Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BZ1036

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
09/920375-10 & 09/920220-10 (t.b.g.) & 09/761707-09 (t.b.g.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft op op meerdere tijdstippen met meerdere personen die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, één of meer ontuchtige handelingen gepleegd. Het ondergaan van dergelijke handelingen kan ook tot op latere leeftijd tot ernstige psycho-sociale en/of emotionele problemen leiden. Het grote gevaar voor recidive en de algemene veiligheid van personen maken een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen noodzakelijk. De verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan mishandeling van een jongen die bij hem inde klas zat. Verdachte is in het verleden reeds eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. > Jeugddetentie voor de duur van 76 dagen met aftrek en legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920375-10; 09/920220-10 (t.b.g.); 09/761707-09 (t.b.g.)

Datum uitspraak: 24 november 2011

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [datum] 1994 te [plaats],

thans civielrechtelijk verblijvende in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg,

te weten Avenier, locatie Anker, Kerkstraat 51, 7135 JJ Harreveld.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 10 november 2011.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. D.M. Kortekaas heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder feit 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 76 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Deventer door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] (geboren [datum] 2003) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het duwen van zijn, verdachtes, hand in de zwembroek van voornoemde [slachtoffer 1] en/of bevoelen en/of betasten van diens geslachtsdeel en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het - tijdens het glijden over een (water)glijbaan - van achteren vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] op zijn

(verdachtes) schoot en/of benen trekken;

art 246 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Deventer, met [slachtoffer 1] (geboren [datum] 2003), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (onverhoeds) met zijn hand(en) in de zwembroek van die [slachtoffer 1] gaan en/of het bevoelen en/of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1];

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] (geboren [datum] 2001) te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en) bestaande uit het betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 2] tijdens het glijden over een (water)glijbaan, die [slachtoffer 2] van achteren heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] op zijn (verdachtes) schoot en/of benen heeft getrokken en/of (daarbij) onverhoeds zijn (verdachtes) hand in de zwembroek van die [slachtoffer 2] heeft getracht te duwen en/of drukken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 246 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met [slachtoffer 2] (geboren [datum] 2001), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) te plegen, tijdens het glijden over een (water)glijbaan, zijn (verdachtes) hand in de zwembroek van die [slachtoffer 2] heeft getracht te duwen en/of drukken (teneinde diens geslachtsdeel te bevoelen en/of te betasten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 247 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Deventer, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] (geboren [datum] 2001) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het met de hand(en) in de (zwem)broek van die [slachtoffer 3] gaan en/of het bevoelen en/of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (van achteren) vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 3] en/of (daarbij) die [slachtoffer 3] op zijn, verdachtes schoot en/of benen trekken;

art 246 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Deventer met [slachtoffer 3], geboren op [datum] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (onverhoeds) met zijn hand(en) in de zwembroek van die [slachtoffer 3] gaan en/of het bevoelen en/of betasten van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 3];

art 247 Wetboek van Strafrecht

4.

Ter berechting gevoegd: 09/920220-10

hij op of omstreeks 12 mei 2010 te 's-Gravenhage met [slachtoffer 4], geboren op [datum] 2006 die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande

uit

- het naar beneden trekken van de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 4] en/of

- betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek, althans onderlichaam

van die [slachtoffer 4] en/of

- wrijven over de vagina en/of schaamstreek, althans onderlichaam van die

[slachtoffer 4];

art 247 Wetboek van Strafrecht

5.

Ter berechting gevoegd: 09/761707-09

hij op of omstreeks 18 september 2009 te Zoetermeer opzettelijk een persoon (te weten [aangever 5]), met beide handen vast heeft gepakt en/of (vervolgens) die [aangever 5] met het hoofd op de voor die [aangever 5] staande tafel heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is namelijk ten aanzien van deze feiten telkens van oordeel dat het (de) in de tenlastelegging omschreven (bedreiging met) geweld of andere feitelijkhe(i)d(en) niet van zodanige dwingende en/of dreigende aard is, dat kan worden gesproken van een situatie zoals bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Dit houdt in dat volgens de rechtbank niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

1.

Subsidiair

hij op 02 oktober 2010 te Deventer, met [slachtoffer 1]

(geboren [datum] 2003), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande uit het onverhoeds met zijn hand in de zwembroek van die [slachtoffer 1] gaan;

2.

Subsidiair

hij op 02 oktober 2010 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met [slachtoffer 2] (geboren [datum] 2001), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen te plegen, tijdens het glijden over een waterglijbaan, zijn (verdachtes) hand in de zwembroek van die [slachtoffer 2] heeft getracht te duwen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

Subsidiair

hij op 02 oktober 2010 te Deventer met [slachtoffer 3], geboren op [datum] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande uit het onverhoeds met zijn hand in de zwembroek van die [slachtoffer 3] gaan;

4.

Ter berechting gevoegd: 09/920220-10

hij op 12 mei 2010 te 's-Gravenhage met [slachtoffer 4], geboren op [datum] 2006 die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het naar beneden trekken van de broek en onderbroek van die [slachtoffer 4] en

- betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 4];

5.

Ter berechting gevoegd: 09/761707-09

hij op 18 september 2009 te Zoetermeer opzettelijk een persoon (te weten [aangever 5]), met beide handen vast heeft gepakt en vervolgens die [aangever 5] met het hoofd op de voor die [aangever 5] staande tafel heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met drie jongens, van wie er destijds één 7 jaar en de andere twee 9 jaar waren. Deze handelingen bestonden uit het onverhoeds met zijn hand in de zwembroek gaan van twee van de jongens tijdens het glijden over een waterglijbaan. Bij de derde jongen mislukte dit.

De verdachte heeft tevens ontuchtige handelingen gepleegd met een meisje dat op het moment van de handelingen slechts drie jaar oud was. De verdachte heeft haar broek en onderbroek naar beneden getrokken en haar vagina/schaamstreek betast/aangeraakt.

De verdachte heeft door het plegen van deze ontuchtige handelingen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de nog (zeer) jeugdige slachtoffers.

Het ondergaan van dergelijke handelingen kan, zoals algemeen bekend is, ook tot op latere leeftijd tot ernstige psycho-sociale en/of emotionele problemen leiden. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van één van de slachtoffertjes is ook naar voren gekomen dat het voorval grote indruk op hem heeft gemaakt. Hij was gedurende een aantal maanden minder actief en in zichzelf gekeerd en maakt thans ook een vroege seksuele ontwikkeling door.

De rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte, ook ter terechtzitting, voornoemde feiten blijft ontkennen. De rechtbank realiseert zich dat de problematiek van de verdachte hierbij een rol speelt, maar volgens de deskundigen kan de verdachte wel degelijk in beperkte mate verantwoordelijk worden geacht voor zijn handelen.

De verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan mishandeling van een jongen die bij hem in de klas zat. Hij heeft het hoofd van deze jongen met beide handen vastgepakt en hem op de tafel geduwd. Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer een bloedneus en een forse kneuzing aan zijn neus opgelopen. De verdachte heeft zich uitermate agressief gedragen richting het slachtoffer.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De rechtbank heeft kennis genomen van een groot aantal rapporten betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft met name acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 3 november 2011 betreffende het psychiatrisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door drs. H. van der Lugt, kinder- en jeugdpsychiater, alsook op het pro justitia rapport d.d. 7 november 2011 betreffende het psychologisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door drs. S. Smit-Paulides, psycholoog onder supervisie van drs. R.B. Visser, klinisch psycholoog.

Zoals blijkt uit deze rapporten, is er bij de verdachte sprake is van een complexe ontwikkelingsstoornis met een reactieve hechtingsstoornis, ADHD en een achterstand in de verbale, emotionele en gewetensontwikkeling, waardoor er bij de verdachte gesproken kan worden van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Voorts is er sprake van een afwijkende psychoseksuele ontwikkeling waarbij de verdachte voldoet aan de criteria van pedofilie. Aangegeven wordt dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht. De kans op seksueel grensoverschrijdend dadergedrag en algemeen antisociaal gedrag is hoog. Geconcludeerd is dat de verdachte langdurig en in een gestructureerde setting behandeld dient te worden voor zijn uitgebreide psychiatrische problematiek en zijn ontspoorde psychoseksuele ontwikkeling.

Ook de autistiforme problemen dienen in deze behandeling een plaats te krijgen. Aangezien de intrinsieke motivatie van de verdachte gering is en het risico op herhaling groot is, kan de behandeling het beste worden gewaarborgd door middel van een onvoorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Geadviseerd wordt om de verdachte in de JJI Den Hey-Acker te plaatsen, omdat aldaar specifieke behandelmogelijkheden voor hem voorhanden zijn.

De rechtbank onderschrijft de conclusies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive uit voornoemde rapporten en zal het gegeven advies opvolgen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 8 november 2011.

De Raad sluit zich aan bij het advies van voornoemde deskundigen en adviseert

tevens aan de verdachte de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onvoorwaardelijk op te leggen.

Alles overwegende is de rechtbank allereerst van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf gelijk aan het voorarrest van de verdachte een passende reactie vormt.

De problematiek van de verdachte is voorts zodanig dat de rechtbank tevens

van oordeel is dat de ernst van de gepleegde delicten, het grote gevaar voor recidive en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen noodzakelijk maakt, terwijl deze maatregel tevens in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank adviseert de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen in de JJI Den Hey-Acker dan wel in een andere inrichting die aansluit bij de persoonlijkheid van verdachte, zoals beschreven in voornoemde rapporten van de deskundigen.

De vordering van de benadeelde partij.

[aangever 3] heeft zich namens haar zoon [slachtoffer 3] ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 153,75.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen, aangezien de gestelde schade niet rechtstreeks door de benadeelde partij zelf is geleden.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77v, 77gg, 247 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 subsidiair, 3 subsidiair en 4 (parketnummer 09/920220-10 t.b.g.):

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAREN BUITEN ECHT ONTUCHTIGE HANDELINGEN PLEGEN, MEERMALEN GEPLEEGD

2 subsidiair:

POGING TOT MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAREN BUITEN ECHT ONTUCHTIGE HANDELINGEN PLEGEN

5 (parketnummer 09/761707-09 t.b.g.):

MISHANDELING

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 76 dagen

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

en legt de verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 3] af;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter,

en mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 november 2011.