Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BZ0861

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
09.920201-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel binnendringen bij een minderjarige jonger dan twaalf jaar en met een ander aan het onttrekken van deze minderjarige aan het wettig gezag. Verdachte heeft niet in een opwelling gehandeld. Hij heeft welbewust met zijn mededader een plan gemaakt en dat gedurende enkele uren koelbloedig en gewetenloos uitgevoerd en waar nodig aangevuld. De verdachte heeft evenals de medeverdachte telkens over de gevolgen van zijn handelen nagedacht en zich telkens voor de gevolgen ingedekt. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de gepleegde delicten, het grote gevaar voor recidive en de algemene veiligheid van personen, het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist. > Jeugddetentie voor de duur van 156 dagen met aftrek, en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09.920201-11

Datum uitspraak: 1 december 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1996,

adres: [adres verdachte].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 september 2011 en 17 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. W.S.A.H. Croes, advocaat te Bodegraven, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juni 2011 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) meermalen zijn penis gebracht in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer];

art 244 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 15 juni 2011 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- die [slachtoffer] meegenomen in een woning aan de [adres verdachte] en/of

- die [slachtoffer] meegenomen naar buiten en/of haar meegevoerd naar verschillende poorten (zodat die [slachtoffer] een half uur lopen van haar huis verwijderd was)

- en/of die [slachtoffer] toen en daar alleen achter gelaten en heeft hij en/of (een van) verdachtes mededader(s) daarbij de navolgende list dan wel het navolgende geweld en/of de navolgende bedreiging met geweld gebezigd: verdachte en/of (een van) verdachtes mededader(s) heeft/hebben daarbij die [slachtoffer] laten geloven dat als zij met hen mee zou gaan zij Justin Bieber zou ontmoeten;

art 279 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte seksueel is binnengedrongen bij een meisje van vijf jaar oud, doordat hij met zijn penis in haar mond en in haar vagina is gegaan, dat hij dat samen met een vriend heeft gedaan, en dat verdachte en deze medeverdachte dit meisje expres uit de macht van haar ouders hebben gehaald door haar in de waan te brengen dat zij Justin Bieber zou gaan zien als ze met hen meeging, haar toen hebben meegevoerd en hebben achtergelaten op een plek die een half uur lopen bij haar eigen huis vandaan was.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1. en feit 2. heeft begaan, met vrijspraak van het in feit 1. tenlastegelegde binnendringen met de penis in de vagina.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte van feit 1. gedeeltelijk vrij te spreken zoals door de officier van justitie is gevorderd. Ten aanzien van feit 2. heeft de raadsman aangevoerd dat bij de verdachte niet de intentie bestond om het meisje aan het gezag van haar ouders te onttrekken en dat hij te laat besefte dat het fout was om haar achter te laten.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging 1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, blijkend uit de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Op 15 juni 2011 wordt [slachtoffer], een meisje van vijf jaar oud, gedurende enkele uren vermist. Ze wordt aangetroffen bij het Elektrablauw te Zoetermeer en weet niet meer waar ze woont. Ze vertelt dat ze aan de piemel van een jongen moest likken.2

Het meisje, verder [slachtoffer], heeft in het studioverhoor verklaard dat ze door twee jongens naar Justin Bieber zou worden gebracht en dat ze toen herhaaldelijk hun piemel in haar mond moest doen. Ook heeft ze in dat verhoor verklaard hoe ze met haar ogen dicht en haar handen voor haar ogen tegen een muurtje moest blijven staan en dat de jongens toen snel wegliepen. 3

De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat een jongen van circa 14 jaar oud die middag aan de deur is gekomen en heeft gevraagd of [slachtoffer] mee kwam voetballen. [broertje slachtoffer], het broertje van [slachtoffer], en [slachtoffer] zijn met de jongen meegegaan. Later troffen de ouders op het schoolplein alleen [broertje slachtoffer] aan. 4

De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft opgehaald.5 Dit had hij afgesproken met zijn medeverdachte die bij hem thuis zou wachten. Omdat haar moeder het misschien vreemd zou vinden dat hij een meisje van vijf vraagt om te komen voetballen, heeft hij ook haar broertje meegenomen. De verdachte en de medeverdachte hadden toen al het plan om seksuele handelingen met [slachtoffer] te verrichten. De verdachte had eerder die dag van haar gehoord dat ze Justin Bieber zo leuk vond en heeft met zijn medeverdachte bedacht dat ze daarmee een goede smoes hadden om haar mee te nemen zonder dat ze zou gaan gillen.6 Dit heeft de verdachte ter terechtzitting bevestigd. De verdachte en zijn medeverdachte spreken intussen in het Engels met elkaar zodat de kinderen hen niet kunnen verstaan.7 Ze zijn met [slachtoffer] en [broertje slachtoffer] bij de verdachte thuis naar binnen en naar boven gegaan.8 Vervolgens is de medeverdachte met [broertje slachtoffer] naar buiten gegaan en is de verdachte met [slachtoffer] op zijn kamer gebleven, zogenaamd om foto's van haar te nemen voor Justin Bieber. Vlak voordat de moeder van de verdachte thuis komt, is de verdachte met [slachtoffer] naar buiten gekomen. De verdachten wilden dat het broertje wegging zodat ze met hun plan door konden gaan. Als het broertje een steen kapot laat vallen, besluiten ze hem naar huis te sturen om dat thuis te gaan vertellen, waarna ze op die manier ongehinderd met het meisje konden vertrekken.9

In een eerder verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij en de medeverdachte van poortje naar poortje zijn gelopen en dat ze telkens het meisje ertoe brachten hen te pijpen. Ze hebben haar verteld dat ze Justin Bieber anders niet te zien zou krijgen.10 Ze stonden om de beurt op de uitkijk en als alarmsignaal gebruikten ze het stuiteren met de bal.11

Een vriendin van de moeder van de verdachte heeft de verdachte samen met een getinte jongen en het meisje zien lopen.12

Nadat het meisje hen een aantal keren had gepijpt, hebben de verdachten het meisje met haar gezicht tegen een muur gezet, met de mededeling dat ze daar moest wachten tot Justin Bieber zou komen en hebben zij haar achter gelaten.13 Een getuige die haar rond 18.10 uur hard huilend aantreft op het Elektrablauw in Zoetermeer en die werkzaam is in de kinderopvang, heeft verklaard dat de afstand van die plek naar het [adres verdachte] voor zo'n klein meisje wel een half uur lopen is.14

De medeverdachte ontkent de feiten. Zijn verklaring komt evenwel op belangrijke punten overeen met de weergave door de verdachte. Zo verklaart hij dat hij met de verdachte buiten was, dat ze met een meisje en haar broertje waren, dat ze wilden voetballen en dat het broertje wegging om thuis iets te zeggen. Hij blijft erbij dat het meisje door twee Marokkaanse of Turkse jongens werd opgehaald die zeiden dat ze haar broers waren; de verklaring die de verdachte zegt met hem te hebben afgesproken. Hij verklaart ook dat het meisje snoepjes kreeg van de verdachte en dat ze bij de verdachte thuis binnen zijn geweest.15

Het verweer van de raadsman dat de verdachte van het binnendringen met penis in de vagina moet worden vrijgesproken, wordt door de rechtbank gevolgd. Er is sprake van een verklaring van [slachtoffer] die erop wijst dat deze handeling heeft plaatsgevonden, maar verder wordt daarvan geen bevestiging in het dossier gevonden.

Voorzover de raadsman heeft bedoeld dat bij de verdachte bij feit 2. het opzet zou ontbreken, kan de rechtbank dit niet volgen gelet op het feit dat de verdachte bekent dat hij met de mededader een plan heeft gemaakt om [slachtoffer] thuis weg te halen en te houden en dat plan welbewust heeft uitgevoerd. De jongens hebben er zelfs op slinkse wijze voor gezorgd dat [slachtoffer] hen vertrouwde en dat haar broertje hen niet kon hinderen, zij stonden telkens op de uitkijk en gaven elkaar een afgesproken teken als er voorbijgangers kwamen. Deze omstandigheden ondersteunen de conclusie dat zij het vooropgezette plan hadden om [slachtoffer] te onttrekken aan het wettig gezag.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 15 juni 2011 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en zijn mededader meermalen zijn penis gebracht in de mond van die [slachtoffer];

2.

op 15 juni 2011 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [datum] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met een ander,

- die [slachtoffer] meegenomen in een woning aan de [adres verdachte] en

- die [slachtoffer] meegenomen naar buiten en haar meegevoerd naar verschillende poorten (zodat die [slachtoffer] een half uur lopen van haar huis verwijderd was)

- en die [slachtoffer] toen en daar alleen achter gelaten en heeft hij en verdachtes mededader daarbij de navolgende list gebezigd: verdachte en verdachtes mededader heeft daarbij die [slachtoffer] laten geloven dat als zij met hen mee zou gaan zij Justin Bieber zou ontmoeten.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. D. Kortekaas heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem onder 1. en 2. tenlastegelegde, onder gedeeltelijke vrijspraak van het onder 1. tenlastegelegde, wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden

- dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, ook als dat inhoudt behandeling volgen bij De Waag en meewerken aan MST, en

- dat hij geen contact met het slachtoffer zal hebben;

en dat de verdachte ter zake van deze feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van één jaar, geheel voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de straf te beperken tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan seksueel binnendringen bij een minderjarige jonger dan twaalf jaar en met een ander aan het onttrekken van deze minderjarige aan het wettig gezag. Dit zijn zeer ernstige feiten die de rechtsorde schokken. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dergelijke feiten waarschijnlijk voor zeer lange tijd en mogelijk voor altijd nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Ook de directe familie, het broertje en de ouders van het slachtoffer, zijn aangedaan en zij zullen nog lang de nadelige gevolgen van de feiten ondervinden. De schriftelijke slachtofferverklaring illustreert dit. De omwonenden en de mensen die aanwezig waren op de school tegenover de woning van het slachtoffer zijn ook deelgenoot geworden van de ongerustheid over het lot van [slachtoffer].

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op diverse rapporten, in het kader van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgesteld door de Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de inhoud van:

- het psychiatrisch onderzoek pro justitia gedateerd 27 september 2011 door A.J. Stierum, kinder- en jeugdpsychiater;

- het psychologisch onderzoek pro justitia gedateerd 30 september 2011 door drs. E.F. de Witt, GZ-psycholoog;

- het rapport raadsonderzoek strafzaken door de Raad voor de Kinderbescherming gedateerd 14 oktober 2011.

Uit deze rapporten komt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende naar voren.

De psychiater constateert dat bij de verdachte sprake is van een brede ontwikkelingsstoornis, waarbij de sociaal-emotionele ontwikkeling, de identiteitsontwikkeling, de psychoseksuele ontwikkeling en de gewetensontwikkeling fors gestoord zijn.

De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren ten tijde van de feiten aanwezig en de verdachte wordt aangemerkt als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De kans op recidive acht de psychiater aanzienlijk of groot, door de ontbrekende empathische vermogens, het niet kunnen controleren van seksuele en agressieve driften en de ontwikkelingsproblematiek. Bij de verdachte wordt gezien dat hij niet in staat is leeftijdsadequate vriendschappen aan te gaan, een negatief zelfbeeld heeft en te maken heeft met een traumatische scheiding van de ouders die waarschijnlijk pedagogisch onmachtig zijn. Als behandeling wordt intensieve, ambulante behandeling van de gedragsproblematiek en de ontwikkelingsproblematiek nodig geacht: een daderbehandeling voor de gestoorde psychoseksuele ontwikkeling, een Equip-training voor de gestoorde gewetensontwikkeling en de gedragsproblematiek. Als hoofdbehandeling wordt geadviseerd Multi System Therapy (MST) door De Waag, waarbij gedragsproblematiek en pedagogische onmacht kunnen worden behandeld. De psychiater adviseert het kader van een voorwaardelijke PIJ, wijzend op de ernst van de feiten en de noodzaak om de behandeling te garanderen.

Ook de psycholoog constateert een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. Er is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en een gedragsstoornis niet anderszins omschreven, evenals seksueel misbruik van een kind en een ouder-kind relatieprobleem. De verdachte is onvoldoende geremd door zijn geweten. Geadviseerd wordt de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De kans op recidive wordt aanwezig geacht. De verdachte heeft een beperkt empathisch vermogen en is geneigd grenzen van anderen te overschrijden door de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De indruk bestaat dat het bij de verdachte niet ging om bevrediging van seksuele behoeften, maar om behoud van de vriendschap en om het niet onder willen doen voor een vriend. Dit verkleint volgens de psycholoog het recidiverisico. De kans op recidive wordt uiteindelijk aangemerkt als groot.

Geadviseerd wordt behandeling met als aandachtgebieden het gebrekkig ontwikkelde geweten, de gedragsproblemen en de psycho-seksuele ontwikkeling. Geadviseerd wordt de ouders bij MST te betrekken, bij De Waag. De psycholoog schat in dat er voldoende ontwikkelingsmogelijkheden en behandelmogelijkheden zijn voor de verdachte buiten het kader van een PIJ-maatregel, waarbij deze verwijst naar de geadviseerde inzet van MST, ouderbegeleiding, en groepsbehandeling voor zedendelinquenten zoals mogelijk is bij De Waag.

De Raad voor de Kinderbescherming wijst erop dat de verdachte aan de ene kant jong, kinderlijk en naïef, beïnvloedbaar en speels overkomt en aan de andere kant berekenend gedrag laat zien, vreemde fantasieën lijkt te hebben en ongepaste uitspraken doet. De verdachte is zich eenzaam en depressief gaan voelen en heeft een groot loyaliteitsgevoel naar zijn beide biologische ouders behouden, ondanks de ruzies en de moeizame scheiding. Zorgelijk is dat de verdachte liever niet over het verleden praat, omdat hij vreest de liefde van zijn vader te verliezen als hij diens negatieve gedrag noemt.

Tijdens de voorlopige hechtenis deed de verdachte het goed in de groep en bij de leiding en pastte hij het geleerde toe.

De raad staat achter het advies van een MST-behandeling en een individueel behandelaanbod bij een forensisch psychiatrisch instelling als de Waag, voor bepaalde gezinsdoelen en individuele doelen. De raad wijst erop dat voor de verdachte als first offender een individuele behandeling is aangewezen en dat een groepsbehandeling gericht op geweten en het zedendelict de verdachte ongewenst negatief zou kunnen beïnvloeden.

De raad adviseert oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf met de bijzondere voorwaarde van jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het volgen van trainingen of behandelingen of meewerken aan intensieve gezinsbegeleiding.

Mevrouw I. Meeuse van de jeugdreclassering heeft als deskundige ter terechtzitting opgemerkt dat het plan is om de verdachte bij zijn vader te laten wonen in een andere stad en dat de school en de begeleiding en behandeling voor de verdachte in de startblokken staan.

De rechtbank stelt zich achter de conclusies en adviezen in die zin dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is en dient te worden zeker gesteld en voorts dat wordt uitgegaan van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De adviezen komen niet overeen wat betreft het kader voor de behandeling; een voorwaardelijke maatregel PIJ of een anderszins voorwaardelijke straf. De rechtbank overweegt wat dat betreft het volgende.

Het gaat om zeer ernstige feiten, waarbij de verdachte niet in een opwelling heeft gehandeld. Hij heeft welbewust met zijn mededader een plan gemaakt en dat gedurende enkele uren koelbloedig en gewetenloos uitgevoerd en waar nodig aangevuld. Zij hebben diverse mensen gemanipuleerd, de feiten zijn gepleegd met tactische rolwisselingen en een specifieke uitkijkfunctie. De politie hebben zij doelbewust benaderd met verkeerde informatie. De verdachten hebben evenmin ervoor teruggedeinsd de doodongeruste ouders tijdens de zoektocht te berichten dat het meisje door twee Marokkanen was meegenomen. De verdachte heeft evenals de medeverdachte telkens over de gevolgen van zijn handelen nagedacht en zich telkens voor de gevolgen ingedekt.

Voorts komt uit het dossier en ter terechtzitting naar voren dat de verdachte uit angst voor verlies van de vriendschap van de medeverdachte zich niet vrij heeft gevoeld om op de plannen terug te komen. De rechtbank constateert echter dat de verdachte zich evenals de medeverdachte doelbewust en initiatiefrijk heeft getoond, ook buiten aanwezigheid van de medeverdachte. De verdachte heeft [slachtoffer] alleen thuis opgehaald en het is de verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, die heeft geopperd het meisje ook te vingeren.16 De rechtbank ziet geen aanknopingspunten die wijzen op terughoudendheid van de verdachte ten aanzien van de feiten.

De rechtbank volgt de psycholoog dan ook niet in de constatering dat het motief om de vriendschap te behouden voor het recidivegevaar minder zorgwekkend zou zijn. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat ook bij de verdachte het motief mede heeft gelegen in het bevredigen van zijn lustgevoelens.

De voorgaande feiten en omstandigheden illustreren de zeer grote zorg ten aanzien van de ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk is om zeker te stellen dat verdachte behandeld wordt, ook als hij zich onvoldoende aan de voorwaarden zou houden. Een voorwaardelijke jeugddetentie acht de rechtbank in dit verband onvoldoende, in die zin dat - als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt - hij deze jeugddetentie dient te ondergaan, waardoor het verplichtende kader van de zeer nodig geachte behandeling komt te vervallen. De rechtbank stelt zich dan ook met de officier van justitie achter het advies van de psychiater, dat behandeling van verdachte het kader dient te hebben van (bijzondere voorwaarden bij) een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank is aldus van oordeel dat, gelet op de ernst van de gepleegde delicten en het grote gevaar voor recidive, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte, waarbij de maatregel voorwaardelijk zal worden opgelegd om de verdachte in de gelegenheid te stellen de noodzakelijk geachte behandeling en begeleiding in een ambulant kader te volgen. De bijzondere voorwaarden bij de maatregel zal de rechtbank bepalen zoals door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank zal naast deze maatregel een jeugddetentie opleggen die gelijk is aan de reeds ondergane tijd in verzekering en voorlopige hechtenis. Voor een deel voorwaardelijke jeugddetentie, zoals geëist door de officier van justitie ziet de rechtbank gelet op de overige inhoud van dit vonnis geen ruimte.

7. De vordering van de benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ad € 5.000,- bij wijze van voorschot.

Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

7.1. Het standpunt van de verdediging.

De raadsman bepleit toewijzing van een gematigd bedrag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden door de door verdachte gepleegde feiten en dat de toekomstige schade nog onbepaald is. De rechtbank acht een bedrag van € 1.000,- als voorschot van de schade naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000,- en voor het overige deel van de vordering deze niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] met daaraan gekoppeld een vervangende jeugddetentie.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 242, 248 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1.

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN HANDELINGEN PLEGEN DIE MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

2.

MEDEPLEGEN VAN ONTTREKKING VAN EEN MINDERJARIGE AAN HET WETTIG GEZAG;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 156 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

en

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

bepaalt, dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt behandeling volgen bij De Waag en meewerken aan MST, en

- dat hij geen contact met het slachtoffer [slachtoffer] zal hebben;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 1.000,-,

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard;

spreekt hem daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr.V.J. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. J. Ghrib, kinderrechter,

en mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL15J2 2011125969, van de politie Haaglanden, met bijlagen.

2 P. 33, proces-verbaal van bevindingen.

3 P. 105-107, proces-verbaal van bevindingen, inhoudende samenvatting van studioverhoor van [slachtoffer].

4 P. 43, proces-verbaal van aangifte door [aangever].

5 P. 149, 150, proces-verbaal verhoor verdachte.

6 P 149, proces-verbaal verhoor verdachte.

7 P. 151, proces-verbaal verhoor verdachte.

8 P. 150, proces-verbaal verhoor verdachte.

9 P. 151, proces-verbaal verhoor verdachte.

10 P. 133, 134, proces-verbaal verhoor verdachte.

11 P. 135, proces-verbaal verhoor verdachte.

12 P. 177, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1].

13 P. 136, 137, proces-verbaal verhoor verdachte.

14 P. 86, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2].

15 P. 113, proces-verbaaal verhoor medeverdachte [medeverdachte].

16 P. 137, proces-verbaal verhoor verdachte.