Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:4843

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
AWB-12_300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet Bibob

Wetsverwijzingen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, geldigheid: 2015-03-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/300

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], handelend onder de naam [naam VOF] V.O.F., wonende te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.A.J. Verploegh),

tegen

de Burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Buvelot en J. van Leeuwen).

ten aanzien van het besluit van 20 december 2011, waarbij verweerder de door verzoeker ingediende aanvraag om een exploitatievergunning heeft afgewezen op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 januari 2012 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 20 februari 2012 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.A.J. Verploegh. Tevens is verschenen [tolk], tolk in de Turkse taal.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Buvelot en J. van Leeuwen.

Overwegingen

1

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2

Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Den Haag is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voorzover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

  1. . uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

  2. . strafbare feiten te plegen

Ingevolge het tweede lid van dit artikel , wordt de mate van het gevaar, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, vastgesteld op basis van:

  1. . feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

  2. . ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

  3. . de aard van de relatie en

  4. . de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen

Ingevolge het derde lid van dit artikel, wordt de mate van het gevaar, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, vastgesteld op basis van:

  1. . feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven;

  2. . ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

  3. . de aard van de relatie en

  4. . het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

  1. . hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

  2. . hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

  3. . een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

  1. . de mate van het gevaar en

  2. . voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

3

Op 16 juni 2011 heeft verzoeker samen met zijn broer [broer 1] een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de APV, in verband met de exploitatie van de horeca-inrichting [naam VOF] in het perceel [adres 1] te Den Haag.

Bij brief van 21 juli 2011 heeft verweerder verzoeker bericht dat hij op grond van het gemeentelijk beleid met betrekking tot de uitvoering van de Wet Bibob heeft besloten advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob (Bureau Bibob).

Op 19 september 2011 heeft het Bureau Bibob advies uitgebracht aan verweerder. De conclusie van dit advies luidt dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob).

Bij brief van 11 oktober 2011 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van het voornemen de vergunning te weigeren. Bij brief van 4 november 2011 heeft verzoeker een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 2 januari 2012 heeft verweerder met toepassing van artikel 2:28C, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV de aanvraag geweigerd, omdat is gebleken dat [broer 1] zich per 2 november 2011als ondernemer van de recreatie-inrichting heeft uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en daarmee de ingediende bescheiden niet (langer) overeenstemmen met de feiten, die relevant zijn voor de door de verweerder te nemen beslissing.

Op 1 november 2011 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de APV, in verband met de exploitatie van de horeca-inrichting [naam VOF] in het perceel [adres 1] te Den Haag.

4

Bij het bestreden besluit van 20 december 2011 heeft verweerder de vergunning geweigerd. Hierbij heeft verweerder de constateringen en conclusies uit het Bibob-advies overgenomen.

Verweerder heeft hierbij geconcludeerd dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoeker en zijn broer [broer 1] (met [naam VOF]) enerzijds, en [broer 2] anderzijds. Hierbij is in aanmerking genomen dat [broer 2] vanuit de huurovereenkomst middels zijn ondernemingen de verhuurder van het perceel aan de [adres 1] is en dat er in deze huurovereenkomst geen waarborgsom of andere zekerheid voor de huurbetaling is opgenomen, hetgeen ongebruikelijk is in het economisch verkeer. Voorts is [broer 2] vanuit de pachtovereenkomst middels zijn ondernemingen de verpachter van de handelsnaam, inventaris en goodwill. Verzoeker en [broer 1] waren reeds lange tijd werknemers van [broer 2] toen de horeca-inrichting door [broer 2] werd geëxploiteerd. Verzoeker en [broer 1] ontvingen ongeveer € 2.500,- per maand aan loon, hetgeen een aanzienlijk salaris is voor een ‘gewone’ barmedewerker die niet als leidinggevende staat geregistreerd. Verder woonde [broer 1] van 2006 tot en met 1 april 20120 in het pand aan de [adres 2], dat sinds 7 januari 2000 in bezit is van [broer 2]. [broer 1] heeft tegenover de rechtbank verklaard hiervoor geen marktconforme prijs te betalen. Daarnaast is [broer 2] volgens een politieregistratie op 23 juni 2011 aanwezig en werkzaam in de horeca-inrichting. Hij heeft verklaard waar te nemen voor verzoeker en [broer 1]. Hij treedt hiermee op als leidinggevende, al is hij dat op papier niet. Op 9 januari 2003 nam verzoeker juist voor [broer 2] waar, blijkens een schrijven van het OM te Den Haag.Verder zijn I. en [broer 2] blijkens een politieregistratie van 12 april 2010 als verdachten aangemerkt en aangehouden inzake de vermoedelijke handel in verdovende middelen.

Ten slotte is er sprake van een familierelatie, nu verzoeker, I. en [broer 2] broers van elkaar zijn.

De omstandigheid dat verzoeker een nieuwe aanvraag heeft ingediend op naam van alleen hemzelf, verandert dit standpunt niet, reeds vanwege de hierna genoemde feiten en omstandigheden van na het Bibob-advies, die het bestaan van een actueel zakelijk samenwerkingsverband aannemelijk maken:

  • -

    Verzoeker heeft de nieuwe aanvraag ingediend naar aanleiding van het voornemen, terwijl bij de vorige aanvraag ook al de indruk bestond dat [broer 2] de bar overdeed aan verzoeker en [broer 1] in verband met het beslag op de bezittingen van [broer 2];

  • -

    De onderlinge verwevenheid wordt juist bevestigd door het feit dat [broer 1] zich kennelijk als vennoot uitschrijft, zonder dat daar enige financiële vergoeding tegenover staat, terwijl uit de eerdere vergunningaanvraag blijkt dat hij eigen spaargeld in de onderneming heeft gebracht;

  • -

    Ook in de nieuwe pacht- en huurovereenkomst is geen waarborgsom of andere zekerheid voor de huurbetaling opgenomen;

  • -

    De nieuwe pacht- en huurovereenkomst is op 1 juli 2011 gesloten. Het bevreemdt dat [broer 1] niet heeft meegetekend op deze overeenkomst, aangezien hij tot 1 november met verzoeker de onderneming dreef;

  • -

    Verzoeker, [broer 1], en [broer 2] zijn alle drie recent op 4 oktober 2011 door de financiële recherche aangehouden als verdachte in verband met een onderzoek naar witwassen;

  • -

    [broer 2] is recent, op 3 december 2011, betrokken geweest bij een schermutseling tussen hem en een bezoeker van [naam VOF]. [broer 2] is daarbij geregistreerd als eigenaar van het café.

  • -

    Naar aanleiding van een vermoeden van fraude aan de energiemeter, geconstateerd tijdens een horecacontrole op 23 juni 2011, is [broer 2] op 7 december 2011 ontboden op het politiebureau. Hierbij heeft hij een verklaring afgelegd. Gelet op het feit dat hij sinds 1 juni 2011 niet meer de ondernemer is van de horeca-inrichting, is dit onlogisch en zou niet hij maar verzoeker een verklaring zijn gaan afleggen.

Verder heeft verweerder geconstateerd dat er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen en ernstig doen vermoeden dat [broer 1] heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet en zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Blijkens het Justitieel Documentatiesysteem is [broer 1] op 4 mei 2011 onherroepelijk veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor het (op 9 december 2009) medeplegen van witwassen. Voorts zijn er op zijn naam twee verdachte transacties aangetroffen die verband kunnen houden met witwassen of de financiering van terrorisme, wordt in het vonnis van 4 mei 2011 mogelijke een relatie gelegd met handel in verdovende middelen. Voorts is gebleken dat er vier internationale rechtshulpverzoeken zijn binnengekomen waarin [broer 1] en de medebetrokkene bij het feit van 9 december 2009 zijn geregistreerd en is daarbij het adres van de horeca-inrichting [naam VOF] genoemd. Ten slotte zijn [broer 1], zijn mededader en [broer 2] op 12 april 2010 aangehouden als verdachten voor betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen.

Daarnaast bestaat het redelijk ernstige vermoeden dat [broer 2] heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet en zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Blijkens het vonnis en de veroordeling van 4 mei 2011 betrof een gedeelte van het bij [broer 1] aangetroffen geld een geldlening van zijn broer [broer 2] en is [broer 2] op 12 april 2010 aangehouden als verdachte voor betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. Voorts blijkt uit het kadaster en beslagstukken van de deurwaarder dat door het OM te Den Haag conservatoir en/of strafvordelijk beslag ter verbeurdverklaring is gelegd op alle panden van [broer 2] en zijn ondernemingen wegens een strafrechtelijk financieel onderzoek naar [broer 2] inzake witwassen. Ten slotte staan er een aantal verdachte transacties op naam van [broer 2] waarbij aan een transactie de indicatie van witwassen (of de financiering van terrorisme is gekoppeld en uit de andere transacties blijkt dat [broer 2] kennelijk over grote contante geldsommen beschikt.

Verweerder heeft hierbij geconcludeerd dat verzoeker en [broer 1] in relatie staan tot deze feiten en dat het financieel voordeel dat met de feiten is verkregen groot is te noemen. Er bestaat ernstig gevaar dat de aangevraagde beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Er is sprake van een zwaarwegende veroordeling van [broer 1] en een vermoedelijk langdurige pleegperiode van veelvuldig witwassen en de handel in verdovende middelen door [broer 2] en [broer 1]. Daarnaast is er een zakelijk samenwerkingsverband.

Voorts zijn de strafbare feiten (vermoedelijk) gepleegd bij activiteiten die overeenkomen en/of samenhangen met de activiteiten waarvoor de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning zijn aangevraagd. De vergunningen kunnen het plegen van de strafbare feiten faciliteren. Tevens biedt een onderneming als hier aan de orde een goede mogelijkheid om opbrengsten uit de handel in verdovende middelen wit te wassen.

Op grond hiervan bestaat tevens een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

5

Verzoeker heeft aangevoerd dat [broer 1] in de horecaonderneming geen enkele rol meer speelt en dat er ook geen zakelijke verbanden meer zijn. Aan het familieverband kan verzoeker niets veranderen. Gelet hierop kunnen de bevindingen ten aanzien van [broer 1] geen reden meer zijn om de vergunning te weigeren. Evenmin leidt het feit dat [broer 2] de broer van verzoeker is tot de conclusie dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband. De omstandigheid dat de onderneming voorheen van [broer 2] kan ook niet tot deze conclusie leiden, nu hij, afgezien van de bemoeienissen in verband met de overdracht, geen bemoeienissen meer heeft met de onderneming.

Voorts stelt verzoeker dat er niets bijzonders is aan de gangbare pacht/huurovereenkomst die hij niet met [broer 2] heeft gesloten maar met [X] B.V.

Met betrekking tot [broer 2] wijst verzoeker erop dat het OM bij beslissing van 18 januari 2011 de zaak met betrekking tot handel in verdovende middelen heeft geseponeerd wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het Bureau Bibob wist dit ten tijde van het advies, maar heeft dit bewust niet in de rapportage vermeld en de waarheid gemanipuleerd.

Verder stelt verzoeker –samengevat – dat er onvoldoende is om aan te nemen dat [broer 2] strafbare feiten heeft gepleegd.

Ten aanzien van de feiten en omstandigheden die dateren van na het Bibob-advies stelt verzoeker dat hij juist een nieuwe aanvraag heeft ingediend om de bezwaren van verweerder weg te nemen. Voorts zijn de beweegredenen van [broer 2] voor de verhuur van het pand verzoeker niet bekend en heeft de verhuur van een pand en inventaris geen invloed op het daarop gelegde conservatoire beslag. Verder voert verzoeker aan dat verweerder de stelling dat [broer 1] voor zijn uitschrijving als vennoot geen vergoeding heeft ontvangen, niet onderbouwd en dat de omstandigheid dat in de nieuwe pacht/huurovereenkomst geen waarborgsom of zekerheid is gesteld niet van belang is en een normale zakelijke beslissing is. De stelling van verweerder dat iets vreemd is, is volgens verzoeker slechts een persoonlijk waardeoordeel, maar geen valide argument. Daarnaast wijst verzoeker er op dat [broer 2] op 4 oktober 2011 niet aangehouden door de financiële recherche. De omstandigheid dat de politie [broer 2] heeft genoteerd als eigenaar en heeft ontboden op het politiebureau, komt voor risico van de politie.

Ten slotte stelt verzoeker dat niet valt in te zien dat de enige (afgeleide) zakelijke relatie met [broer 2], namelijk de huur/pacht van het pand, kan worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of dat daardoor een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Er is sprake van een café van een uitbater zonder relevante strafrechtelijke antecedenten, in een pand waar nog een hypotheek op rust en dat door klager wordt gehuurd. Van enige illegale activiteit in relatie tot het café is niet gebleken, aldus verzoeker.

6

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van het advies van het Bureau Bibob, nadat verzoeker hiervoor op 15 februari 2012 toestemming heeft verleend.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau Bibob, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het Bureau, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het Bureau en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, LJNBC 5256.

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en aan de bevindingen van het advies. Het advies biedt in de eerste plaats een deugdelijke basis voor de conclusie dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoeker en zijn broers. De informatie hierover wijst in dezelfde richting en is niet onderling tegenstrijdig. Deze conclusie is niet alleen gebaseerd op de tussen verzoeker en [X] B.V. (vertegenwoordigd door [broer 2]) gesloten pacht- en huurovereenkomst, maar ook op onder andere de omstandigheid dat [broer 1] en verzoeker werknemers van [broer 2] waren en dat zij een voor een barman ongebruikelijk salaris ontvingen. Voorts is niet in geschil dat [broer 2] nog na de overdracht van de onderneming op 23 juni 2011 heeft verklaard dat hij de zaak voor verzoeker en [broer 1] waarnam. Een familierechtelijke relatie is in de regel een extra aanwijzing voor een zakelijk samenwerkingsverband. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006, (LJN AX4420). Alleen de omstandigheid dat [broer 1] zich na het door verweerder uitgebrachte voornemen tot weigering van de vergunning heeft teruggetrokken, vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat het samenwerkingsverband is verbroken. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat verzoeker, [broer 1], en [broer 2] blijkens het mutatierapport van de financiële recherche van de Politie Haaglanden van 5 oktober 2011 zijn geregistreerd als verdachten ter zake van handel in verdovende middelen en witwassen en dat verzoeker en [broer 1] hiertoe op 4 oktober 2011 zijn aangehouden.

Verweerder heeft de weigering van de vergunning voornamelijk gebaseerd op de bevindingen ten aanzien van [broer 1]. Verzoeker heeft deze bevindingen niet weersproken. De stelling van verzoeker dat de door [broer 1] gepleegde strafbare feiten hoe dan ook geen rol meer mogen spelen bij de beslissing over de vergunning, nu [broer 1] niet meer op de aanvraag is vermeld, wordt niet gevolgd. Uit de memorie van toelichting behorende bij de Wet Bibob (Tweede Kamer, 1999-2000), 26 883, nr. 3, p. 63) blijkt dat het begrip zakelijk samenwerkingsverband in de wet is opgenomen, omdat criminele organisaties of groepen in een zodanig verband kunnen opereren dat daarin ook natuurlijke personen of rechtspersonen zijn opgenomen, waarvan, behoudens het gegeven dat er sprake is van een (soms langdurige) zakelijke samenwerking met als crimineel bekend staande natuurlijke personen of rechtspersonen, overigens geen justitiële of politiële antecedenten bekend zijn. Deze in strafrechtelijk opzicht “schone” natuurlijke personen of rechtspersonen, de zogenaamde katvangers, kunnen in voorkomend geval als aanvrager van een subsidie of vergunning optreden. In een dergelijk geval zou een subsidie of vergunning niet kunnen worden geweigerd of ingetrokken indien uitsluitend op de aanvrager of diens financiers zou worden gelet. Dit terwijl het zakelijk samenwerkingsverband waarin de aanvrager participeert, als geheel voordeel kan ontlenen aan de toekenning van de subsidie of vergunning. Vanwege dit zakelijk belang van het samenwerkingsverband als zodanig, dient bij de beslissing inzake de toekenning of intrekking tevens rekening te worden gehouden met de strafbare feiten van degenen die naast de aanvrager deelnemen in het zakelijk samenwerkingsverband. Dit maakt dat verzoeker in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd door [broer 1].

Verweerder heeft op grond van deze strafbare feiten mogen concluderen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen.

De stelling van verzoeker dat er geen sprake is van samenhang tussen de vergunning en de strafbare feiten, wordt niet gevolgd. Op grond van de Wet Bibob is er reeds sprake van samenhang wanneer een betrokkene strafbare feiten heeft gepleegd die ook tijdens een vergunningplichtige exploitatie gepleegd kunnen worden. Voldoende is dat de vergunning het plegen van strafbare feiten kan faciliteren.

Reeds hierom heeft verweerder zich op grond van het advies van het Bureau Bibob en de daarin ten aanzien van [broer 1] genoemde feiten en omstandigheden op het standpunt mogen stellen dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vergunning te weigeren. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht over [broer 2] geen bespreking meer.

7

Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

8

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr.K. Schaffels, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I. Goud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.