Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BX2040

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
09/758156-11, 09/760597-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een avondwinkel en zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een lerares/hulpverlener van een Rebound voorziening. De politie heeft een proces-verbaal van het verhoor van een getuige opgemaakt dat achteraf niet blijkt te kloppen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze gang van zaken onbehoorlijk en is er sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De vraag of dit handelen van de verbalisanten tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging als sanctie daarop dient te leiden, beantwoordt de rechtbank in het onderhavige geval echter ontkennend. De rechtbank komt tot de conclusie dat op het betreffende verzuim niet anders kan worden gereageerd dan met de sanctie van bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van verhoor van de getuige als bedoeld in artikel 359a lid 1 onder b Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/758156-11, 09/760597-11 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 21 november 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 7 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. Sanders, en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/758156-11:

1.

hij op of omstreeks 23 maart 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [X] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer EUR 1.000,00), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [X] en/of avondwinkel [avondwinkel], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- binnengaan van de winkel [avondwinkel] voozien van (een) mes(sen) en (een)

(bivak)muts(en) en/of

- het tonen van een mes aan die [X] en/of

- het houden van een mes in de richting van de keel van die [X] en/of

- het zetten van dat mes op/bij de keel van die [X] en/of

- het roepen/zeggen van de woorden "geld, geld".

2.

hij op of omstreeks 23 maart 2011 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [Y] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend

- (voorzien van een (bivak)muts) met een mes in de richting van die [Y]

gewezen / gezwaaid en/of

- (daarbij) gezegd dat die [Y] voorover op de grond moest buigen.

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/760597-11:

hij op of omstreeks 09 maart 2011 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk een persoon

(te weten [Z]), bij haar armen heeft vastgepakt en haar armen op haar rug heeft gedraaid/ vastgehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Hoewel de raadsman van de verdachte niet expliciet een beroep heeft gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft hij in het kader van de waardering van de bewijsmiddelen ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/758156-11 opmerkingen gemaakt die de rechtbank nopen ambtshalve de ontvankelijkheid van het

Openbaar Ministerie aan de orde te stellen.

In het procesdossier behorend bij de zaak met parketnummer 09/758156-11 bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 22 augustus 2011. Dit proces-verbaal behelst 2 pagina's. Uit de audio-opname van dit verhoor is echter gebleken dat dit verhoor bijna een uur heeft geduurd. Uit het op verzoek van de raadsman bijna woordelijk opgemaakte verslag van dit verhoor is voorts gebleken dat verbalisanten de getuige informatie over de mogelijke rol van de verdachte bij de betreffende feiten aan [getuige 1] hebben gegeven. Deze informatie is mogelijkerwijs van invloed geweest op de - ten aanzien van de verdachte belastende - verklaring van [getuige 1]. De door de verhorende verbalisanten verstrekte informatie is evenwel niet opgenomen in het proces-verbaal.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze gang van zaken onbehoorlijk en is er sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De vraag of dit handelen van de verbalisanten tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging als sanctie daarop dient te leiden, beantwoordt de rechtbank in het onderhavige geval echter ontkennend. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in art. 359a voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarvan is in casu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank zal zich hierna bij de waardering van het bewijs nader uitlaten over de gevolgen van het vormverzuim met betrekking tot het betreffende proces-verbaal.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/758156-11, feit 1 en 2, op neer dat de verdachte samen met een ander de eigenaar en de medewerker van een avondwinkel heeft bedreigd met messen waardoor de eigenaar geld heeft afgestaan en ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/760597-11, dat hij een persoon heeft mishandeld door haar bij haar armen vast te pakken en die op haar rug te draaien.

Van de zijde van de officier van justitie wordt met betrekking tot de zaak met parketnummer 09/758156-11 erkend dat het verhoor van getuige [getuige 1] en de verslaglegging van dat verhoor niet volgens de regels is verlopen. Volgens de officier van justitie gaat het echter om een ondergeschikt vormverzuim, welk verzuim op zichzelf niet relevant is voor het verkregen bewijs. De door de verbalisanten verstrekte daderinformatie had getuige [getuige 1] ook kunnen krijgen van de verdachte zelf of de medeverdachte. Relevant is dat getuige [getuige 1] niet zelf naar de politie is gestapt, maar op uitnodiging is verschenen en vervolgens uit eigen beweging over de betrokkenheid van de verdachte bij de feiten heeft verklaard. De officier van justitie acht de verklaring van [getuige 1] wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij de feiten voldoende betrouwbaar.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het bij parketnummer 09/758156-11 onder feit 1 en 2 ten laste gelegde stelt de raadsman dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

De raadsman is op eigen verzoek door de officier van justitie in de gelegenheid gesteld de audio-opnamen van het verhoor van de getuige [getuige 1] in aanwezigheid van de officier van justitie te beluisteren. Ten aanzien van de opname van het verhoor van [getuige 1] en het naar aanleiding daarvan door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Uit de audio-opname van dit verhoor blijkt dat de verbalisanten voorafgaand aan het verhoor veel informatie over de betreffende feiten aan [getuige 1] hebben verstrekt. De antwoorden van [getuige 1] zijn volgens de raadsman derhalve gebaseerd op de informatie die de verbalisanten haar reeds zelf hadden verstrekt. Deze gang van zaken wordt in het (summiere) proces-verbaal niet weergegeven.

De audio-opname van het verhoor van [getuige 2] is onvindbaar gebleken, zodat niet naar behoren is te reconstrueren hoe het verhoor van deze getuige daadwerkelijk is verlopen. Het opnieuw horen van deze getuige heeft volgens de raadsman niet zoveel zin meer gezien het tijdsverloop en gezien het feit dat toch niet te reconstrueren valt hoe het verhoor is verlopen. Gelet op het onbehoorlijke handelen met betrekking tot het verhoor van de getuige [getuige 1] is de raadsman van mening dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] niet voor het bewijs gebezigd kan worden.

Ook de getuigenverklaring van [getuige 2] dient naar de mening van de raadsman te worden uitgesloten als bewijsmiddel.

De raadsman heeft voorts - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- de verdachte ontkent;

- de beschikbare camerabeelden zijn onvoldoende duidelijk om vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk in de avondwinkel is geweest;

- de getuigenverklaring van medeverdachte [medeverdachte] is onvoldoende ondersteunend betrouwbaar bewijs, aangezien laatstgenoemde alcoholist is, veel drugs gebruikt en niet uit te sluiten is dat hij uit rancune heeft verklaard;

- de getuigenverklaring van getuige [getuige 3] vormt onvoldoende ondersteunend betrouwbaar bewijs, aangezien niet uit te sluiten is dat zij als ex-vriendin van de medeverdachte een belang heeft om belastend te verklaren over de verdachte, alsmede omdat zij ongeloofwaardig heeft verklaard over de periode dat de verdachte bij de medeverdachte zou hebben gewoond.

Ten aanzien van het bij parketnummer 09/760597-11 ten laste gelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/758156-11 feit 1 en 2

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af.1

Op 23 maart 2011 is aangever [X], eigenaar van avondwinkel [avondwinkel] te 's-Gravenhage met aangever [Y] in zijn winkel aanwezig is wanneer twee mannen zijn winkel binnen komen.2 Beide mannen dragen een bivakmuts.3 Een van de mannen, die later blijkt te zijn mededader [medeverdachte]4, stapt op [X] af, toont zijn mes aan hem5, zet het op zijn keel en zegt de woorden "geld, geld".6 [X] doet daarop zijn kassalade open en stopt geld in de door [medeverdachte] meegebrachte zak. 7

Terwijl [medeverdachte] met [X] bezig is, wordt aangever [Y] door een andere jongen met bivakmuts bedreigd met een mes. De jongen zegt tegen [Y] dat hij voorover op de grond moet buigen en zwaait daarbij zijn mes in de richting van het hoofd van [Y]. [Y] volgt deze instructie op.8 Vervolgens verlaten de daders de winkel.

Nadat medeverdachte [medeverdachte] hierover was ondervraagd, heeft hij bekend bovengenoemde feiten te hebben gepleegd. Hij heeft drie gedetailleerde verklaringen over de gepleegde feiten afgelegd en hij heeft de verdachte daarbij telkens aangewezen als zijn mededader.9 Zijn verhaal wordt door getuige [getuige 3] bevestigd. Zij verklaart dat de verdachte haar uit eigen beweging heeft verteld over de overval op de avondwinkel.10

De verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de feiten ontkend. Het feit dat hij door [medeverdachte] is aangewezen als de mededader zou volgens de verdachte kunnen worden verklaard door de omstandigheid dat verdachte ruzie heeft met [medeverdachte]. De omstandigheden dat [medeverdachte] alcoholist is en drugs gebruikt maken volgens de verdachte dat zijn verklaring niet betrouwbaar kan worden geacht. De rechtbank passeert deze verweren en overweegt daartoe dat zij ervan uitgaat dat [medeverdachte] juist volledige openheid van zaken heeft gegeven door op gedetailleerd niveau - waaronder bijvoorbeeld een omschrijving van de fiets waarop de verdachte reed - en bovendien voor zichzelf zeer belastend te verklaren. Het verweer dat de verklaring van [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar ondersteunend bewijs vormt, passeert de rechtbank eveneens. Haar verklaring is wellicht op een ondergeschikt punt onjuist; haar stelling dat de verdachte van 9 april 2011 tot na koninginnenacht 2011 bij [medeverdachte] heeft gelogeerd strookt namelijk niet met de verklaringen daaromtrent van de ouders van de verdachte en het door hen met een schriftelijk stuk gestaafd ziekenhuisbezoek van verdachte in die periode. Ook is dit proces-verbaal op een ander ondergeschikt punt onvolledig nu uit de auditief geregistreerde gegevens van het verhoor van [getuige 3] op 9 juni 2011 blijkt dat laatstgenoemde verdachte een "klootzak" zou hebben genoemd, maar zulks niet is vastgelegd in het schriftelijke proces-verbaal van dit verhoor. Niettemin heeft de verdachte verklaard dat hij in de door [getuige 3] genoemde periode wel bij [medeverdachte] heeft verbleven, dat hij [getuige 3] kent en haar in die periode heeft gesproken. De verklaring van de verdachte ter zitting komt ook met andere onderdelen van de - gedetailleerde - verklaring van [getuige 3] overeen, waaronder het feit dat de verdachte regelmatig fietsen pakte uit de tuin van de ouders van [medeverdachte]. [getuige 3] heeft bovendien ongevraagd verklaard dat de verdachte haar zijn vest heeft gegeven dat hij droeg tijdens de overval omdat zij het koud had en daarbij vertelde dat hij het niet meer wilde dragen omdat de politie hem dan zou linken aan de overval.11 Dergelijke details lijken op het eerste gezicht wellicht irrelevant, maar dragen naar het oordeel van de rechtbank bij aan de overtuiging dat de verklaring betrouwbaar is.

Alles in onderlinge samenhang beziend komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Nadere bewijsoverwegingen

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat kennisname van het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] niet noodzakelijk is om tot een bewezenverklaring van voornoemde feiten te komen, ziet de rechtbank niettemin aanleiding zich uit te laten over de bewijswaarde van dat proces-verbaal.

Op diens verzoek heeft de raadsman de audio-opname van het verhoor van getuige [getuige 1] samen met de officier van justitie uitgeluisterd en onderzocht of het verhoor overeenkomt met het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt. Gebleken is dat de schriftelijke vastlegging van het verhoor door de verbalisanten niet goed is uitgevoerd, ten gevolge waarvan in eerste instantie niet duidelijk was hoe het verhoor precies is verlopen. Hoewel de officier van justitie nadien een aanvullend proces-verbaal heeft ingebracht betreffende dit verhoor is naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv.). Er is een proces-verbaal opgemaakt dat achteraf niet blijkt te kloppen. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve sprake van onzorgvuldig handelen door de politie. De rechtbank acht deze situatie laakbaar en onwenselijk. Eén van de pijlers van ons bewijsrecht is het vertrouwen dat in de processen-verbaal van de politie moet kunnen worden gesteld. In deze zaak wordt daaraan afbreuk gedaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat op het betreffende verzuim niet anders kan worden gereageerd dan met de sanctie van bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] als bedoeld in artikel 359a lid 1 onder b Sv.

Ten aanzien van de verklaring van getuige [getuige 2] constateert de rechtbank dat na het sluiten van de behandeling alsnog de audioregistratie van het verhoor is teruggevonden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding tot nader onderzoek naar de weergave van het verhoor in het proces-verbaal, nu de rechtbank de betreffende verklaring niet voor het bewijs bezigt.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/760597-11

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2011;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangeefster [Z] d.d. 9 maart 2011, opgenomen in het dossier met nummer PL1533 2011051290-1, pagina 15 en 16.

4.4 De bewezenverklaring

De bewezenverklaring.

Op grond van het onder 4.3 overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten op de dagvaarding met parketnummer 09/758156-11 en het tenlastegelegde feit op de dagvaarding met parketnummer 09/760597-11 heeft begaan, met dien verstande dat de rechtbank bewezen acht dat:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/758156-11 feit 1 en 2:

1.

hij op 23 maart 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [X] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [X] of avondwinkel [avondwinkel], welke bedreiging met geweld bestond uit het

- binnengaan van de winkel [avondwinkel] voorzien van messen en bivakmutsen en

- het tonen van een mes aan die [X] en

- het houden van een mes in de richting van de keel van die [X] en

- het zeggen van de woorden "geld, geld".

2.

hij op 23 maart 2011 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, [Y] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- (voorzien van een (bivak)muts) met een mes in de richting van die [Y] gezwaaid en

- (daarbij) gezegd dat die [Y] voorover op de grond moest buigen.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/760597-11:

hij op of omstreeks 09 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon [Z] bij haar armen heeft vastgepakt en haar armen op haar rug heeft gedraaid/vastgehouden, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/758156-11 onder 1 en 2 en het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/760597-11 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van honderd vijftig (150) dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan voorwaardelijk tachtig (80) dagen met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dagbehandeling, alsmede een werkstraf van zestig (60) uren, subsidiair dertig (30) dagen jeugddetentie.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding met parketnummer 09/758156-11 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/760597-11 heeft de raadsman bepleit de verdachte te veroordelen tot maximaal een (onvoorwaardelijke) werkstraf van twintig (20) uren.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een avondwinkel. Bij de overval hebben de verdachte en zijn medeverdachte bivakmutsen gedragen en de slachtoffers onder bedreiging van messen gedwongen geld af te staan en voorover naar de grond te buigen.

De verdachte heeft zich daarbij laten leiden door geldzucht, zonder stil te staan bij de gevolgen voor de slachtoffers.

Geconfronteerd te worden met gemaskerde, gewapende mannen die uit zijn op buit, kan naar algemeen bekend is een zeer traumatische ervaring zijn. De slachtoffers kunnen hier nog lange tijd nadelige, psychische gevolgen van ondervinden. De feiten zijn bovendien gepleegd in een voor publiek toegankelijke gelegenheid, hetgeen betekent dat de slachtoffers bij de uitoefening van hun werk moeten zien om te gaan met hun angst voor mogelijk opnieuw onwelkome gasten.

De rechtbank acht het uitermate zorgelijk dat de verdachte, ondanks zijn nog jeugdige leeftijd, tot het plegen van een dergelijk buitengewoon ernstig misdrijf in staat is gebleken.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van een lerares/hulpverlener van een Rebound voorziening, alwaar verdachte onderwijs volgde omdat hij door zijn gedrag op dat moment niet naar een reguliere school kon gaan. Hij was derhalve al gewaarschuwd. Niettemin heeft verdachte zich ook op de Rebound misdragen. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze hulpverlener.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op:

- een Pro Justitia rapport van het psychologisch onderzoek betreffende de verdachte d.d. 18 september 2011, opgemaakt door drs. S. Smit-Paulides, psycholoog, onder supervisie van drs. R.B. Visser, klinisch psycholoog;

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 25 oktober 2011, opgesteld en ondertekend door [raadsonderzoeker] (raadsonderzoeker) en [teamleider] (teamleider).

Volgens Smit-Paulides is er vanwege de (ten aanzien van de feiten van 23 maart 2011) ontkennende en sociaalwenselijke houding van de verdachte weinig zicht op zijn empatisch vermogen en gewetensontwikkeling. Gezien zijn provocerende en recalcitrante gedrag in het verleden, de schorsingen van school en de eerdere politiecontacten, voldoet de verdachte volgens Smit-Paulides gelet op de DSM IV-TR criteria aan een Oppositioneel-Opstandige gedragsstoornis. Thans voldoet hij echter niet aan de criteria voor een gedragsstoornis.

Het streven naar controle over zichzelf, situaties en anderen domineert bij de verdachte. De houding van de verdachte ten opzichte van gedragsregels is opportunistisch. Het risico op recidive wordt minimaal tot matig ingeschat; de voorlopige hechtenis lijkt daarbij een positieve invloed te hebben gehad.

Indien de feiten bewezen worden verklaard, adviseert Smit-Paulides een poliklinische dagbehandeling. Mogelijke doelen om aan te werken tijdens die behandeling zijn onder meer de gevoeligheid van verdachte voor beïnvloeding en groepsdruk (erbij willen horen, stoer doen), zelfbeeld, emotie- en agressieregulatie, copingvaardigheden, het normeren van gedrag en scholing. Behandeling kan plaatsvinden bij een instelling zoals het Palmhuis van de Jutters in den Haag. Begeleiding vanuit de jeugdreclassering wordt wenselijk geacht ter ondersteuning van de verdachte en zijn ouders en voor het in gang zetten van de behandeling.

De Raad schaart zich achter de bevindingen van Smit-Paulides, maar heeft in aanvulling op het voorgaande verklaard dat de verdachte op dit moment op alle leefgebieden redelijk goed lijkt te functioneren. Op 3 augustus 2011 is de voorlopige hechtenis van de verdachte onder voorwaarden geschorst en hij heeft zich tot nu toe goed aan de voorwaarden gehouden. Het gezin, dat erg geschrokken is van het delict, maakt een hechte indruk en staat nu open voor de geboden hulpverlening. De ouders hebben er voor gekozen om te verhuizen zodat de verdachte in de buurt niet meer negatief beïnvloed kan worden. De schoolgang verloopt volgens de Raad positief en de verdachte heeft laten zien in staat te zijn positieve vriendschappen te sluiten en niet meer zo vaak op straat rond te hangen. Desondanks is de Raad van mening dat de verdachte nog steeds baat zal hebben bij de door Smit-Paulides geadviseerde behandeling. De Raad adviseert de rechtbank een onvoorwaardelijk taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, zodat hij leert dat er consequenties zijn verbonden aan zijn gedrag. Daarnaast adviseert de Raad aan verdachte een voorwaardelijke detentiestraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het starten met een dagbehandeling, om te werken aan de door Smit-Paulides geformuleerde doelen. De jeugdreclassering kan de verdachte helpen bij het voorkomen van recidive, het voortzetten van zijn schoolgang en het starten van een zinvolle dagbesteding. De voorwaardelijke detentiestraf kan dienen als stok achter de deur om ervoor te zorgen dat de verdachte zich aan de regels van de jeugdreclassering houdt.

Ter terechtzitting heeft de heer [jeugdreclasseerder], jeugdreclasseerder, gehoord als deskundige, bevestigd dat het thans heel goed gaat met de verdachte, dat hij zich aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat de ouders van de verdachte de verdachte daarbij heel goed ondersteunen. Het gezin is onlangs verhuisd naar [woonplaats] en de verdachte is overgestapt naar een andere school binnen Den Haag. De geadviseerde dagbehandeling zal volgens [jeugdreclasseerder] door het Palmhuis geboden kunnen worden.

De rechtbank acht het door Smit-Paulides en de Raad voor de Kinderbescherming gegeven strafadvies - alsmede de daarmee in grote lijn in overeenstemming zijnde eis van de officier van justitie -passend, zodat zij dienovereenkomstig zal beslissen. De rechtbank ziet, in tegenstelling tot de Raad en de officier van justitie, in de ernst van de feiten en het drukke dagprogramma van de verdachte - die voor zijn school veel reisuren moet maken - geen aanleiding om naast na te noemen straf, ook nog een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Gelet op de in deze strafmotivering genoemde rapportages acht de rechtbank als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel reclasseringscontact passend. Voorts zal de rechtbank het advies overnemen om dagbehandeling als bijzondere voorwaarde op te nemen. De rechtbank hoopt dat de - forse - voorwaardelijke jeugddetentie de verdachte ervan zal weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. Inbeslaggenomen goederen

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 5 genummerde voorwerpen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich evenmin uitgelaten over de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1 tot en met 5 genummerde voorwerpen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan degene bij wie het in beslag genomen is gelasten van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genummerde voorwerpen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 300, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding ten aanzien van parketnummer 09/758156-11, feit 1 en 2, en het bij dagvaarding ten aanzien van parketnummer 09/760597-11 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/758156-11, feit 1:

AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/758156-11, feit 2:

MEDEPLEGEN VAN BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING;

ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/760597-11::

MISHANDELING;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van honderd vijftig (150) dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot tachtig (80) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt dagbehandeling bij het Palmhuis, of een soortgelijke instelling;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/758156-11, feit 1 en 2:

gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [medeverdachte], van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genummerde voorwerpen, te weten:

- een muts, kleur groen, ingeknipt;

- een telefoontoestel, kleur grijs, NOKIA 1662;

- een jas, MASCOT;

- een mes, kleur zilver;

- een fiets, kleur blauw, DURIFORT Cycles cit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter, kinderrechter

mr. M. Moussault, kinderrechter

mr. H. Dragtsma, kinderrechter

in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer, griffier

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporings-ambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreft dit de pagina's van het proces-verbaal van de politie Haaglanden met het registratienummer PL1522 2011061462-1, doorgenummerd als pagina's 1 tot en met 231.

2 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 54.

3 Proces-verbaal verhoor medeverdachte, p. 165.

4 Proces-verbaal verhoor medeverdachte, p. 109

5 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 55

6 Proces-verbaal verhoor medeverdachte, p. 109

7 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 55.

8 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 60.

9 Proces-verbaal verhoor medeverdachte, p. 108, 109, 125, 165 en 166.

10 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 193-195.

11 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 194.