Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:19680

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
10-07-2014
Zaaknummer
AWB-12_1206 IB-PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:4733, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Als gevolg van een reconstructie van de administratie van eiser, door verweerder in samenspraak met eiser, wordt het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 34.136. Het ligt op eisers weg om aannemelijk te maken dat de door hem gestelde kosten, bij betwisting door verweerder, daadwerkelijk zijn gemaakt. De enkele stelling dat eiser kosten heeft gemaakt is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Nu eiser in de bezwaarfase heeft verzocht om te worden gehoord en verweerder dit niet heeft gedaan is sprake van schending van de hoorplicht. Eiser heeft niet verzocht om terugverwijzing. Niet is gebleken dat eiser door de schending van de hoorplicht in zijn belang is geschaad nu bij het reconstrueren van de administratie uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden tussen eiser en verweerder en eiser zijn standpunten ter zitting heeft kunnen toelichten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1206

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2012 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 januari 2012 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2009 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.136 (de aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B].

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1.

Eiser drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak waarvan de activiteiten bestaan uit het plaatsen en repareren van en het verrichten van onderhoud aan houten vloeren en laminaatvloeren.

2.

Eiser heeft, na hiertoe te zijn aangemaand, op 30 maart 2011 aangifte IB/PVV 2009 gedaan naar een verlies uit werk en woning van € 2.260. In 2010 heeft bij eiser een controle plaatsgevonden voor de jaren 2005 tot en met 2008. Naar aanleiding van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 wordt in 2011 door verweerder in samenspraak met eiser, eisers administratie gereconstrueerd. Op 9 november 2011 wordt als gevolg van de reconstructie het inkomen uit werk en woning bepaald op € 34.136. Na hiertegen door eiser gemaakt bezwaar, heeft verweerder de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

3.

In geschil is of verweerder terecht van de aangifte is afgeweken.

4.

Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe – zakelijk weergegeven – aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met telefoonkosten, autoverzekeringskosten, huisvestingskosten, energiekosten en (rente)kosten op MKB leningen. Verder stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord en dat verweerder te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

Verweerder stelt dat er voor de kosten door eiser geen bewijs is bijgebracht, en dat aan het buiten de termijn uitspraak doen op bezwaar geen consequenties zijn verbonden.

5.

De rechtbank stelt voorop dat de wet als zodanig geen sanctie kent bij overschrijding door verweerder van de wettelijke uitspraaktermijn. Wel biedt de wet aan eiser in een dergelijk geval de mogelijkheid om na ingebrekestelling een dwangsom te vorderen en de mogelijkheid van rechtstreeks beroep. Beide mogelijkheden zijn in het onderhavige geval niet benut. De grief op dit punt van eiser dient derhalve zonder gevolg te blijven.

6.

Eiser heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om te worden gehoord. Verweerder is aan dit verzoek voorbij gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van de in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht vermelde situaties zich voorgedaan en was verweerder gehouden eiser te horen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan is sprake van schending van de hoorplicht, hetgeen de rechtbank aanleiding geeft de uitspraak op bezwaar te vernietigen. Eiser heeft niet verzocht om terugverwijzing en nu in 2011 bij het reconstrueren van de administratie uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden tussen eiser en verweerder en eiser ter zitting zijn standpunten heeft kunnen toelichten, is niet gebleken dat eiser door de schending van de hoorplicht in zijn belang is geschaad. De rechtbank zal derhalve zelf in de zaak voorzien.

7.

Aangaande de kosten overweegt de rechtbank dat het – bij betwisting door verweerder – op eisers weg ligt om aannemelijk te maken dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet geslaagd in deze op hem rustende bewijslast. De enkele stelling van eiser dat hij kosten heeft gemaakt, is daartoe onvoldoende. Het gelijk is derhalve aan verweerder.

8.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen, wordt het beroep gegrond verklaard. Voorts zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven.

9.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Molenaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. -

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep