIEM c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven. FNV KIEM c.s. zijn in hun vorderingen ook ontvankelijk. Zij keren zich tegen een besluit dat een wet in formele zin inhoudt. Voor hen staat geen andere rechtsgang open voor het bereiken van hetgeen zij met hun vorderingen beogen.

3.2. Voor wat betreft FNV en BBK is ook voldaan aan de eisen van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek. De Staat heeft dit ook niet betwist. Zij zijn ook in dit opzicht dus ontvankelijk in hun vorderingen.

3.3. Vooropgesteld wordt dat de vorderingen zich richten tegen de Staat als wetgever en in essentie strekken tot het buiten toepassing doen verklaren van de Intrekkingswet. De burgerlijke rechter in kort geding kan (onderdelen van) een wet in formele zin slechts buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met een ieder verbindende verdragsbepaling of met het gemeenschapsrecht. Dit criterium wijst op grote terughoudendheid, temeer nu immers slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven. Deze terughoudendheid vindt haar grond in de scheiding der machten. Wetten in formele zin worden vastgesteld door de wetgever. Het is bij uitstek de taak van de wetgever om alle in het geding zijnde argumenten en belangen tegen elkaar af te wegen. Er is geen plaats voor een eigen, 'volle' afweging door de burgerlijke rechter.

3.4. FNV KIEM c.s. hebben betoogd dat de onmiskenbaarheidseis hier niet aan de orde is, nu het om een schending van artikel 1 EP gaat. Ter onderbouwing verwijzen zij naar het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2000 (NJ 2001, 407). Anders dan FNV KIEM c.s. hebben betoogd is de voorzieningenrechter met de Staat van oordeel dat het vervallen van de onmiskenbaarheidseis niet volgt uit genoemd arrest. In rechtsoverweging 3.5 van dat arrest heeft de Hoge Raad alleen overwogen dat de maatstaf van onmiskenbaar onverbindend zijn van een formele wet in die (specifieke) zaak niet aan de orde was, omdat de voorzieningenrechter een andere maatstaf diende aan te houden namelijk dat hij in beginsel zijn beslissing op het oordeel van de bodemrechter dient af te stemmen, ongeacht of diens vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. In die zaak had de bodemrechter immers al geoordeeld dat de formele wet in strijd was met artikel 1 EP. Dat de annotator van dat arrest, mr. H.J. Snijders, het nut van de onmiskenbaarheidseis ter discussie stelt, doet niet af aan het feit dat de Hoge Raad, ook in latere arresten, bij toetsing van een formele wet aan die eis vasthoudt, zie onder andere Hoge Raad 22 december 2006, LJN: AY8050, Hoge Raad 10 juli 2009, LJN: BI3450 en Hoge Raad 11 juni 2010, LJN: BL8513. Dit betoog faalt derhalve.

3.5. FNV KIEM c.s. hebben aangevoerd dat de intrekking van de WWik een ongerechtvaardigde eigendomsontneming oplevert, nu zij daarvoor niet worden gecompenseerd. Artikel 1 EP luidt: 'iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.' Voor de vraag of er sprake is van schending van artikel 1 EP is in de eerste plaats van belang of de aanspraak op de rechten onder WWik een eigendom zijn als bedoeld in voornoemd artikel. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) hanteert een zelfstandig en ruim eigendomsbegrip. Zo worden rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen beschouwd als eigendom in de zin van artikel 1 EP. Volgens vaste jurisprudentie valt een sociaal zekerheidsrecht daar ook onder1. Als beperking heeft te gelden dat het recht of belang met voldoende zekerheid moet vaststaan.

3.6. De Staat heeft ter zitting betoogd dat de uitkering die kunstenaars kunnen ontlenen aan de WWik niet valt onder voormeld eigendomsbegrip, nu die uitkering niet met voldoende zekerheid vaststaat. De enkele hoop of verwachting van een op geld waardeerbare aanspraak is onvoldoende en toekomstige inkomsten vallen niet snel onder het bereik van artikel 1 EP, aldus de Staat. Anders dan de Staat heeft betoogd is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aanspraak op een uitkering uit hoofde van een verleende beschikking op grond van de WWik wel degelijk als een eigendomsrecht moet worden gekwalificeerd. Het betreft hier immers een sociaal zekerheidsrecht dat in plaats van een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) is bedoeld als aanvulling op het inkomen uit hoofde van de beroepspraktijk voor de kunstenaar ten behoeve van diens noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Daarnaast heeft de kunstenaar in voldoende mate van zekerheid recht op deze uitkering. De omstandigheid dat tussentijds getoetst wordt of de kunstenaar nog aan bepaalde vereisten voldoet, brengt nog niet als vanzelfsprekend mee dat de uitkering daarom niet met voldoende zekerheid vaststaat. De aanspraak behelst immers meer dan een enkele hoop of verwachting op een uitkering. Dat het hier om toekomstige aanspraken gaat maakt dat niet anders. Het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2006, NJ 2007, 292, waar de Staat naar verwijst, is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak, nu daarin de vraag beantwoord werd of er een legitieme verwachting was met betrekking tot een onverkorte voortzetting van de regeling. Die legitieme verwachting was er niet nu er geen sprake was van afdwingbare aanspraken, maar slechts van de hoop dat de regeling zou worden gecontinueerd. Hier is niet de stelling dat de volledige regeling gecontinueerd moet worden, maar dat voor bestaande rechten een overgangsregeling wordt vastgesteld. Overigens heeft de Staat tijdens de parlementaire behandeling van de Intrekkingswet, zie hiervoor onder 1.12, als uitgangspunt genomen dat de uitkering op grond van de WWik een eigendomsrecht is in de zin van artikel 1 EP. Dat de WWik een 'vrijwillig' zekerheidsrecht is, aangezien de kunstenaar ook de keuze heeft om voor de Wwb te kiezen, maakt nog niet dat het geen eigendomsrecht is in vorenbedoelde zin.

3.7. Anders dan de Staat heeft aangevoerd is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eigendomsrecht op grond van de WWik meer omvat dan alleen het recht op inkomenssteun. Het is juist de combinatie van de inkomenssteun met de overige rechten, zoals hiervoor onder 1.8 genoemd, die maken dat de WWik-uitkering aantrekkelijk is om toe te passen bij het renderend krijgen van een beroepspraktijk. Bovendien vertegenwoordigen de rechten om tot 125% van het bijstandniveau te mogen verdienen, cursussen te volgen en een eigen vermogen te hebben naast de inkomenssteun een eigen vermogenswaarde. Deze rechten vallen dan ook onder het begrip eigendom in de zin van artikel 1 EP.

3.8. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of hier sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. De bestaande rechten uit de WWik die op grond van een WWik-beschikking zijn toegekend aan een kunstenaar, worden immers per 1 januari 2012 volledig ingetrokken. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat hier 'slechts' sprake is van regulering van bestaande rechten, nu de Wwb of de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) als vangnet kunnen dienen voor het verlies aan inkomenssteun. Dit standpunt overtuigt niet, gezien het feit dat de bestaande eigendomsrechten onder de WWik meer omvatten dan alleen inkomenssteun. Daarnaast komt niet iedereen die voor een WWik-uitkering in aanmerking komt als vanzelfsprekend in aanmerking voor een Wwb- of WIJ-uitkering. Dit leidt dan ook tot de slotsom dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier sprake is van ontneming van bestaande rechten en niet van de minder ingrijpende variant van regulering van bestaande rechten.

3.9. Nu sprake is van inmenging in het eigendomsrecht dient beoordeeld te worden of deze inmenging gerechtvaardigd is. Voor de beoordeling van die rechtvaardiging is van belang of de inmenging i) bij wet is voorzien, ii) een gerechtvaardigd algemeen belang dient en iii) proportioneel is.

3.10. Niet in geschil is dat de intrekking van de WWik bij formele wet is voorzien. Ten aanzien van het gerechtvaardigd algemeen belang stelt de voorzieningenrechter vast dat volgens de jurisprudentie van het EHRM alleen in evidente gevallen kan worden aangenomen dat een maatregel niet in het algemeen belang is. Het gerechtvaardigd algemeen belang acht de voorzieningenrechter hier voldoende aanwezig, nu de Staat met de Intrekkingswet een einde heeft willen maken aan de uitzonderingspositie die kunstenaars als beroepsgroep onder de WWik genieten ten opzichte van andere beroepsgroepen. In de visie van de Staat is deze uitzonderingspositie niet langer gerechtvaardigd ten opzichte van andere beroepsgroepen die moeilijk aansluiting vinden bij de arbeidsmarkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet deze motivering aan de vereisten die in een rechtsstaat mogen worden gesteld aan het dienen van het algemeen belang bij inbreuk op een eigendomsrecht. Hierbij is mede van belang dat aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid ('margin of appreciation') toekomt bij de keuzen die hem uit het oogpunt van algemeen belang nodig of gewenst voorkomen. Deze vrijheid om (politieke) keuzen te maken beperkt dienovereenkomstig de vrijheid van de rechter in zijn toetsing aan de hier besproken eis.

3.11. Tot slot komt de vraag aan de orde of de inmenging proportioneel is. Daarbij dient er gekeken te worden of er een rechtvaardig evenwicht, "fair balance", bestaat tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Een inmenging moet in het algemeen belang plaatsvinden en mag geen onevenredige last (excessive burden) op de betrokkene leggen. In het kader van dit criterium heeft het EHRM meermaals overwogen dat ook nagegaan dient te worden of, en zo ja in welke mate er schadevergoeding is geboden voor de ondervonden schending. Hoe zwaarder negatieve gevolgen van de inmenging zijn, hoe ruimer de compensatie dient te zijn wil er sprake zijn van een "fair balance". In geval van ontneming van eigendom in het algemeen belang heeft het EHRM geoordeeld dat het ontbreken van enige compensatie in de regel als disproportioneel en daarmee in strijd met artikel 1 EP wordt beschouwd.2

3.12. Nu de voorzieningenrechter onder 3.8 al heeft geoordeeld dat hier sprake is van ontneming van bestaande eigendomsrechten, heeft dat tot gevolg dat op grond van de hiervoor onder 3.11 genoemde jurisprudentie de Staat gehouden is enige compensatie toe te kennen aan kunstenaars aan wie vóór 1 januari 2012 een WWik-uitkering is toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat deze kunstenaars mede op basis van die toekenning van die rechten op grond van de WWik hun beroepspraktijk hebben ingericht, investeringen hebben gedaan en lange termijn verplichtingen zijn aangegaan. De Staat heeft weliswaar bestreden dat die uitkering daarop van invloed is, maar de voorzieningenrechter volgt dit verweer niet. Aannemelijk is immers dat bij de afweging om bepaalde beslissingen te nemen aangaande het renderend krijgen van de beroepspraktijk de wetenschap voor een kunstenaar dat er in mindere tijden een vangnet is met 'extra' rechten wel degelijk een positieve invloed heeft op die beslissing. Dat sprake is van exceptionele omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het onder 3.11 bedoelde uitgangspunt, is gesteld noch gebleken.

3.13. De Staat heeft nog aangevoerd dat hij heeft voorzien in 'enige compensatie' nu de kunstenaars voor inkomenssteun gebruik kunnen maken van de Wwb of de WIJ. Dit verweer faalt omdat, zoals hiervoor onder 3.7 al is geoordeeld, de ontneming van de bestaande eigendomsrechten meer omvat dan alleen verlies van inkomenssteun. Voorts is onder 3.8 al geoordeeld dat de WWik-gerechtigden niet een op een kunnen overstappen naar de Wwb of de WIJ en zij bij een eventuele overstap de overige eigendomsrechten alsnog verliezen, zodat die overstap niet als (adequate) compensatie kan worden beschouwd.

3.14. De Staat heeft, onder verwijzing naar diverse uitspraken van de Centrale Raad van Beroep3 (CRvB), als verweer aangevoerd dat de ontneming van de WWik-uitkering geen buitensporige last (excessive burden) voor de betrokken persoon met zich brengt. Temeer niet daar het gaat om de wijziging van de (voorwaarden in) regelingen op het gebied van de sociale zekerheid, aldus de Staat. Dit verweer treft geen doel nu de zaken waarnaar de Staat verwijst niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. In de uitspraken van de CRvB betrof het inderdaad wijzigingen in voorwaarden van regelingen op het gebied van sociale zekerheid, zoals verzwaring toelatingscriteria en verlaging uitkering in verband met nieuwe regels. In de onderhavige zaak betreft het de ontneming van de volledige uitkering en niet slechts van wijzigingen van de voorwaarden daarvan. Daarbij komt dat de regelingen op het gebied van de sociale zekerheid niet op een hoop kunnen worden gegooid. De Staat kan niet volstaan met de enkele mededeling dat één specifieke regeling volledig wordt afgeschaft onder vermelding dat er nog voldoende andere regelingen overblijven en dat die als vervanging dienen. Daarnaast werden in de zaken bij het CRvB bestaande rechten gerespecteerd of daarvoor was overgangsrecht vastgesteld, hetgeen hier nu juist niet aan de orde is.

3.15. Voorts heeft de Staat nog als verweer aangevoerd dat de betrokken persoon de maatregel redelijkerwijs had behoren te voorzien en op grond daarvan met mogelijke overheidsmaatregelen rekening had moeten houden. Hierbij verwijst de Staat naar de uitspraken van het EHRM van 18 februari 1991 12033/86 (Fredin vs Zweden) en 2 december 2004 42138/02 (Yaroslavtsev vs de Russische Federatie). De voorzieningenrechter acht beide uitspraken niet vergelijkbaar met deze zaak, nu daarin voor de betrokkene de mogelijke schending van het eigendomsrecht voldoende voorzienbaar was, omdat die mogelijke schending vooraf vermeld stond in de desbetreffende wettelijke bepalingen. Het EHRM heeft overwogen dat zowel in de zaak van Fredin als van Yaroslavtsev de betrokkene op basis van die wettelijke bepalingen had kunnen weten dat er inmenging op zijn eigendomsrecht zou kunnen plaatsvinden. In de onderhavige zaak hadden betrokkenen ten tijde van de verlening van de uitkering niet kunnen voorzien dat de WWik zou worden ingetrokken. Laat staan dat de intrekking zou plaatsvinden zonder enig overgangsrecht vast te stellen voor bestaande rechten. Dat de WWik-uitkering mogelijk zou kunnen worden ingetrokken staat daar los van. Niet in geschil is dat de Staat die bevoegdheid heeft, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 1 EP. In dit kader heeft de Staat nog gesteld dat de FNV KIEM c.s. al vanaf oktober 2010 konden weten dat de WWik zou worden ingetrokken, omdat dit in het regeerakkoord stond vermeld. Ook al kon de intrekking op zich bekend zijn, dan nog hadden FNV KIEM c.s. er geen rekening mee hoeven te houden dat die intrekking zonder overgangsrecht voor bestaande rechten zou plaatsvinden. De discussie in de Tweede respectievelijk Eerste Kamer der Staten-Generaal over het eventueel vaststellen van overgangsrecht voor bestaande rechten heeft geduurd tot aan het moment dat op 20 december 2011 de Eerste Kamer de Intrekkingswet heeft aangenomen. De centrumgemeenten zijn weliswaar bij brief van 20 januari 2011 verzocht de desbetreffende uitkeringsgerechtigden tijdig te informeren, maar niet gebleken is dat dit ook is geschied. Temeer niet nu uit de overgelegde brieven, hiervoor genoemd onder 1.13 en 1.15, blijkt dat in september respectievelijk november 2011 de kunstenaar pas is geïnformeerd.

3.16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ondanks de wide margin of appreciation die de Staat toekomt, de Staat niet op toereikende wijze heeft vorm gegeven aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waar het gaat om kunstenaars die vóór 1 januari 2012 reeds een uitkering ontvingen op grond van de WWik, nu er niet is voorzien in enig overgangsrecht. De voor deze groep personen gehanteerde overgangstermijn is voor de betreffende kunstenaars volstrekt onvoldoende geweest om hun beroepspraktijk aan de nieuwe situatie aan te passen. Dit leidt tot de conclusie dat de Intrekkingswet jegens hen onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met artikel 1 EP.

3.17. Het voorgaande heeft echter niet tot gevolg dat een volledige compensatie geboden hoeft te worden, nu dat immers ertoe zou leiden dat het de Staat onmogelijk wordt gemaakt in bestaande sociale zekerheidsrechten in te grijpen. Een adequate overgangsperiode, waarin de desbetreffende kunstenaar zijn of haar beroepspraktijk kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, kan als voldoende compensatie worden beschouwd. Het is aan de Staat om in het kader van zijn 'wide margin of appreciation' dergelijk overgangsrecht vast te stellen. De vordering van FNV KIEM c.s. zal als hierna te vermelden worden toegewezen.

3.18. De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- gebiedt de Staat de wet 'Intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars' buiten werking te stellen voor zover die betrekking heeft op uitkeringsrechtigden die reeds vóór 1 januari 2012 een WWik-beschikking hebben ontvangen en hun rechten op grond van die beschikking nog niet hebben verbruikt, totdat de Staat heeft voorzien in adequaat overgangsrecht;

- veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van FNV KIEM c.s. begroot op € 1.466,81, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 560,-- aan griffierecht en € 90,81 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2012.

nve

1 EHRM 16 september 1996, Gaygusuz v. Oostenrijk, Application no. 17371/90.

2 EHRM 21 februari 1986, James e.a. - het Verenigd Koninkrijk, Series A, vol. 98 en EHRM 9 december 1994, Holy Monasteries - Griekenland, Series A, vol. 301 A, NJ 1996, 374 m.nt. EAA.

3 CRvB 24 januari 2001, LJN: AN6599; CRvB 11 september 2007, LJN: BB3760; CRvB 18 oktober 2007, LJN BB6578 en CRvB 9 september 2009, LJN: BJ8411.