Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV7155

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
AWB 11/30837
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

artikel 64, mondelinge mededeling aangemerkt als feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw.

Verweerder heeft verzoekers stelling dat op 28 juli 2011 mondeling aan verzoeker is meegedeeld dat is besloten om van toepassing van artikel 64 Vw af te zien, niet betwist zodat die stelling als vaststaand wordt aangenomen. Deze telefonische mededeling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als een handeling bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw. Deze bepaling vereist immers niet dat de handeling schriftelijk is vastgelegd. Daarbij komt dat verweerder ambtshalve is overgegaan tot toetsing van artikel 64 Vw en telefonisch aan de voorzieningenrechter te kennen heeft gegeven dat thans geen sprake is (geweest) van een schriftelijk besluit. Gelet op het voorgaande is het bezwaarschrift van 10 augustus 2011 tegen de handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw van 28 juli 2011 tijdig ingediend, en derhalve tevens het verzoek om een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11/30837

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 november 2011

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Kameroense nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.M. Volwerk, advocaat te Leiden,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 10 augustus 2011 een bezwaarschrift ingediend tegen de mondelinge mededeling van 28 juli 2011 dat op 29 mei 2011 is besloten om geen toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

1.2 Verzoeker heeft op 22 september 2011 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het beroep (de voorzieningenrechter begrijpt: bezwaar) heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende door verzoeker gestelde, en door verweerder niet betwiste, omstandigheden. Verweerder is op 10 februari 2011 ambtshalve een onderzoek gestart naar de toepassing van artikel 64 Vw ten aanzien van verzoeker. Op 28 juli 2011 is door een medewerker van de informatiedesk van de IND mondeling aan verzoeker meegedeeld dat verweerder op 29 mei 2011 heeft besloten van de toepassing van artikel 64 Vw af te zien. Op 21 september 2011 heeft een medewerker van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) meegedeeld dat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat verzoeker geacht wordt zelfstandig Nederland te verlaten. Op 21 september 2011 heeft een medewerker van de DT&V het advies van het Bureau Medisch Advisering (hierna: BMA-advies) van 16 mei 2011 aan gemachtigde van verzoeker toegestuurd.

2.3 Verzoeker heeft, samengevat, in zijn verzoekschrift aangevoerd dat hij ernstige psychische klachten heeft en dat hij meerdere malen heeft gepoogd zelfmoord te plegen. Verzoeker is in dit verband een keer gedwongen opgenomen. Gelet hierop is het aannemelijk dat bij terugkeer van verzoeker naar zijn land van herkomst sprake zal zijn van een medische noodsituatie op korte termijn. Bovendien is de psychiatrische zorg in Kameroen gebrekkig en zijn de behandelmogelijkheden ontoereikend. Uit het BMA-advies blijkt niet op welke wijze en waar de behandeling van verzoeker bij terugkeer naar Kameroen zal worden gecontinueerd. Verweerder heeft zich er onvoldoende van vergewist dat bij terugkeer geen sprake is van een noodsituatie op korte termijn. Voorts heeft verweerder miskend dat verzoeker ook klachten van psychotische aard heeft.

Tenslotte stelt verzoeker dat hij gehoord wil worden in bezwaar.

2.4 Verweerder heeft zich ter zitting en bij schrijven van 19 oktober 2011, samengevat, op het standpunt gesteld dat sprake is van een ontvankelijk bezwaarschrift en voorlopige voorziening, nu sprake is van een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat uit de inhoud van het BMA-advies volgt dat verzoeker kan reizen indien hij vergezeld wordt door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige. Voorts vermeldt het BMA-advies weliswaar dat er bij het uitblijven van een behandeling een medische noodsituatie kan ontstaan, echter tevens is vermeld dat er voldoende behandelmogelijkheden aanwezig zijn in het land van herkomst. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 juni 2010 (nr. 201000132/1) stelt verweerder zich op het standpunt dat er onder de gegeven omstandigheden, waarbij er geen noodzaak is van een fysieke overdracht, geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder verder navraag had moeten doen bij het BMA en niet van het BMA-advies heeft mogen uitgaan. Daarnaast verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2011 (nr. 201006994/1) waaruit volgt dat er ook in het geval van een noodzakelijk fysieke overdracht aan de vergewisplicht wordt voldaan indien er op basis van het BMA-advies kan worden beargumenteerd dat er geen medische noodsituatie hoeft te ontstaan, nu de benodigde medische behandeling voorhanden is.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechthandeling. Ingevolge het derde lid wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

2.6 In artikel 72, derde lid, Vw, is bepaald dat met een beschikking tevens wordt gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

2.7 Verweerder heeft verzoekers stelling dat op 28 juli 2011 mondeling aan verzoeker is meegedeeld dat is besloten om van toepassing van artikel 64 Vw af te zien, niet betwist zodat die stelling als vaststaand wordt aangenomen. Deze telefonische mededeling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als een handeling bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw. Deze bepaling vereist immers niet dat de handeling schriftelijk is vastgelegd. Daarbij komt dat verweerder ambtshalve is overgegaan tot toetsing van artikel 64 Vw en telefonisch aan de voorzieningenrechter te kennen heeft gegeven dat thans geen sprake is (geweest) van een schriftelijk besluit.

2.8 Gelet op het voorgaande is het bezwaarschrift van 10 augustus 2011 tegen de handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw van 28 juli 2011 tijdig ingediend, en derhalve tevens het verzoek om een voorlopige voorziening.

2.9 Ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 64 Vw, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.10 In artikel 64 Vw is bepaald dat uitzetting achterwege blijft zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder aan de handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw voornoemd BMA-advies ten grondslag heeft gelegd. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer bij uitspraak van 25 juli 2006 in zaak nr. 200601304/1; JV 2006/351), is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.12 Verzoeker heeft aangevoerd dat de door het BMA gestelde voorwaarde van begeleiding van verzoeker door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige onvoldoende is. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker deze stelling echter niet heeft onderbouwd. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de behandelend arts van verzoeker de medische beoordeling van het BMA onderschrijft. Nu de behandelend arts van verzoeker niet te kennen heeft gegeven dat een dergelijke voorwaarde - begeleiding door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige - niet voldoende zou zijn, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het BMA-advies. Derhalve heeft verweerder dit BMA-advies aan de handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw ten grondslag kunnen leggen en kunnen concluderen dat verzoeker niet in aanmerking komt voor opschorting van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven, zal verweerder zich in het onderhavige geval zonder meer vergewissen van de betreffende reisvoorwaarden. Zo zal de afdeling Bijzonder Vertrek van de DT&V er in geval van verzoeker op toezien dat begeleiding door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige voorhanden is in het geval van vertrek. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling strekt de vergewisplicht voor verweerder niet verder dan de gestelde reisvoorwaarden.

2.13 Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter is evenmin gebleken van andere feiten of omstandigheden die het treffen van de gevraagde voorziening rechtvaardigen. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen.

2.14 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2011.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.