Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BW2381

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/9876 en 11/30669
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'medische behandeling' afgewezen omdat verzoeker niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), er niet een van de vrijstellingsgronden van artikel 17 van de Vw 2000 of van artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van toepassing is en er voorts geen gronden zijn toepassing te geven aan artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 (de hardheidsclausule). Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

In de tweede plaats is in geschil of de vrijstellingsgrond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 van toepassing is. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zowel de juridische als de feitelijke familieband tussen verzoeker en het kind niet is aangetoond met verifieerbare bewijzen. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht onvoldoende heeft mogen achten om een familieband aan te nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Voorts is niet gebleken van overige feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/9876 en 11/30669

uitspraak ingevolge de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J.J. Stams).

Procesverloop

Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1985, bezit de Nigerese nationaliteit. Hij verblijft naar eigen zeggen sinds april 2002 als vreemdeling in Nederland.

Op 29 oktober 2010 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met als doel 'medische behandeling'.

Op deze aanvraag is door verweerder op 22 maart 2011 afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 22 maart 2011 een bezwaarschrift ingediend. Bij schrijven van 22 maart 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist.

Op 15 september 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij schrijven van 21 september 2011 heeft verzoeker tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Dit beroep is alhier geregistreerd onder nummer AWB 11/30669 BEPTDN.

Ingevolge artikel 8:81, vijfde lid van de Awb wordt het door verzoeker ingediende verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 december 2011. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [tolk], tolk in de Franse taal.

Overwegingen

1 Ingevolge artikel 8:86 Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2 Verweerder heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'medische behandeling' afgewezen omdat verzoeker niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), er niet een van de vrijstellingsgronden van artikel 17 van de Vw 2000 of van artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van toepassing is en er voorts geen gronden zijn toepassing te geven aan artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 (de hardheidsclausule).

3 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft afgewezen omdat hij niet beschikt over een geldige mvv. Hij voert in dit verband onder meer aan dat er een wijziging is geweest in zijn medische situatie -een verergering van depressie naar ernstige depressie- op grond waarvan verweerder een nieuw advies bij het BMA had moeten inwinnen. Daarnaast wijst hij erop dat Niger voor hem nooit een veilige behandelomgeving kan zijn en dat elke behandeling aldaar zal mislukken. Bovendien is een acute medische noodsituatie bij gedwongen terugkeer niet illusoir. Hierbij verwijst verzoeker op hetgeen hij in bezwaar tegen het BMA-advies heeft aangevoerd, namelijk dat het BMA eraan voorbij gaat dat het verlies van ADL-functies (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen) ook een medische noodtoestand betekent.

Voorts wijst verzoeker op het voortschrijdend inzicht over de toepassing van Ruiz Zambrano in de Nederlandse jurisprudentie.

4 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van die wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000, wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000, is van het mvv-vereiste vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.

5.1 In geschil is in de eerste plaats of de vrijstellingsgrond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 van toepassing is op verzoeker, die niet beschikt over een geldige mvv. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

In hoofdstuk B1/4.1.1 van de Vc 2000, is bepaald dat er voor toepassing van vorenbedoelde vrijstellingsgrond slechts aanleiding bestaat indien de vreemdeling niet in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en niet in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen mvv-aanvraag af te wachten. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden bij de beoordeling van het vorenstaande niet betrokken.

Verweerder heeft het BMA op 6 december 2010 verzocht een advies uit te brengen. Op 3 maart 2011 heeft het BMA een advies uitgebracht. In dit advies is opgemerkt dat verzoeker depressieve klachten heeft sinds mei 2009, met slapeloosheid en psychose met achtervolgingswanen. Verzoeker staat hiervoor onder medische behandeling, bestaande uit medicatie en therapie in de vorm van ondersteunende gesprekken met een maatschappelijk werker van de stichting kruispost te Amsterdam. Deze behandeling is tijdelijk van aard. Naar huidige medische inzichten zal uitblijven van deze behandeling niet leiden tot een medische noodsituatie. Wel is het te verwachten dat de aanwezige klachten mogelijk persisteren dan wel in ernst zullen toenemen. Er is in het verleden en thans geen sprake van suïcidaliteit of gedwongen opnamen. Gelet op de aard en de ernst van de klachten van betrokkene wordt in dit geval, zonder behandeling, geen noodsituatie op korte termijn verwacht, aldus het BMA. Ten slotte wordt betrokkene gezien de huidige medische inzichten in staat geacht te reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, bus, auto en vliegtuig. Er zijn geen aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is.

5.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State (AbRS) - zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 2 november 2005 (LJN AU6021) - is het advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij de besluitvorming op aanvragen om toelating in beginsel van een dergelijk advies uitgaan. Het is volgens de AbRS aan de vreemdeling om aan te tonen dat het advies niet op de juiste wijze is opgesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormt hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht onvoldoende grond voor twijfel aan het advies. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Verweerder heeft het BMA op 6 december 2010 verzocht een advies uit te brengen. Hierbij zijn reeds een aantal verklaringen omtrent de medische situatie van verzoeker meegezonden, waaronder een verklaring van 29 november 2010 van psychiater [psychiater], verbonden aan Punt P. Voorts heeft de BMA-arts op 18 januari 2011 aanvullende informatie verkregen van de huisarts van verzoeker, [huisarts], en op 11 januari 2011 van [ANIOS], ANIOS namens de arts [psychiater]. Op basis van deze informatie heeft de BMA-arts aangenomen dat sprake is van depressieve klachten met slapeloosheid en psychose met achtervolgingswanen. Hierbij is reeds uitgegaan van de mogelijkheid dat de klachten van verzoeker in ernst toenemen. Voor de BMA-arts is dit geen aanleiding geweest een medische noodsituatie aan te nemen waarbij verzoeker niet terug kan reizen naar het land van herkomst. De enkele stelling dat sprake is van verlies van ADL-functies maakt dit niet anders. Overigens heeft verzoeker tijdens de hoorzitting van 19 juli 2011 aangegeven dat zijn behandeling noch zijn medicatie zijn veranderd.

De stelling van verzoeker dat verweerder een nieuw BMA-advies had moeten opvragen nu het advies ouder is dan zes maanden en daarmee de geldigheidsduur van het BMA-advies is verstreken, slaagt niet. Het enkele gegeven dat het advies ten tijde van het bestreden besluit van 15 september 2011 zes maanden en bijna twee weken oud was leidt niet op voorhand tot de conclusie dat het advies onvoldoende actueel was. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien wijzigingen hebben plaatsgevonden in de medische situatie van verzoeker. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen medische stukken aanwezig waren waaruit blijkt dat het BMA-advies op dat moment onjuist of achterhaald was.

De door verzoeker overgelegde medische rapportage van DBV [plaats] dateert van na het bestreden besluit. Afgezien daarvan wijken de bewoordingen van de rapportage naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig af van de conclusies van het BMA-advies dat reeds op grond van deze rapportage twijfel zou moeten rijzen over de actualiteit van het advies. Ook de omstandigheid dat mantelzorg thans wordt verleend door 'De open deur' is hiervoor onvoldoende.

Nu de BMA-arts heeft geconcludeerd dat geen risico op het ontstaan van een medische noodsituatie bestaat bij het staken van de behandeling, is de vraag of behandelmogelijkheden in Niger aanwezig zijn niet aan de orde. Er bestaat gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het BMA-advies heeft mogen baseren.

Ten slotte valt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens af te leiden dat alleen onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, verband houdende met gebrek aan medische voorziening en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, de uitzetting kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. De door verzoeker gestelde omstandigheden heeft verweerder, mede gelet op de conclusies van het BMA-advies, niet als zodanig bijzonder en ernstig hoeven aanmerken.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

6 In de tweede plaats is in geschil of de vrijstellingsgrond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 van toepassing is. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zowel de juridische als de feitelijke familieband tussen verzoeker en het kind [kind] niet is aangetoond met verifieerbare bewijzen. Verzoeker heeft daar onder meer tegenover gesteld dat uit de naam van het kind blijkt dat het om zijn zoon gaat. Voorts heeft hij ter zitting een verklaring overgelegd van [X] waarin zij stelt de afgelopen 6 jaar een relatie te hebben met verzoeker en met hem een zoon,[X] te hebben. Hierbij verklaart zij tevens in verwachting te zijn van hun tweede kind en voor de zorg van de nieuwe baby voor een belangrijk deel aangewezen te zijn op de hulp van haar partner.

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht onvoldoende heeft mogen achten om een familieband aan te nemen. De verklaring [X] is niet afkomstig uit objectieve bron en valt bovendien niet te rijmen met de verklaring van verzoeker ten tijde van de hoorzitting van 19 juli 2011. Hierbij heeft hij immers verklaard dat hij een relatie met mevrouw [X] had en dat zij geen relatie met hem wil vanwege zijn psychische stoornis. Reeds hierom heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de tegenwerping van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Overigens heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting bevestigd dat mevrouw [X] de Nederlandse nationaliteit bezit, over middelen van bestaan beschikt, het gezag over [kind] heeft en [kind] bij zich in Nederland wenst te houden. Het beroep van verzoeker op de uitspraak van 4 november 2011 van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (LJN BU3665) gaat dan ook niet op. Dit geldt eveneens voor het arrest Ruiz Zambrano, waarvan de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft erkend dat dit niet onverkort van toepassing is op het geval van verzoeker.

7 Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoeker ingevolge genoemd beleid niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Voorts is niet gebleken van overige feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

8 Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van zaak, dient het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, ongegrond te worden verklaard.

9 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

10 De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

1 verklaart het beroep inzake AWB 11/30669 ongegrond;

2 wijst het verzoek inzake AWB 11/9876 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Pereira Horta, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I. Goud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)