Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BY0887

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
Awb 11-22056
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Beroep. De rechtbank overweegt (in 2.4. en 2.5.) dat het gestelde in de beroepsgronden voor het overgrote deel gelijk is aan het gestelde in de zienswijze, door kopieer- en plakwerk van (de gemachtigde van) eiser. In de beroepsgronden is niet aangegeven in welk opzicht verweerders in het bestreden besluit neergelegde reactie op het in de zienswijze gestelde tekortschiet. Aldus is het overgrote deel van hetgeen in de beroepsgronden naar voren is gebracht, onvoldoende om te spreken van beroepsgronden waarop de rechtbank dient in te gaan.

Anders: uitspraak van 10 juli 2012 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zaak nr. 201112088/1/V1 (www.raadvanstate.nl).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 11/22056

Uitspraak in het geschil tussen:

[naam],

geboren op [geboortedatum],

van Guinese nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. D. de Vries, advocaat te Leeuwarden,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. F.W.A. Croonen, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 26 april 2010 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 27 juni 2011 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 5 juli 2011 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Bij brief van 18 juli 2011 zijn de gronden van beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft bij bericht van 26 september 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 13 oktober 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Conakry, Guinee. Op 28 september 2009 is eiser met zijn vader, moeder en zus naar een manifestatie gegaan in het stadion in Conakry. Op een gegeven moment werd de manifestatie verstoord door militairen. De mensen raakten in paniek en in deze paniek is eiser zijn moeder en zus kwijtgeraakt. Met zijn vader heeft eiser geprobeerd het stadion te verlaten. Bij de uitgang van het stadion stonden militairen en één van hem riep de vader van eiser en riep dat hij en zijn hele gezin vermoord moesten worden. Eiser en zijn vader zijn toen gevlucht en de vader van eiser is op een gegeven moment neergeschoten. Eiser is toen gevallen en terwijl hij op de grond lag is hij door verschillende militairen geschopt en geslagen. Ook de vader van eiser is geslagen en geschopt. Op een gegeven moment voelde eiser een klap op zijn hoofd gevoeld en heeft hij het bewustzijn verloren. Toen eiser weer bij bewustzijn kwam, bleek hij tussen de lijken bij de ingang van het ziekenhuis te liggen. Eiser heeft een paar uren in het ziekenhuis verbleven en toen is hij uiteindelijk naar huis gekeerd. Thuis aangekomen zag eiser dat er veel militairen aanwezig waren en daarom is eiser naar het huis van [naam vriend] gegaan, een vriend van zijn vader. [naam vriend] vertelde dat de vader van eiser was overleden. Eiser heeft uiteindelijk een maand bij [naam vriend] verbleven. Op een gegeven moment voelde [naam vriend] zich niet langer veilig en heeft hij eiser aan een oudere man genaamd [naam 1] toevertrouwd. Bij [naam 1] moest eiser samen met andere kinderen steentjes scheppen uit de rivier en die dan wegbrengen. Een week nadat eiser bij [naam 1] was gekomen, heeft hij last gekregen van nachtmerries. Omdat de andere kinderen hierdoor niet konden slapen, werd eiser aan een boom vastgebonden. Ook werd eiser door [naam 1] geslagen als hij zijn werk niet goed deed. Op een gegeven moment is eiser bij [naam 1] weggegaan en kwam hij terecht bij een man genaamd [naam 2]. Eiser is door [naam 2] seksueel misbruikt en er zijn naaktfoto's van hem gemaakt. Uiteindelijk heeft [naam 2] met eiser Guinee verlaten en hem meegenomen naar een ander land. Daar aangekomen is eiser meegenomen naar een huis waar twee mannen aanwezig waren. Eiser moest daar zijn kleren uitdoen en toen zijn er opnieuw foto's van hem gemaakt. Daarna is eiser door [naam 2] in een auto gezet en hebben ze een aantal uren gereden. Op een gegeven moment is [naam 2] gestopt bij een winkel en toen heeft eiser aan [naam 2] weten te ontvluchten.

2.2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel. Verweerder heeft geoordeeld dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, omdat hij toerekenbaar geen reis- en identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Voorts heeft verweerder overwogen dat eiser dusdanig vaag en summier heeft verklaard over de gebeurtenissen op 28 september 2009 en zijn daaropvolgende verblijf bij [naam vriend], dat hier geen waarde aan kan worden gehecht. Zo weet eiser niet waarom de militairen op zoek waren naar zijn vader. Eiser stelt dat de militairen een maand voor de manifestatie op bezoek waren gekomen. Eiser verklaart voorts dat tegen zijn vader is gezegd dat hij met zijn activiteiten om mensen te verzamelen moest stoppen. Eiser is echter niet in staat gebleken meer informatie te geven over de redenen waarom de militairen op zoek waren naar zijn vader. Voorts kan eiser niets verklaren over deze activiteiten van zijn vader. Eiser verklaart slechts dat iedere zondag veel mensen bij hem thuiskwamen, maar dat hij er verder niets over weet. Eiser stelt verder dat hij hier nooit iets over heeft gevraagd aan zijn vader. Daarnaast weet eiser niet waarover werd gesproken op de zondagen. Dat eiser niet kan verklaren over de activiteiten van zijn vader is temeer bevreemdingwekkend nu eiser ook niets heeft gevraagd aan [naam vriend], terwijl zijn vader op dat moment al gedood was door de militairen. Van eiser mag in alle redelijkheid verwacht worden dat hij wilde weten waarom zijn vader vermoord is. Verder weet eiser niet of zijn vader lid was van een politieke partij. Vervolgens verklaart eiser vaag en summier over de gebeurtenissen op 28 september 2009. Zo weet eiser niet waarom de mensen in het stadion leuzen riepen als "lang leve de democratie". Eiser weet bovendien niet wat er werd georganiseerd in het stadion op die dag. Zijn vader zou hem alleen hebben verteld dat er die dag mensen naar andere mensen kwamen luisteren. Verder weet eiser niet wie er naar het stadion zouden komen om iets te vertellen en waarover die mensen zouden komen vertellen. Zelfs als eiser dat van te voren niet wist, kan niet gevolgd worden dat eiser daar niet achter is gekomen terwijl hij in het stadion was. De stelling van eiser dat hij in het stadion niets zou hebben gehoord of gezien waaruit hij kon afleiden wat er die dag aan de hand was, kan tevens niet worden gevolgd. Verder weet eiser niet wie hem naar het ziekenhuis heeft gebracht en hoe lang hij in het ziekenhuis heeft gelegen. Eiser kan tevens geen antwoord geven op de vraag hoe [naam vriend] wist dat de vader van eiser was overleden. Uiteindelijk verklaart eiser dat [naam vriend] het stoffelijk overschot van de vader van eiser heeft gezien. Echter, ook dan weet eiser niet waar [naam vriend] het stoffelijk overschot heeft gezien. Voorts weet eiser niet waar zijn vader is begraven. Eiser verklaart daarnaast niet te weten waar [naam vriend] naar toe is gegaan en zegt slechts dat [naam vriend] vreesde voor zijn leven en eiser niet mee kon nemen. De gebeurtenissen die volgens de verklaringen van eiser hebben plaatsgevonden vanaf het vertrek bij [naam vriend] worden gelet op het voorgaande tevens niet geloofwaardig geacht, nu zij voortvloeien uit de eerdere genoemde gebeurtenissen. Gelet op het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000. Evenmin komt eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000, nu eiser ongeloofwaardige, vage en summiere verklaringen heeft afgelegd tijdens de procedure. Hieruit concludeert verweerder dat eiser zaken omtrent de identiteit, nationaliteit en/of opvang verzwijgt. Eiser frustreert derhalve een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst, of een ander land waar eiser redelijkerwijs naar toe zou kunnen gaan, en kan om deze reden niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen en asielzoekers.

2.3. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat hij psychische problemen heeft. Hij heeft last van PTTS en staat onder behandeling van een psychiater. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het bezit is geweest van een schoolkaart en een geboorteakte. Hij heeft deze documenten niet mee kunnen nemen, omdat hij vanwege de aanwezigheid van de militairen zijn huis niet heeft kunnen bereiken. Daarnaast had eiser ook andere zaken aan zijn hoofd. Zijn vader is vermoord en zijn moeder en zusje zijn verdwenen. Het kan eiser derhalve niet worden toegerekend dat hij niet naar zijn huis is gegaan om de documenten op te halen. Ten aanzien van zijn reisroute stelt eiser zich op het standpunt dat hij wel degelijk heeft verklaard hoe hij is gereisd. Althans wat hij hier nog van weet. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat aan eiser een drug is toegediend tijdens de vlucht. Er is derhalve een onjuist toetsingskader gehanteerd door verweerder. Eiser wijst in dit kader nog op de noot bij de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 5 juli 2005 (2345/02). De verklaringen van eiser tijdens het eerste en de nadere gehoren moeten door verweerder worden vergeleken met informatie die uit objectieve bronnen bekend is over de situatie in het land van herkomt en aan de hand van hetgeen bekend is van gehoren van andere vreemdelingen die in een vergelijkbare situatie verkeren. Verweerder heeft in deze onvoldoende rekening gehouden met de cultuur waaruit eiser als minderjarige afkomstig is. Aan eiser werd niet alles verteld wat er gebeurde. Ten aanzien van de manifestatie van 28 september 2009 verwijst eiser naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2010, waaruit blijkt dat een dergelijke manifestatie op 28 september 2009 in het stadion heeft plaatsgevonden. Hetgeen eiser hierover heeft verklaard komt overeen met de inhoud van voornoemd ambtsbericht. Voorts heeft eiser wel degelijk verklaard over de activiteiten van zijn vader. Zijn vader werd beschuldigd van het verzamelen van mensen. Tevens heeft eiser aangegeven dat er elke zondag mensen langskwamen. Eiser weet echter niet waar deze bijeenkomsten over gingen, omdat hij naar de moskee ging voor koranles. Hierbij is van belang dat eiser toen nog maar veertien jaar was. Voorts blijkt uit het gehoor dat eiser in het geheel niet op de hoogte is van enige politiek en laag opgeleid is. Eiser weet niet wie hem naar het ziekenhuis heeft gebracht, omdat hij buiten bewustzijn is geraakt. Eiser is pas weer bijgekomen in het ziekenhuis. Het is dan ook begrijpelijk dat hij niet weet wie hem naar het ziekenhuis heeft gebracht. Ook is gezien hetgeen eiser toen heeft meegemaakt het niet verwonderlijk dat eiser geen vragen aan [naam vriend] heeft gesteld over de dood van zijn vader. Eiser beroept zich voorts op het traumatabeleid. Ten slotte vreest eiser bij terugkeer te worden bloot gesteld aan een behandeling die in strijd is met artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn). In dit kader verwijst eiser naar informatie van Human Rights Watch, Amnesty International en de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). Op basis van deze informatie dient verweerder opnieuw een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen.

Beoordeling van het beroep

2.4. De rechtbank heeft bij de aanvang van de behandeling ter zitting ter sprake gebracht dat zij bij bestudering van de onderhavige zaak heeft geconcludeerd dat het gestelde in de gronden van het beroep voor het overgrote deel gelijk is aan het gestelde in de zienswijze (door kopieer- en plakwerk). De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met verwijzing naar een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), te weten de uitspraak van 10 oktober 2003 (200303799/1) en de uitspraak van 23 juni 2005 (200501771/1). Naar het oordeel van de gemachtigde van verzoeker volgt uit de uitspraken van de AbRS dat de enkele verwijzing naar de zienswijze voldoende is, indien uit die zienswijze zonder meer valt af te leiden op welke gronden appellant opkomt tegen het besluit.

2.5. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Hetgeen (de gemachtigde van) eiser in de gronden van het beroep naar voren heeft gebracht, is - zoals hiervoor vermeld - voor het overgrote deel een herhaling van hetgeen reeds in de zienswijze naar voren is gebracht. In de gronden is niet aangegeven in welk opzicht verweerders in het bestreden besluit neergelegde reactie op het in de zienswijze gestelde tekortschiet. Aldus is het overgrote deel van hetgeen in de gronden naar voren is gebracht, onvoldoende om te spreken van gronden waarop de rechtbank dient in te gaan. De rechtbank deelt niet het standpunt van (de gemachtigde van) eiser dat in de onderhavige zaak de verwijzing naar de zienswijze, dan wel - zo verstaat de rechtbank het standpunt van eiser mede - het "kopiëren en plakken" van het gestelde in de zienswijze naar de gronden van het beroep, wel degelijk is te gelden als gronden waarop de rechtbank dient in te gaan. Het staat (de gemachtigde van) eiser vanzelfsprekend vrij om dit aspect in hoger beroep voor te leggen aan de AbRS.

2.6. Het enige, duidelijke, verschil met de zienswijze is dat eiser in de gronden van het beroep verwezen heeft naar een schrijven van kinder- en jeugdpsychiater M.J.H. Roorda. De rechtbank zal zich bij de beoordeling van het beroep dan ook hiertoe beperken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangegeven dat deze verklaring in het geding is gebracht ter onderbouwing van de stelling dat van eiser niet verwacht kon worden dat hij terug zou keren naar zijn huis om zijn geboorteakte en schoolkaart op te halen. Met het overleggen van de brief is niet beoogd te betogen dat de psychische problemen van eiser ten tijde van de gehoren zodanig waren dat deze interfereren met het vermogen van eiser om gedetailleerd en consistent te verklaren. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt. In de brief van M.J.H. Roorda is vermeld dat eiser sinds juli 2010 in behandeling is voor een posttraumatische stressstoornis, depressieve klachten en suïcidale gedachten. Dit wordt door verweerder ook niet betwist. Uit de brief van M.J.H. Roorda volgt echter niet dat eiser op 28 september 2009, dan wel in de periode daarna, vanwege zijn psychische problemen niet in staat was om de betreffende documenten op te halen. Daarbij acht de rechtbank nog met name van belang dat M.J.H. Roorda de psychische problematiek van eiser in juli 2010 beschrijft, maar geen inzicht geeft in de psychische problematiek van eiser in de periode daarvóór.

2.7. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.8. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2011.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb), één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.