Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BZ0981

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
09.920202-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan seksueel binnendringen bij een minderjarige jonger dan twaalf jaar en met een ander aan het onttrekken van deze minderjarige aan het wettig gezag. De rechtbank acht bewezen dat verdachte met de mededader een plan heeft gemaakt om het slachtoffer thuis weg te halen en te houden en dat plan welbewust heeft uitgevoerd. > Jeugddetentie voor de duur van 365 dagen waarvan 233 dagen voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09.920202-11

Datum uitspraak: 1 december 2011

Teenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1998,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 september 2011 en 17 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juni 2011 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) meermalen zijn penis gebracht in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer];

art 244 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 15 juni 2011 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- die [slachtoffer] meegenomen in een woning aan de [adres medeverdachte] en/of

- die [slachtoffer] meegenomen naar buiten en/of haar meegevoerd naar verschillende poorten (zodat die [slachtoffer] een half uur lopen van haar huis verwijderd was)

- en/of die [slachtoffer] toen en daar alleen achter gelaten en heeft hij en/of (een van) verdachtes mededader(s) daarbij de navolgende list dan wel het navolgende geweld en/of de navolgende bedreiging met geweld gebezigd: verdachte en/of (een van) verdachtes mededader(s) heeft/hebben daarbij die [slachtoffer] laten geloven dat als zij met hen mee zou gaan zij Justin Bieber zou ontmoeten;

art 279 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte seksueel is binnengedrongen bij een meisje van vijf jaar oud, doordat hij met zijn penis in haar mond en in haar vagina is gegaan, dat hij dat samen met een vriend heeft gedaan, en dat de verdachte en deze medeverdachte dit meisje expres uit de macht van haar ouders hebben gehaald door haar in de waan te brengen dat zij Justin Bieber zou gaan zien als ze met hen meeging, haar toen hebben meegevoerd en hebben achtergelaten op een plek die een half uur lopen bij haar eigen huis vandaan was.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1. en feit 2. heeft begaan, met vrijspraak van het in feit 1. tenlastegelegde binnendringen met de penis in de vagina.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt erop neer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1. wordt zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd. De verdachte is niet de jongen geweest over wie het meisje en de medeverdachte [medeverdachte] verklaren. Het meisje heeft bij het studioverhoor vooral zitten spelen en heeft geen wezenlijk contact met de interviewer gemaakt. Er zijn haar woorden in de mond gelegd. De huid van de verdachte is niet zo bruin als de kleur van de chocoladebruine stift die het meisje aanwijst als de bruine huidskleur van de tweede jongen.

De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] moet als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig buiten beschouwing blijven. Hij kan goed liegen en hij verklaart niets concreets over strafbare handelingen door de verdachte. Ten aanzien van feit 2. voert de raadsman aan dat niet gebleken is dat de ouders van het meisje het gezag niet feitelijk konden uitoefenen, en voorts dat bij de verdachte het opzet ontbreekt.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging 1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, blijkend uit de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Op 15 juni 2011 wordt [slachtoffer], een meisje van vijf jaar oud, gedurende enkele uren vermist. Ze wordt aangetroffen bij het Elektrablauw te Zoetermeer en weet niet meer waar ze woont. Ze vertelt dat ze aan de piemel van een jongen moest likken.2

Het meisje, verder [slachtoffer], heeft in het studioverhoor verklaard dat ze door twee jongens naar Justin Bieber zou worden gebracht en dat ze toen herhaaldelijk hun piemel in haar mond moest nemen. Ook heeft ze in dat verhoor verklaard hoe ze met haar ogen dicht en haar handen voor haar ogen tegen een muurtje moest blijven staan en dat de jongens toen snel wegliepen. 3

De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat een jongen van circa 14 jaar oud die middag aan de deur is gekomen en heeft gevraagd of [slachtoffer] mee kwam voetballen. [broertje slachtoffer], het broertje van [slachtoffer], en [slachtoffer] zijn met de jongen meegegaan. Later troffen de ouders op het schoolplein alleen [broertje slachtoffer] aan. 4

Een vriendin van de moeder van de medeverdachte heeft de medeverdachte samen met een getinte jongen en het meisje zien lopen.5

De medeverdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft opgehaald.6 Dit had hij afgesproken met de verdachte, die bij hem thuis zou wachten. Omdat haar moeder het misschien vreemd zou vinden dat hij een meisje van vijf vraagt om te komen voetballen, heeft hij ook haar broertje meegenomen. De verdachte en de medeverdachte hadden toen al het plan om seksuele handelingen met [slachtoffer] te verrichten. De medeverdachte had eerder die dag van haar gehoord dat ze Justin Bieber zo leuk vond en heeft met de verdachte bedacht dat ze daarmee een goede smoes hadden om haar mee te nemen zonder dat ze zou gaan gillen.7 De verdachte en zijn medeverdachte spreken intussen in het Engels met elkaar zodat de kinderen hen niet kunnen verstaan.8 Ze zijn met [slachtoffer] en [broertje slachtoffer] bij de medeverdachte thuis naar binnen en naar boven gegaan. 9 Vervolgens is de verdachte met [broertje slachtoffer] naar buiten gegaan en is de medeverdachte met [slachtoffer] op zijn kamer gebleven, zogenaamd om foto's van haar te nemen voor Justin Bieber. Vlak voordat de moeder van de medeverdachte thuis komt, is de medeverdachte met [slachtoffer] naar buiten gekomen. De verdachten wilden dat het broertje wegging zodat ze met hun plan door konden gaan. Als het broertje een steen kapot laat vallen, besluiten ze hem naar huis te sturen om dat thuis te gaan vertellen, waarna ze op die manier ongehinderd met het meisje konden vertrekken.10

In een eerder verhoor heeft de medeverdachte verklaard dat hij en de verdachte van poortje naar poortje zijn gelopen en dat ze telkens het meisje ertoe brachten hen te pijpen. Ze hebben haar verteld dat ze Justin Bieber anders niet te zien zou krijgen.11 Ze stonden om de beurt op de uitkijk en als alarmsignaal gebruikten ze het stuiteren met de bal.12

Nadat het meisje hen een aantal keren had gepijpt, hebben de verdachten het meisje met haar gezicht tegen een muur gezet, met de mededeling dat ze daar moest wachten tot Justin Bieber zou komen en hebben zij haar achtergelaten. 13 Een getuige die haar rond 18.10 uur hard huilend aantreft op het Elektrablauw in Zoetermeer en die werkzaam is in de kinderopvang, heeft verklaard dat de afstand van die plek naar [adres medeverdachte] voor zo'n klein meisje wel een half uur lopen is.14

De verdachte ontkent de feiten te hebben gepleegd.

Zijn verklaring komt evenwel op belangrijke punten overeen met de verklaringen van de medeverdachte. Zo verklaart de medeverdachte dat hij met de verdachte buiten was, dat ze met een meisje en haar broertje waren, dat ze wilden voetballen en dat het broertje wegging om thuis iets te zeggen. Later vult hij dat aan met de opmerking dat het broertje een baksteen kapotmaakte.15 16 De verdachte verklaart over twee Marokkaanse of Turkse jongens die zeiden dat ze broers van het meisje waren en die haar ophaalden en ook dat hij dat verhaal met de medeverdachte heeft verzonnen. 17 De verdachte verklaart dat ze bij de medeverdachte thuis binnen zijn geweest.18 De verdachte verklaart eerst dat ze alleen in de keuken zijn geweest maar komt daar later op terug; hij is met de medeverdachte en het meisje en haar broer op de slaapkamer van de medeverdachte geweest en is vervolgens met het broertje gaan voetballen. Ook komt zijn verklaring overeen met de verklaring van de medeverdachte, in die zin dat deze met het meisje naar buiten komt als de moeder van de medeverdachte arriveert.

De verdachte heeft verklaard dat hij toen "zacht" aan de medeverdachte vroeg wat hij gedaan had, omdat de medeverdachte iets seksueels van plan zou zijn geweest.19 Volgens de verklaring van de verdachte is hij met het broertje meegelopen naar huis, waren de medeverdachte en het meisje weg toen hij terugkwam en zei de medeverdachte bij terugkomst dat hij het meisje had gedumpt, aldus verdachte. 20

Voor het feit dat een getuige twee jongens met het meisje heeft zien lopen, waarvan het profiel past in dat van de verdachte en zijn medeverdachte, en dat het meisje over twee jongens verklaart zonder dat iets wijst op een wisseling van de tweede persoon, heeft de verdachte geen verklaring gegeven. Ook de zeer belastende inhoud van de verklaring van de medeverdachte, die wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer], wordt niet door een verklaring van de verdachte in een ander daglicht gezet. Voor leugenachtigheid van deze verklaring ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de verdachte gelegen om voor de voor hem zeer belastende verklaringen en overige bewijsmiddelen een verklaring te geven die zou kunnen wijzen op een andere toedracht.

Het verweer van de raadsman dat van het binnendringen met penis in de vagina moet worden vrijgesproken, wordt door de rechtbank gevolgd. Er is sprake van een verklaring van [slachtoffer] die daarop lijkt te duiden, maar verder wordt daarvan geen bevestiging in het dossier gevonden.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de verklaring van de medeverdachte als leugenachtig aan te merken. Evenmin ziet de rechtbank in het door de raadsman aangevoerde aanleiding om de inhoud van het studioverhoor niet als belastend in aanmerking te nemen.

Ten aanzien van feit 2. overweegt de rechtbank dat de onttrekking aan het wettig gezag van het slachtoffer de bewuste middag voldoende feitelijk vaststaat. Het betoog van de raadsman dat bij de verdachte het opzet ontbreekt, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte met de mededader een plan heeft gemaakt om [slachtoffer] thuis weg te halen en te houden en dat plan welbewust heeft uitgevoerd. De jongens hebben er zelfs op slinkse wijze voor gezorgd dat [slachtoffer] hen vertrouwde en dat haar broertje hen niet kon hinderen, zij stonden telkens op de uitkijk en gaven elkaar een afgesproken teken als er voorbijgangers kwamen. Deze omstandigheden ondersteunen de conclusie dat zij het vooropgezette plan hadden om [slachtoffer] te onttrekken aan het wettig gezag.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 15 juni 2011 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en zijn mededader meermalen zijn penis gebracht in de mond van die [slachtoffer];

2.

op 15 juni 2011 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met een ander,

- die [slachtoffer] meegenomen in een woning aan [adres medeverdachte] en

- die [slachtoffer] meegenomen naar buiten en haar meegevoerd naar verschillende poorten (zodat die [slachtoffer] een half uur lopen van haar huis verwijderd was)

- en die [slachtoffer] toen en daar alleen achter gelaten en heeft hij en verdachtes mededader daarbij de navolgende list gebezigd: verdachte en verdachtes mededader heeft daarbij die [slachtoffer] laten geloven dat als zij met hen mee zou gaan zij Justin Bieber zou ontmoeten.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. D. Kortekaas heeft gevorderd dat de verdachte, in het geval dat de rechtbank een machtiging voor gesloten jeugdzorg afgeeft, ter zake van het onder 1. en 2. tenlastegelegde, onder gedeeltelijke vrijspraak van het onder 1. tenlastegelegde voor zover het betreft het binnendringen in de vagina, wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met de bijzondere voorwaarden

- dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, en

- dat hij geen contact met het slachtoffer zal hebben.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, subsidiair oplegging van een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel met een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden zoals volgen van behandeling bij Het Palmhuis en De Waag.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan seksueel binnendringen bij een minderjarige jonger dan twaalf jaar en met een ander aan het onttrekken van deze minderjarige aan het wettig gezag. Dit zijn zeer ernstige feiten die de rechtsorde schokken. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dergelijke feiten waarschijnlijk voor zeer lange tijd en mogelijk voor altijd nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Ook de directe familie, het broertje en de ouders van het slachtoffer, zijn aangedaan en zij zullen nog lang de nadelige gevolgen van de feiten ondervinden. De schriftelijke slachtofferverklaring illustreert dit. De omwonenden en de mensen die aanwezig waren op de school tegenover de woning van het slachtoffer zijn ook deelgenoot geworden van de ongerustheid over het lot van [slachtoffer].

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, is de verdachte niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft heden uitspraak gedaan op het verzoek van de stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden om een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af te geven. De rechtbank heeft dit verzoek ingewilligd en een machtiging gesloten jeugdzorg afgegeven voor de duur van één jaar. De rechtbank heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de uitspraak in het civiele traject.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op diverse rapporten, in het kader van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgesteld door de Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de inhoud van:

- het psychiatrisch onderzoek pro justitia gedateerd 30 september 2011 door A.J. Stierum, kinder- en jeugdpsychiater;

- het psychologisch onderzoek pro justitia gedateerd 30 september 2011 door drs. R.B. Adriaensen, GZ -psycholoog;

- het rapport raadsonderzoek strafzaken door de Raad voor de Kinderbescherming gedateerd 3 november 2011;

- het faxbericht van de voogd, de heer M. O'Connor van Bureau Jeugdzorg afdeling jeugdbescherming, met als bijlagen een brief gedateerd 11 november 2011 van De Waag, een brief gedateerd 4 november 2011 van De Jutters, en het eerste perspectiefplan van Youturn-traject in Teylingereind, gedateerd 9 november 2011.

Uit deze rapporten komt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende naar voren.

De psychiater geeft aan dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De verdachte lijdt aan een reactieve hechtingsstoornis, een oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit die leidden tot bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met vooral antisociale kenmerken, ook ten tijde van de delicten.

Omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, is moeilijk een verband tussen de stoornis en de delicten te leggen. Wel geeft de psychiater aan dat de verdachte egocentrisch is en gericht is op eigen behoeftebevrediging. Er is sprake van gebruikmakende en idealiserende relatievorming en zwakbegaafdheid, van een gestoorde gewetensfunctie en het ontbreken van reflectieve vermogens. De verdachte is impulsief en heeft moeite om zijn agressie in bedwang te houden. Deze factoren zorgen er in combinatie voor dat hij een plotselinge seksuele impuls onvoldoende kan bedwingen. Het recidiverisico is hoog.

Over de toerekeningsvatbaarheid kan gelet op de ontkenning door de verdachte geen uitspraak worden gedaan.

Er is sprake van een symbiotische relatie tussen de verdachte en zijn grootmoeder, tevens netwerkpleegmoeder, en hoogstwaarschijnlijk van pedagogische onmacht en bagatellisering van de problematiek door deze grootmoeder.

Nu de verdachte ontkent, wordt geen strafadvies maar een zorgadvies gegeven. Er is een sterke indicatie voor intensieve, langdurige behandeling om persoonlijkheidsproblematiek te voorkomen en de ontwikkeling van verdachte te stimuleren, aansluitend bij de cognitieve mogelijkheden van de verdachte. Gewezen wordt op het belang van behandeling die gericht is op onder meer het verbeteren van de gewetensfunctie, de agressieregulatie en de impulsregulatie. In psychotherapeutisch contact zou de afwijzing door de ouders aandacht moeten krijgen. Bij de verdachte bestaat geen enkele motivatie voor behandeling.

De psycholoog rapporteert dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van ADHD, gecombineerd type, en aan een reactieve hechtingsstoornis van het ontremde type en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en zwakbegaafdheid, ook ten tijde van de delicten.

Ook de psycholoog doet met het oog op de ontkenning door de verdachte geen uitspraak over toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en over recidivegevaar.

Gemeld wordt dat de algehele ontwikkeling van de verdachte uiterst zorgelijk verloopt. Er is sprake van achterstand in de cognitieve ontwikkeling, scheefgroei in de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling en een zorgelijke seksuele ontwikkeling. Volgens onderzoeker zijn de antisociale en oppositioneel-opstandige gedragingen en de zorgpunten in de seksuele ontwikkeling direct gerelateerd aan de hechtingsproblematiek van de verdachte, die bij hem tot algehele ongeremdheid leidt. Ook de psycholoog geeft als zorgadvies intensieve en langdurige behandeling om de verdachte te stimuleren en verdere scheefgroei te voorkomen.

Gedacht wordt aan ambulante dagbehandeling. Indien de verdachte zich onvoldoende zou inzetten, hetgeen niet ondenkbaar is, is een civielrechtelijke plaatsing in een residentiële setting te overwegen.

Het Palmhuis bericht dat de verdachte voor behandeling in aanmerking komt, in samenwerking met een behandeling bij De Waag voor de problematiek op het gebied van zeden.

Uit het bericht van De Waag blijkt dat tijdens de intake van de verdachte is besloten hem voor behandeling af te wijzen. Genoemd wordt dat de verdachte geen behandeling wil voor iets dat hij niet gedaan heeft. Hij wil wel dagbehandeling bij Het Palmhuis voor zijn agressieprobleem.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is om zich in te zetten voor een behandeling die is gericht op agressieregulatie. Na enige twijfel heeft hij toegezegd zich ook voor andere behandelingen, zoals de behandeling in een zedengroep, in te zullen zetten als de rechtbank hem daartoe zou verplichten.

De heer M. O'Connor heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de stellige overtuiging is toegedaan dat een dagbehandeling niet haalbaar is.

Mevrouw M. Martens van de Raad voor de Kinderbescherming heeft ter terechtzitting als deskundige zakelijk weergegeven verklaard dat de raad benadrukt dat het belangrijkste is dat de verdachte wordt behandeld en wel op een wijze dat de behandeling een goede kans van slagen heeft. De raad is na afweging van de mogelijkheden in ambulant kader van mening dat behandeling in een gesloten kader aangewezen is. Behandeling in een kader met meer vrijheden heeft volgens de raad, gelet op de motivatie van de verdachte, zijn gedrag en zijn gezinssysteem onvoldoende kans van slagen. De raad wil een faalervaring voor de verdachte voorkomen. De raad acht het nuttig dat een bijzondere voorwaarde van begeleiding door de jeugdreclassering wordt opgelegd, ook als de verdachte in civielrechtelijk kader uithuisgeplaatst zou zijn.

De rechtbank schaart zich achter het advies dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is en moet worden zekergesteld. De rechtbank heeft overwogen een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De adviezen van de psycholoog en psychiater bevatten, gelet op de ontkenning door de verdachte, geen informatie over het recidivegevaar of over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Het deel delictbespreking zal in behandeling ook moeilijk vorm te geven zijn. Gelet op de leeftijd van de verdachte acht de rechtbank een PIJ-maatregel een te grote stap in het geval de verdachte zich onverhoopt, doch volgens de deskundigen zeker niet ondenkbaar, niet aan de voorwaarden zou houden. De rechtbank heeft mede daarom besloten het verzoek om machtiging tot plaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg toe te wijzen. De voogd zal in die situatie de voortgang en inzet van de behandeling en eventuele onderzoeken dienen te bewaken.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande en zoals door de officier van justitie geëist een deels voorwaardelijke, deels onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk zal zijn aan de reeds in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, en waarbij aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden zoals is geëist door de officier van justitie.

7. De vordering van de benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ad € 5.000,- bij wijze van voorschot, waarbij de officier van justitie opmerkt dat de verdachte gelet op zijn leeftijd niet zelf zal worden aangesproken.

Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

7.1. Het standpunt van de verdediging.

De raadsman bepleit afwijzing of niet-ontvankelijkverklaring van de vordering.

7.3 Het oordeel van de rechtbank.

Nu de vordering betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van de verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt en aan wie de gedraging als onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt deze geacht te zijn gericht tegen diens voogd, de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden.

De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden door de door de verdachte gepleegde feiten en dat de toekomstige schade nog onbepaald is. De rechtbank acht een bedrag van € 1.000,- als voorschot van de schade naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de voogd van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 1.000,- en voor het overige deel van de vordering deze niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de voogd en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 242, 248 en 279 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1.

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN HANDELINGEN PLEGEN DIE MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

2.

MEDEPLEGEN VAN ONTTREKKING VAN EEN MINDERJARIGE AAN HET WETTIG GEZAG;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 365 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 233 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht;

- dat hij geen contact met het slachtoffer zal hebben;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard;

spreekt hem daarvan vrij.

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk toe en veroordeelt de instelling welke is belast met het gezag (voogdij) over de verdachte, te weten de stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 1.000,-,

bepaalt dat de stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden ieder de eigen kosten dragen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr.V.J. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. J. Ghrib, kinderrechter,

en mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL15J2 2011125969, van de politie Haaglanden, met bijlagen.

2 P. 33, proces-verbaal van bevindingen.

3 P. 105-107, proces-verbaal van bevindingen, inhoudende samenvatting van studioverhoor van [slachtoffer].

4 P. 43, proces-verbaal van aangifte door [aangever].

5 P. 177, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1].

6 P. 149, 150, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

7 P 149, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

8 P.151, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

9 P. 150, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

10 P. 151, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

11 P. 133, 134, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

12 P. 135, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

13 P. 136, 137, proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

14 P. 86, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2].

15 P. 66, proces-verbaal verhoor verdachte.

16 P. 114, proces-verbaal verhoor verdachte.

17 P. 119, proces-verbaal verhoor verdachte.

18 P. 113, proces-verbaaal verhoor verdachte.

19 P. 118, proces-verbaaal verhoor verdachte.

20 P. 119, proces-verbaal verhoor verdachte.