Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BW4757

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
AWB 11-38429
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

inreisvisum, Richtlijn 2004/38, spoedeisend belang

Verzoeker heeft een inreisvisum gevraagd om samen met zijn echtgenote, van Nederlandse nationaliteit, de kerstdagen door te brengen in Polen. Hij verzoekt verweerder te gelasten een inreisvisum voor het Schengengebied te verlenen dan wel hem te behandelen alsof hij in het bezit is van een geldig visum. Indien Richtlijn 2004/38 van toepassing is kan, gelet op artikel 5, tweede lid, laatste volzin van richtlijn 2004/38, niet worden gezegd dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder twijfelt aan de identiteit van verzoeker omdat hij eerder in Nederland heeft verbleven en destijds een andere geboortedatum heeft opgegeven dan vermeld staat op de geboorteakte en de huwelijksakte die verzoeker ter onderbouwing van zijn visumaanvraag heeft overgelegd. Op grond daarvan is de twijfel die van de zijde van verweerder is ontstaan over de identiteit van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerechtvaardigd. Nu bij verweerder op grond van de door verzoeker bij de visumaanvraag overgelegde geboorteakte en huwelijksakte gerechtvaardigde twijfel is ontstaan over de identiteit van verzoeker, kan verweerder voorts twijfelen aan de geldigheid van het huwelijk tussen verzoeker en referente. Gelet hierop, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat thans geen aanleiding bestaat het visum te verlenen, aangezien de familieband tussen verzoeker en referente nog niet is aangetoond. De stelling van verzoeker dat het besluit in primo geen blijk geeft van dit standpunt van verweerder, volgt de voorzieningenrechter niet, nu in die beslissing is aangekruist dat de informatie die is verstrekt met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf niet betrouwbaar is. Dat verweerder alsdan de aanvraag niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, volgt de voorzieningenrechter evenmin. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11/38429

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 december 2011

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Ghanese nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht

tegen:

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde: mr. Comijs, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 3 november 2011 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een inreisvisum voor het Schengengebied. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 24 november 2011 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 24 november 2011 bezwaar gemaakt.

1.2 Verzoeker heeft op 25 november 2011 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te gelasten een inreisvisum voor het Schengengebied te verlenen dan wel hem te behandelen alsof hij in het bezit is van een geldig inreisvisum.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 15 december 2011. is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, alsmede door een collega van zijn gemachtigde, mr. C. Knook. Voorts zijn mevrouw [naam referente] (hierna: referente) en haar vader ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: richtlijn 2004/38) is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden, als gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

2.3 Ingevolge artikel 2, tweede lid, onder a van richtlijn 2004/38 wordt onder “familielid” verstaan: “de echtgenoot.”

2.4 In artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2004/38 is neergelegd dat lidstaten, onverminderd het bepaalde met betrekking tot reisdocumenten bij nationale grenscontroles, de burger van de Unie die voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, alsmede familielieden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die voorzien zijn van een geldig paspoort, hun grondgebied binnenkomen. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van richtlijn 2004/38 verlenen de lidstaten familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten alle faciliteiten om de nodige visa te verkrijgen. Deze visa worden zo spoedig mogelijk via een versnelde procedure kosteloos afgegeven.

2.5 Ten aanzien van het door verweerder ingenomen primaire standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen, aangezien geen sprake is van spoedeisendheid, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.6 Zoals hiervoor reeds is overwogen, is in artikel 5, tweede lid, laatste volzin van richtlijn 2004/38 bepaald dat een visum zo spoedig mogelijk via een versnelde procedure kosteloos afgegeven. Indien Richtlijn 2004/38 van toepassing is kan, gelet op deze bepaling, niet worden gezegd dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening.

2.7 Aldus komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8 Verzoeker heeft een inreisvisum gevraagd om samen met zijn echtgenote, van Nederlandse nationaliteit, de kerstdagen door te brengen in Polen. Niet in geschil is dat verweerder de bevoegde autoriteit is om voor Polen de aanvraag tot het verlenen van een inreisvisum in behandeling te nemen en daarop te beslissen.

2.9 Verweerder heeft zich subsidiair, samengevat en voorzover van belang, op het standpunt gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen, aangezien er - onder andere - gerede twijfel bestaat over verzoekers identiteit. Wanneer er twijfel over de identiteit van verzoeker bestaat, ontstaat hiermee twijfel aan de geldigheid van het huwelijk en daarmee over de toepasselijkheid van richtlijn 2004/38. Verzoeker is geboren in 1980 maar heeft een geboorteaangifte overgelegd uit 2010, terwijl in Ghana geboortes in beginsel binnen een jaar moeten worden aangegeven. De minister van Buitenlandse Zaken in Ghana legaliseert geen geboorteaktes omdat de authenticiteit daarvan niet kan worden gewaarborgd. Voorts heeft verzoeker een nieuw paspoort overgelegd zonder reishistorie. Dit versterkt het vermoeden dat verzoeker een valse identiteit heeft opgegeven. Daarnaast bestaat het vermoeden dat verzoeker eerder in Nederland heeft verbleven, nu blijkens informatie van de IND een persoon in hun systeem voorkomt met exact dezelfde naam als verzoeker en geboorteplaats. Deze persoon heeft echter een andere geboortedatum opgegeven. Het is echter zeer waarschijnlijk dat het hier om dezelfde persoon gaat. De betreffende persoon is in 2004 in vreemdelingenbewaring gesteld in verband met illegaal verblijf hier te lande. Daarbij komt dat verzoeker zelf op internet vermeldt dat hij in Nederland een MBO-opleiding heeft gevolgd. Het opgeven van een valse identiteit is voldoende reden om de visumaanvraag af te wijzen. In geval van misbruik of fraude kan evenmin een beroep worden gedaan op het Gemeenschapsrecht.

2.10 Verzoeker heeft, samengevat en voorzover van belang, aangevoerd dat een geboorteakte niet vereist is. Uit het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 1992 (NJ 1993, 261) volgt dat de geldigheid van aktes moet worden beoordeeld maar Ghanees recht. Niet gebleken is dat de late aangifte van de geboorte daarmee ongeldig zou zijn. Voorts blijkt niet uit de beslissing in primo dat getwijfeld wordt aan de identiteit van verzoeker. Door daar nu in reactie op het bezwaar mee te komen, is tardief en in strijd met de goede procesorde. Verzoeker heeft inderdaad van 2001 tot 2010 in Nederland verbleven en toen een andere geboortedatum opgegeven. Dat doet niet af aan het feit dat de Ghanese autoriteiten hebben vastgesteld wie hij is. Bovendien hebben ook voormalige asielzoekers die onder de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (Ranov) vielen de gelegenheid gekregen tot identiteitsherstel en aan hen is een verblijfsvergunning verleend. Voorts heeft verweerder niet op voorhand getwijfeld aan de juiste inhoud van de huwelijksakte zodat op verweerder een onderzoeksplicht rust. Lopende onderzoeken kunnen geen rechtvaardiging vormen voor een afwijking van het recht op een visum voor verzoeker en het verlengen van termijnen. Verweerder had, indien getwijfeld werd aan de identiteit van verzoeker, de aanvraag niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder twijfelt aan de identiteit van verzoeker omdat hij eerder in Nederland heeft verbleven en destijds een andere geboortedatum heeft opgegeven, hetgeen ook door de gemachtigde van verzoeker ter zitting is bevestigd, dan vermeld staat op de geboorteakte en de huwelijksakte die verzoeker ter onderbouwing van zijn visumaanvraag heeft overgelegd. Op grond daarvan is de twijfel die van de zijde van verweerder is ontstaan over de identiteit van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerechtvaardigd. Het betoog van verzoeker dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij eerder onjuiste identiteitsgegevens heeft opgegeven, aangezien voormalige asielzoekers die onder de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (Ranov) vielen de gelegenheid hebben gekregen tot identiteitsherstel en aan hen een verblijfsvergunning is verleend, volgt de voorzieningenrechter niet.

2.12 Bij verweerder is op grond van het voorgaande tevens gerede twijfel ontstaan over de geldigheid van het gestelde huwelijk en daarmee over de toepasselijkheid van richtlijn 2004/38. In de "Mededeling van de Commissie aan het Europese Parlement en de Raad betreffende de richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden" van 2 juli 2009 (hierna: de Richtsnoeren) is, ten aanzien van de inreis en het verblijf van familieleden uit derde landen, onder 2.2 het volgende bepaald :

“Overeenkomstig artikel 5, lid 2, kunnen de lidstaten verlangen dat familieleden uit derdelanden die een onder de richtlijn vallende EU-burger begeleiden of zich bij hem voegen, in het bezit zijn van een inreisvisum. Dergelijke familieleden hebben niet alleen het recht het grondgebied van de lidstaat te betreden, maar hebben ook recht op een inreisvisum. (...)

Aangezien het recht op afgifte van een inreisvisum is afgeleid van de familieband met de EU-burger, kunnen de lidstaten slechts verlangen dat een geldig paspoort wordt voorgelegd en dat de familieband wordt aangetoond (en in voorkomend geval ook afhankelijkheid, het bestaan van ernstige gezondheidsredenen of van een duurzaam partnerschap). Er kunnen geen extra documenten worden verlangd, zoals een huisvestigingsverklaring, een bewijs van voldoende middelen, een uitnodiging of een retourticket.”

In voetnoot 20 bij de zinsnede ‘dat de familieband wordt aangetoond’ wordt verwezen naar artikel 8, vijfde lid, en artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2004/38. Ingevolge artikel 8, vijfde lid, richtlijn 2004/38 kunnen de lidstaten voor de afgifte van de verklaring van inschrijving aan familieleden van de burger van de Unie die zelf burger van de Unie zijn de overlegging verlangen van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort verlangen, een document waaruit de verwantschap of het bestaan van een geregistreerd partnerschap blijkt, en, indien van toepassing, een verklaring van inschrijving die betrekking heeft op de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich voegen. In artikel 10, tweede lid, richtlijn 2004/38 is hetzelfde bepaald ten aanzien van de afgifte van de verblijfskaart. Uit het voorgaande volgt dat het aan verzoeker is om de familieband aan te tonen. De lidstaten mogen in dat verband ook enkele documenten verlangen.

2.13 Nu bij verweerder op grond van de door verzoeker bij de visumaanvraag overgelegde geboorteakte en huwelijksakte gerechtvaardigde twijfel is ontstaan over de identiteit van verzoeker, kan verweerder voorts twijfelen aan de geldigheid van het huwelijk tussen verzoeker en referente. Gelet hierop, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat thans geen aanleiding bestaat het visum te verlenen, aangezien de familieband tussen verzoeker en referente nog niet is aangetoond. De stelling van verzoeker dat het besluit in primo geen blijk geeft van dit standpunt van verweerder, volgt de voorzieningenrechter niet, nu in die beslissing is aangekruist dat de informatie die is verstrekt met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf niet betrouwbaar is. Dat verweerder alsdan de aanvraag niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, volgt de voorzieningenrechter evenmin.

2.14 Nu verweerder zich reeds op grond van het voorgaande op het standpunt kan stellen dat verzoeker thans niet aan de voorwaarden voor visumverlening voldoet, bestaat er geen aanleiding voor toewijzing van het verstrekkende verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet daarop behoeven de overige geschilpunten geen verdere bespreking.

2.15 De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.16 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011 .

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.