Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:15149

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
AWB-12_4999
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet Bibob

Wetsverwijzingen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4999 BIBOB

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], h.o.d.n. [horeca-inrichting], te Den Haag, verzoeker

(gemachtigde: mr. A.B. Baumgarten),

ten aanzien van het besluit van 19 juni 2012 van de burgemeester van Den Haag, verweerder, waarbij verweerder de exploitatievergunning van verzoeker heeft ingetrokken op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 juni 2012 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 3 juli 2012 ter zitting behandeld.

Namens verzoeker zijn verschenen gemachtigde en [persoon A].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] en [persoon C].

I Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.1 Aan verzoeker is een exploitatievergunning verstrekt in verband met de exploitatie van de horeca-inrichting [horeca-inrichting] (hierna: de horeca-inrichting).

2.2 Bij besluit van 28 november 2006 is de horeca-inrichting op last van verweerder gedurende drie maanden gesloten geweest naar aanleiding van een steek-incident.

2.3 Bij brieven van 11 december 2009, 15 februari 2011 en 22 juni 2012 is verzoeker gewaarschuwd wegens het overtreden van de vergunningvoorschriften en de Algemene Plaatselijke Verordening.

2.4 Bij brief van 16 januari 2012 heeft de officier van justitie aan verweerder aangegeven het wenselijk te achten een Bibob-advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob van het Ministerie van Justitie (hierna: LBB) inzake [naam familielid verzoeker], eventueel in combinatie met de horeca-inrichting.

2.5 Bij brief van 8 februari 2012 heeft verweerder verzoeker medegedeeld een Bibob-advies aan het LBB te vragen.

2.6 Op 10 april 2012 heeft het LBB advies uitgebracht aan verweerder. De conclusie van dit advies luidt dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob).

2.7 Bij brief van 21 mei 2012 heeft verweerder verzoeker laten weten voornemens te zijn de horeca-inrichting te sluiten.

2.8 Bij brief van 6 juni 2012 heeft verzoeker zijn zienswijze aan verweerder kenbaar gemaakt.

2.9 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van vijf veroordelingen voor in totaal zeven strafbare feiten gepleegd in de periode 20 oktober 1997 tot en met 21 oktober 2010 en een transactie in verband met één vermoedelijk gepleegd strafbaar feit gepleegd op 15 februari 2003. Het betreffen vrijwel allemaal geweldsdelicten, waarbij vijf van de acht (vermoedelijk) strafbare feiten gepleegd zijn in de buurt van de horeca-inrichting. Nu sprake is van een ernstige mate van gevaar heeft verweerder besloten de exploitatievergunning in te trekken.

3

Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat de strafbare feiten in geen enkele relatie staan tot de exploitatie van de horeca-inrichting. Het feit dat de strafbare feiten zijn begaan in en rondom de horeca-inrichting kan worden verklaard uit het feit dat verzoeker boven de horeca-inrichting woonachtig is. De strafbare feiten hebben zich met grote tussenpozen afgespeeld. Aan het feit dat aan verzoeker steeds een boete is opgelegd en hij nimmer gedetineerd is geweest, kan worden afgeleid dat het om relatief lichte feiten gaat.

De sluiting van de horeca-inrichting zal zeer ingrijpende (financiële) gevolgen hebben voor verzoeker daar verzoeker waarschijnlijk niet in staat zal zijn om op andere wijze inkomsten te genereren.

Ten slotte stelt verzoeker dat er volgens verweerders Bibob-beleidslijn met betrekking tot recreatie- en seksinrichtingen ook minder verstrekkende maatregelen mogelijk zijn.

4

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1

Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Den Haag is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

5.2

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

5.3

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

5.4

Ingevolge het derde lid van dit artikel, wordt de mate van het gevaar, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, vastgesteld op basis van:

  1. . feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven;

  2. . ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

  3. . de aard van de relatie en

  4. . het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

5.5

Ingevolge het vierde lid van dit artikel staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

  1. . hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

  2. . hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

  3. . een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

5.6

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

  1. . de mate van het gevaar en

  2. . voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van het advies van het Bureau Bibob, nadat verzoeker bij brief van 2 juli 2012 toestemming heeft verleend.

7.1

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat sprake is van voldoende spoedeisend belang. Bij intrekking van de vergunning van verzoeker wordt het voor hem onmogelijk zijn onderneming op gelijke wijze voort te zetten en daarmee inkomen te genereren. In beginsel zal hij inkomensschade en mogelijk ook reputieschade lijden.

7.2

De voorzieningenrechter overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau Bibob, in beginsel van het advies van het Bureau mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie door het Bureau, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het Bureau en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, LJN BC5256.

7.2

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en aan de bevindingen van het advies. Het advies biedt een deugdelijke basis voor de conclusie dat verzoeker zich structureel, maar in ieder geval herhaaldelijk over meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten die samenhangen met de verstrekte vergunning. De stelling van verzoeker dat er geen sprake is van samenhang tussen de vergunning en de strafbare feiten, wordt niet gevolgd. Op grond van de Wet Bibob is er reeds sprake van samenhang wanneer een betrokkene strafbare feiten heeft gepleegd die ook tijdens een vergunningplichtige exploitatie gepleegd kunnen worden. Voldoende is dat de vergunning het plegen van strafbare feiten kan faciliteren.

7.3

Reeds hierom heeft verweerder zich op grond van het advies van het Bureau Bibob en de daarin ten aanzien van [verzoeker] genoemde feiten en omstandigheden op het standpunt mogen stellen dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vergunning te weigeren.

7.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, zich op grond van het advies van het Bureau Bibob en de daarin genoemde feiten en omstandigheden op het standpunt mogen stellen dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

7.5

Met betrekking tot de door verzoeker gestelde nadelige financiële gevolgen van het intrekken van de vergunning overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De bevoegdheid tot intrekking van een vergunning is neergelegd in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob en is aldus bij wet voorzien. Voorts is het algemeen belang gediend met de toepassing van deze bevoegdheid in dit geval, aangezien, zoals hiervoor is overwogen, de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat geen redelijk evenwicht bestaat tussen het met intrekking van de vergunning gediende algemeen belang en de nadelige (financiële) gevolgen daarvan voor verzoeker. Er bestaat gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vergunning in te trekken.

7.6

Ter zake van de stelling van verzoeker dat ook minder verstrekkende mogelijkheden mogelijk zijn wijst de voorzieningenrechter er op dat al is geconcludeerd dat sprake is van ernstig gevaar, derhalve zijn minder verstrekkende maatregelen niet aan de orde.

8

Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak de rechterlijke toets zou kunnen doorstaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt derhalve afgewezen.

9

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

II Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr.G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.drs.C.M.A. Demetriadis, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.