Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:30438

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
12/8146
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

gemeenschapsonderdaan, familielid, artikel 8.13 vijfde lid Vb 2000, artikel 35 richtlijn 2004/38/EG, onderzoek

Niet is in geding dat de status ‘gemeenschapsonderdaan’ van rechtswege wordt verkregen, en dat die status het recht om betaalde arbeid te verrichten meebrengt. Dat neemt niet weg dat lidstaten, zoals blijkt uit artikel 10, eerste lid van de Richtlijn, geïmplementeerd in artikel 8.13, vijfde lid van het Vb 2000, binnen zes maanden het verblijfsrecht van een familielid van een burger van de Unie dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, vast moeten stellen.

Daaruit volgt dat lidstaten desgewenst, naar aanleiding van een door een vreemdeling gestelde claim dat hij gemeenschapsonderdaan is, de gelegenheid hebben de gegrondheid van die claim te onderzoeken en de vreemdeling de rechten, verbonden aan het zijn van gemeenschapsonderdaan, hangende dat onderzoek kunnen ontzeggen. In dat verband wijst de rechter op het gebruik in artikel 35 van de Richtlijn van de woorden “ontzeggen”

Dat sluit niet uit de mogelijkheid dat naar aanleiding van dat onderzoek zal blijken dat een vreemdeling gedurende dat onderzoek de status van gemeenschapsonderdaan had, en dus gerechtigd was arbeid te verrichten.

Tegenover het belang van de Nederlandse Staat om de gegrondheid van een gestelde claim naar behoren te kunnen onderzoeken en te voorkomen dat gedurende die periode van onderzoek arbeid wordt verricht door een vreemdeling die daar mogelijk niet toe gerechtigd was, staat in dit geval het belang van verzoeker met arbeid inkomen te kunnen verwerven en een ziektekostenverzekering af te kunnen sluiten. Bij afweging van die belangen, mede in aanmerking genomen de betrekkelijk korte periode waarbinnen de Staat het verblijfsrecht van verzoeker vast moet stellen, laat de rechter het belang van de Nederlandse Staat prevaleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 12/8146

Uitspraak

in het geding tussen:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum],

burger van de Dominicaanse Republiek,

IND dossiernummer [nummer], verzoeker,

gemachtigde mr. W.P.C. de Vries, advocaat te Amsterdam;

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst), vertegenwoordigd door mr. R.R. de Groot, verweerder.

1 Procesverloop

Op 20 februari 2012 heeft verzoeker een aanvraag tot toetsing aan het EU-recht, en om afgifte van een verblijfskaart als bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn) ingediend.

Op 1 maart 2012 heeft verweerder in het paspoort van verzoeker een sticker geplaatst met de aantekening ‘arbeid niet vrij toegestaan’. Bij brief van 1 maart 2012 is daartegen bezwaar gemaakt.

Verzoeker verzoekt de rechter verweerder te gelasten om in het paspoort van verzoeker een sticker verblijfsaantekeningen / gemeenschapsonderdaan, met de aantekening “Arbeid is vrij toegestaan” te doen plaatsen, binnen een week na de te wijzen uitspraak.

Het verzoek is ter zitting van 26 april 2012 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Overwegingen

2.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De voorzieningenrechter zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoekster in afwachting van de beslissing op bezwaar moet worden verboden.

2.2

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e. van de Vw 2000 wordt verstaan onder gemeenschapsonderdanen:

1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2°. familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

Ingevolge artikel 8.7, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) - voor zover hier van belang - is Paragraaf 2 EG/EER van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is deze paragraaf is eveneens van toepassing op de echtgenoot van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, die die vreemdeling naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt.

Ingevolge artikel 8.13, eerste lid van het Vb 2000 - voor zover hier van belang – heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c.

Ingevolge het tweede lid meldt de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in artikel 8.11, tweede lid, bedoelde periode aan bij Onze Minister, in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven, en dient daarbij een aanvraag in tot afgifte van een verblijfsdocument.

Ingevolge het derde lid - voor zover hier van belang - legt de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag over:

  1. een geldig paspoort;

  2. de verklaring van inschrijving van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie hij in Nederland verblijft;

  3. een document waaruit de familierechtelijke relatie of duurzame relatie blijkt met de vreemdeling, bedoeld onder b; en

Ingevolge het vierde lid verstrekt Onze Minister onmiddellijk na de ontvangst van de aanvraag een verklaring dat de aanvraag is ingediend.

Ingevolge het vijfde lid - voor zover hier van belang - verstrekt Onze Minister de verblijfsgerechtigde vreemdeling binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag een verblijfsdocument waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

Blijkens paragraaf B1/9.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) - voor zover hier van belang - plaatst de IND-ambtenaar voor het familielid van de onderdaan van de EU/EER dat zelf niet ook afkomstig is uit één van deze lidstaten (met andere woorden het familielid-derdelander van de unieburger) de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdaan’ in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, of voorziet het reisdocument van een zogeheten inlegvel. De sticker of het inlegvel bevat naast de aantekening omtrent het rechtmatig verblijf, tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt.

Ingevolge artikel 23 van de Richtlijn hebben de familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten, ongeacht hun nationaliteit het recht aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen.

Ingevolge artikel 35 van de Richtlijn - voor zover hier van belang - kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om een in deze Richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken.

Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: WAV) is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de WAV is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

2.3

Verzoeker is burger van de Dominicaanse Republiek. Hij is op 4 juni 2008 in de Dominicaanse Republiek getrouwd met[partner], die de Nederlandse nationaliteit heeft. Het huwelijk is geregistreerd in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam.

Verzoekers echtgenote beschikt over een Belgische “Verklaring van inschrijving”, geldig van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2015.

Verzoeker is, voorzien van een geldig, door de Nederlandse ambassade in Santo Domingo afgegeven visum naar België gereisd. Hij beschikt over een Belgische “verblijfskaart van een familielid van een burger van de EU”, geldig van 12 juli 2011 tot 12 juli 2016.

2.3.1

Verzoeker betoog dat hij door zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw die in België heeft verbleven en met wie hij in Nederland woont, van rechtswege gemeenschapsonderdaan is geworden, dat hij dat afdoende heeft aangetoond en dat daarom ten onrechte op de aangebrachte sticker is vermeld “arbeid niet vrij toegestaan”. Hij stelt belang te hebben bij toewijzing van de voorlopige voorziening, omdat hij - naar eigen zeggen - ‘morgen al aan het werk kan’ en dan ook een ziektekostenverzekering af kan sluiten.

2.3.2

Niet is in geding dat de status ‘gemeenschapsonderdaan’ van rechtswege wordt verkregen, en dat die status het recht om betaalde arbeid te verrichten meebrengt. Dat neemt niet weg dat lidstaten, zoals blijkt uit artikel 10, eerste lid van de Richtlijn, geïmplementeerd in artikel 8.13, vijfde lid van het Vb 2000, binnen zes maanden het verblijfsrecht van een familielid van een burger van de Unie dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, vast moeten stellen.

Daaruit volgt dat lidstaten desgewenst, naar aanleiding van een door een vreemdeling gestelde claim dat hij gemeenschapsonderdaan is, de gelegenheid hebben de gegrondheid van die claim te onderzoeken en de vreemdeling de rechten, verbonden aan het zijn van gemeenschapsonderdaan, hangende dat onderzoek kunnen ontzeggen. In dat verband wijst de rechter op het gebruik in artikel 35 van de Richtlijn van de woorden “ontzeggen”

Dat sluit niet uit de mogelijkheid dat naar aanleiding van dat onderzoek zal blijken dat een vreemdeling gedurende dat onderzoek de status van gemeenschapsonderdaan had, en dus gerechtigd was arbeid te verrichten.

2.3.3

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in vergelijkbare gevallen regelmatig onderzoek wordt gedaan naar de vraag of sprake is van een schijnhuwelijk. Volgens verweerder zijn in dit geval in het bijzonder vragen gerezen met betrekking tot de duur van het verblijf van de echtgenote van verzoeker in België. Verweerder acht het van belang nader onderzoek te kunnen doen, en te voorkomen dat verzoeker hangende dat onderzoek arbeid zal verrichten waartoe hij mogelijk niet gerechtigd zal blijken te zijn.

2.3.4

Tegenover het belang van de Nederlandse Staat om de gegrondheid van een gestelde claim naar behoren te kunnen onderzoeken en te voorkomen dat gedurende die periode van onderzoek arbeid wordt verricht door een vreemdeling die daar mogelijk niet toe gerechtigd was, staat in dit geval het belang van verzoeker met arbeid inkomen te kunnen verwerven en een ziektekostenverzekering af te kunnen sluiten. Bij afweging van die belangen, mede in aanmerking genomen de betrekkelijk korte periode waarbinnen de Staat het verblijfsrecht van verzoeker vast moet stellen, laat de rechter het belang van de Nederlandse Staat prevaleren.

Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, en door hem ondertekend. De griffier is daartoe buiten staat.

In het openbaar uitgesproken op 10 mei 2012.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.