Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV3734

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
AWB 10/7827, 10/8572, 10/8573 en 11/15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX2555, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepen tegen projectbesluit en het met toepassing van het projectbesluit verlenen van gevraagde bouwvergunning voor het realiseren van een appartementencomplex met 23 appartementen met interne parkeergarage. Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. Verweerder heeft in redelijkheid het in geding zijnde projectbesluit kunnen nemen en heeft op goede gronden de gevraagde bouwvergunning verleend. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/7827, 10/8572, 10/8573 en 11/15

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2011 in de zaak tussen

Vereniging van Eigenaars Roelofstaete, te Roelofarendsveen, eiseres sub 1,

[eisers sub 2], te [woonplaats], eisers sub 2,

[eiseres sub 3], te [woonplaats], eiseres sub 3,

hierna gezamenlijk (geheel of deels) te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. J.J.M. van Lint),

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, verweerder,

(gemachtigde: mr. V. Platteeuw).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Huisvesting Gezondheidszorg Alkemade, te Oude Wetering, vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. K. Heede).

Procesverloop

Vergunninghoudster heeft gevraagd om verlening van een reguliere bouwvergunning voor het realiseren van een appartementencomplex met 23 appartementen met interne parkeergarage op het perceel Spoorstraat 1 te Roelofarendsveen (hierna: het bouwplan).

Met ingang van 25 maart 2010 heeft verweerders voornemen om een projectbesluit te nemen ten behoeve van het bouwplan 6 weken ter inzage gelegen. Eisers hebben tegen het ontwerp van het projectbesluit zienswijzen ingediend.

Bij besluit van 6 september 2010 heeft verweerder het projectbesluit "Spoorstraat 1" als bedoeld in artikel 3.10 Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgesteld. Het projectbesluit heeft van 23 september 2010 tot en met 4 november 2010 ter inzage gelegen.

Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft verweerder, met toepassing van het projectbesluit, de gevraagde bouwvergunning verleend.

Eiseres sub 1 heeft bij brief van 3 november 2010 beroep ingesteld tegen het projectbesluit (reg.nr. AWB 10/7827). Eisers sub 2 hebben bij brief van 26 oktober 2010 beroep ingesteld tegen het projectbesluit (reg.nr. AWB 10/8572) en bij brief van 27 november 2011 beroep ingesteld tegen de bouwvergunning (reg.nr. Awb 10/8573) bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Eiseres sub 3 heeft bij brief van 22 december 2010 beroep ingesteld tegen het projectbesluit bij de ABRvS (reg.nr. AWB 11/15). De ABRvS heeft de beroepen van eisers sub 2 en eiseres sub 3 doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn op 6 oktober 2011 gevoegd ter zitting behandeld.

Namens eiseres sub 1 is [A] verschenen, namens eiseres sub 3 is haar partner, [B], verschenen, eisers sub 2 zijn in persoon verschenen, allen bijgestaan door hun gemachtigde, voornoemd.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [C]. Namens vergunninghoudster zijn [D] en [E] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde, voornoemd.

Overwegingen

1.1 Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om ontheffing dateert van na 1 juli 2008, zijn in dit geval de bepalingen van de Wro en de Wow van toepassing zoals deze van 1 juli 2008 tot de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 oktober 2010 luidden.

1.2 Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen. Het tweede lid bepaalt dat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project dient te bevatten.

1.3 Het nemen van een projectbesluit heeft, zoals blijkt uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, tot gevolg dat ten behoeve van de verwezenlijking van een concreet project dat afwijkt van een of meer bestemmingsplannen, die bestemmingsplannen in zoverre buiten toepassing blijven.

1.4 In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wro of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet.

2. De rechtbank stelt vast dat de raad van de gemeente Kaag en Braassem op grond van het bepaalde in artikel 3.10, vierde lid, van de Wro, zijn bevoegdheid tot het nemen van een projectbesluit heeft gedelegeerd aan verweerder. Hoewel het onderhavige projectbesluit een besluit van de raad is, heeft gemachtigde van verweerder er op gewezen dat het projectbesluit is genomen door verweerder en slechts ter bekrachtiging is voorgelegd aan de raad. Uitgaande van de juistheid van deze mededeling, ziet de rechtbank geen aanleiding een bevoegdheidsgebrek vast te stellen.

Ontvankelijkheid

3.1 Eiseres sub 1 is een vereniging van eigenaars die ten doel heeft het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars van het appartementencomplex Roelofstaete (zie ook artikel 10, derde lid, van de akte van splitsing).

Dit belang is voldoende specifiek van aard. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke werkzaamheden van de vereniging. Nu het appartementencomplex Roelofstaete zich in de onmiddellijke omgeving van het bouwplan bevindt, ondervinden de bewoners van dit appartementencomplex de ruimtelijke uitstralingseffecten van het bouwplan. Eiseres sub 1 dient dan ook te worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.2 De rechtbank merkt eisers sub 2 aan als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aangezien ook zij in de onmiddellijke nabijheid van het bouwplan wonen en daarop zicht hebben. Nu eiseres sub 3 een appartement in eigendom heeft dat in de nabijheid ligt van het bouwplan, moet zij eveneens worden aangemerkt als direct belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

4.1 Eiseres sub 1 en eiseres sub 3 hebben slechts beroep ingesteld tegen het projectbesluit. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wow wordt de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een projectbesluit, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om een bouwvergunning betrekking heeft, voor de mogelijkheid van beroep als één besluit aangemerkt. Beide beroepschriften dateren van ná het besluit tot verlening van de bouwvergunning eerste fase op 7 oktober 2010 en worden geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht. Nu ook het besluit van 7 oktober 2010 is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, vangt ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen dat besluit aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Awb ter inzage is gelegd.

4.2 Op de informatiepagina van het huis-aan-huis blad van 13 oktober 2010 is onder het opschrift "verleende bouwvergunningen en ontheffingen met beroepsmogelijkheid" vermeld dat een bouwvergunning is verleend voor het oprichten van het onderhavige appartementencomplex. Daarbij is opgenomen dat de stukken vanaf 14 oktober 2010 ter inzage liggen. Voorts is vermeld dat belanghebbenden binnen zes weken vanaf de dag na terinzagelegging een beroepschrift kunnen indienen bij deze rechtbank. Daarom is de beroepstermijn begonnen op 15 oktober 2010 en geëindigd op 26 november 2010.

4.3 De indiening van de beroepen door eisers sub 2 en 3 bij de ABRvS is blijkbaar het gevolg van de onjuiste rechtsmiddelvoorlichting door verweerder in de publicatie van het besluit van 22 september 2010. Daarom is er geen reden de datum van indiening bij de ABRvS niet als datum van indiening bij de rechtbank aan te merken. Het door eiseres sub 3 ingediende beroepschrift is op 23 december 2010 bij de ABRvS binnengekomen. Eiseres sub 3 heeft de beroepstermijn overschreden. Nu eiseres sub 3 een zienswijze had ingediend tegen het ontwerpplan had verweerder haar ingevolge artikel 3:43 van de Awb persoonlijk in kennis moeten stellen van het vaststellingsbesluit. Dat is niet gebeurd. Dit klemt te meer nu verweerder het projectbesluit slechts heeft bekendgemaakt in het gemeentelijke blad, terwijl eiseres sub 3 niet woonachtig is in de gemeente Kaag en Braassem. Vervolgens heeft eiseres sub 3 binnen twee weken nadat zij op de hoogte is geraakt van het bestreden besluit beroep ingesteld. Onder deze omstandigheden is het buiten de beroepstermijn instellen van beroep verschoonbaar te achten.

Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet (Chw)

5.1 Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onderdeel a, van de Chw is afdeling 1.2 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

5.2 In bijlage I bij de Chw is in categorie 3, onder 3.1. vermeld - voor zover hier van belang - de ontwikkeling of verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.3 van de Wro ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied.

5.3 Nu het bouwplan voorziet in de bouw van meer dan 20 appartementen in één complex, is de Chw van toepassing. Dit betekent dat op deze besluiten afdeling 1.2 van de Chw van toepassing is, nu de bestreden besluiten na de inwerkingtreding van de Chw zijn genomen. Hoewel dit door verweerder niet is onderkend, is niet gebleken dat eisers hierdoor in hun processuele belangen zijn geschaad, aangezien de beroepen van gronden zijn voorzien vóór de constatering van de toepasselijkheid van de Chw en daarna geen nieuwe gronden zijn aangevoerd. De vaststelling van de toepasselijkheid van de Chw door de rechtbank in een laat stadium, brengt met zich dat de rechtbank in afwijking van 1.6, eerste lid, Chw geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:52 Awb, en ook dat de termijn voor het doen van de uitspraak zoals neergelegd in artikel 1.6, vierde lid, Chw, reeds is overschreden.

5.4 Ingevolge artikel 1.9 van de Chw dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

5.5 Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 19 januari 2011, LJN: BP1352, merkt de rechtbank het volgende op. Artikel 1.9 van de Chw staat er niet aan in de weg dat belanghebbenden zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening kunnen beroepen ten einde een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het projectbesluit te bewerkstelligen voor zover die norm betrekking of mede betrekking heeft op hun eigen belangen. Zij zijn daarbij niet beperkt tot het uitsluitend naar voren brengen van beroepsgronden die ertoe strekken aan te tonen dat aan belangen gerelateerd aan gebruiksmogelijkheden van hun eigen gronden of bouwwerken te weinig gewicht is toegekend, maar zij hebben ook de mogelijkheid te betogen dat aan hun belangen te weinig gewicht is toegekend bij het aanwijzen van bestemmingen voor gronden in hun directe omgeving en het vaststellen van daarop betrekking hebbende regels, gelet op de invloed die bestemmingen en regels hebben op de gebruiksmogelijkheden of de waarde van hun eigen gronden of bouwwerken.

Voor zover wettelijke regels eisen stellen aan of randvoorwaarden scheppen voor het aanwijzen van bestemmingen en de daarop betrekking hebbende planregels, leidt, mede gelet op het vereiste dat een regel 'kennelijk' niet strekt tot bescherming van bepaalde belangen, een juiste toepassing van artikel 1.9 van de Chw ertoe dat belanghebbenden zich niet kunnen beroepen op wettelijke voorschriften die onmiskenbaar niet zijn geschreven ter bescherming van hun belangen. Gelet hierop kunnen eisers zich in beginsel niet succesvol beroepen op het niet in acht nemen van de normen van de Wet geluidhinder (Wgh) voor zover het betreft de geluidbelasting ter hoogte van het op te richten appartementencomplex of de economische uitvoerbaarheid daarvan. Wel kunnen eisers zich beroepen op de normen die de Wgh stelt, indien zij nadelige geluidseffecten voor hun eigen woonsituatie moeten vrezen.

Inhoudelijke beoordeling van het geschil

6.1 Eiseres sub 3 heeft gesteld dat de terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit gebrekkig is verlopen, omdat de aanvraag om bouwvergunning, de plankaart en een definitieve versie van het archeologisch rapport ontbraken. Verweerder heeft toegegeven dat de aanvraag om bouwvergunning niet ter inzage is gelegd bij het projectbesluit maar dat eisers hiermee niet in hun belangen zijn geschaad. Voorts heeft verweerder gesteld dat de plankaart, die ook overigens via internet kan worden ingezien, en het archeologisch rapport, dat ongewijzigd is ten opzichte van het conceptrapport, wel ter inzage hebben gelegen.

6.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de voorbereiding van de verleende bouwvergunning toepassing heeft gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb en dat de aanvraag om bouwvergunning in die procedure wel ter inzage heeft gelegen. Voorts is niet gebleken dat eisers geen mogelijkheid hebben gehad om de betreffende stukken alsnog in te zien. Eisers hebben in beroep bovendien voldoende gelegenheid gehad om inhoudelijk te reageren op deze stukken. De rechtbank ziet in dit verband geen aanleiding om aan te nemen dat het definitieve archeologische rapport zou afwijken van het conceptrapport. De rechtbank merkt verder nog op dat artikel 1.9 van de Chw eraan in de weg staat dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt op de door eiseres sub 3 aangevoerde gronden, als hiervoor genoemd onder 6.1. De rechtbank ziet in een gebrekkige terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit dan ook geen aanleiding het beroep gegrond te verklaren.

7.1 Het bouwplan voorziet in de oprichting van een appartementengebouw met 23 appartementen (koopwoningen) en een inpandige garage. Het complex bestaat uit twee gedeelten, één gedeelte met 5 bouwlagen en een hoogte van 17 meter en één gedeelte met 4 bouwlagen en een hoogte van 14 meter.

7.2 Op het bouwplan is het bestemmingsplan "Veenwetering" (bestemmingsplan) van toepassing. Krachtens het bestemmingsplan heeft het betrokken perceel de bestemming 'Maatschappelijk' met de dubbelbestemming 'Archeologische Waarden'. In het bestemmingplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming voor het perceel Spoorstraat 1 te wijzigen in 'Wonen'. Deze wijzigingsbevoegdheid voorziet niet in het verruimen van het bouwvlak of een hogere bebouwing. De maximale bouwhoogte voor het perceel op grond van het bestemmingsplan is 9 meter. Voorts wordt het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak overschreden. Om de strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen is het projectbesluit genomen.

8.1 De eisen waaraan een goede ruimtelijke onderbouwing moet voldoen, zijn neergelegd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), zoals dat luidde van 1 juli 2008 tot 1 oktober 2010. Uit dit artikel vloeit voort dat bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval moet worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel moet worden gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

8.2 Naarmate de ruimtelijke gevolgen van het projectbesluit ingrijpender zullen zijn ten opzichte van het vigerende planologische regime en de inbreuk daarop groter, worden hogere eisen aan de inhoud en de kwaliteiten van de ruimtelijke onderbouwing gesteld. Gelet op de overschrijding van het bouwvlak en de maximale bouwhoogte kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden gezegd dat het gaat om een geringe inbreuk op het geldende planologische regime. Het bouwplan vereist dan ook een goede ruimtelijke onderbouwing.

8.3 Eisers betogen dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet wat betreft de motivering van de aanvaardbaarheid van de omvang van het voorgenomen gebouw. Eisers worden hierin niet gevolgd. De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing "Kruisgebouw te Roelofarendsveen" van 19 maart 2010, is ingegaan op de relatie van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan en is gemotiveerd waarom dit bouwplan aanvaardbaar wordt geacht. In hoofdzaak komt deze toelichting erop neer dat het bouwplan goed inpasbaar is. De hoogte van het complex is afgestemd op de hoogte van de naastgelegen bestaande complexen. Hierbij heeft verweerder de uitgangspunten van de centrumvisie Roelofarendsveen meegenomen, waarin een gebouw met 4 à 5 bouwlagen mogelijk en passend wordt geacht op de planlocatie. Ook wordt in de centrumvisie de wens geuit om in het centrum van Roelofarendsveen een stedelijk woonmilieu te creëren, zodat ook het verdwijnen van open ruimte door het bouwvolume passend wordt geacht. De rechtbank acht het standpunt van verweerder dat het volume van het bouwplan passend is in de dorpskern,gelet op het voorgaande, niet onredelijk. Met vergunninghoudster ziet de rechtbank voorts niet de door eisers geopperde mogelijkheid van een parkeerkelder ter plekke, gelet op de ligging van het gebouw op een dijk.

8.4 Het bouwplan brengt volgens de ruimtelijke onderbouwing een kwaliteitsverbetering met zich voor de omgeving en de daar aanwezige functies. In dit kader is onderzoek gedaan naar de verwachte uitwerkingen op het gebied van verkeer, milieu, archeologie, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. In de ruimtelijke onderbouwing is verder uiteengezet dat het bouwplan past binnen het rijksbeleid, het provinciale en regionale beleid. Naar het oordeel van de rechtbank kan aldus niet worden gezegd dat het bouwplan niet van een toereikende ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

9.1 Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder bij afweging van de betrokken belangen van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Nu het projectbesluit het resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging waarbij aan verweerder beleidsvrijheid toekomt, kan het in dit kader door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.

9.2 Volgens eisers zal de parkeerdruk in de buurt als gevolg van het bouwplan toenemen. De rechtbank overweegt dat in de ruimtelijke onderbouwing een berekening van de parkeerbehoefte is opgenomen. Bij het bepalen van de parkeernormen is verweerder uitgegaan van aanbevelingen uit de ASVV 2004 van de stichting CROW. Anders dan eisers hebben betoogd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze aanbevelingen niet als hulpmiddel mogen worden gehanteerd en de rechtbank acht het niet onjuist dat verweerder heeft aangehaakt bij deze cijfers. De uitkomst van verweerders berekening is dat de minimale parkeervraag als gevolg van het bouwplan 30,4 parkeerplaatsen is, terwijl 33 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Zelfs als er, zoals ter zitting naar voren is gekomen, twee parkeerplaatsen verdwijnen, wordt nog in voldoende parkeerplaatsen voorzien. Verder is niet gebleken dat de gehanteerde maatvoering van de parkeerplaatsen onjuist zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook draagkrachtig gemotiveerd dat in de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan wordt voorzien. Daarnaast geldt op grond van vaste jurisprudentie van de ABRvS (zie onder meer de uitspraak van 25 maart 2010, LJN: BL9604), dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, de bestaande parkeerdruk buiten beschouwing dient te blijven.

9.3 Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de capaciteit van de toegangswegen naar de parkeergarage niet toereikend zal zijn of dat de verkeersveiligheid onvoldoende gewaarborgd zou zijn. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de verkeerstoename door het bouwplan zal leiden tot onaanvaardbare negatieve verkeersgevolgen voor het verkeer van en naar het appartementencomplex.

9.4 Eisers vrezen aantasting van hun uitzicht en zonlicht alsmede van hun privacy door 24-uurs bewoning. Niet kan worden ontkend dat de realisatie van het voorziene complex gevolgen kan hebben voor het uitzicht en de privacy van eisers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze gevolgen niet onaanvaardbaar hoeven achten, gelet op de situering van de bebouwing in een omgeving als de onderhavige, waarbij verstedelijking van het centrum van Roelofarendsveen voorzien wordt, zoals neergelegd in de centrumvisie Roelofarendsveen. De rechtbank ziet voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vermindering van het zon- en daglicht voor eisers zodanig zal zijn dat verweerder daaraan doorslaggevend gewicht heeft moeten toekennen. Daarbij wordt de uitkomst van de uitgevoerde bezonningsstudie alsmede de ligging van de woning van eisers ten opzichte van het bouwplan in aanmerking genomen. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat de aantasting van de privacy en het woongenot van eisers dusdanig zal zijn dat verweerder hieraan doorslaggevende betekenis heeft moeten toekennen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de woningen van eisers zijn gelegen in een dorpskern. Voorts merkt de rechtbank op dat de schending van de privacy voor eisers sub 2 beperkt is, nu geen balkons aan de zijde van de woning van eisers sub 2 zijn geprojecteerd. Ook de inbreuk op de privacy voor eiseres sub 3 is beperkt, gelet op de afstand tussen het bouwplan en haar woning.

9.5 Ook in hetgeen eisers sub 2 ten aanzien van gevreesde geluid- en lichtoverlast door de situering van de toegang tot de parkeergarage hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder in redelijkheid van vaststelling van het projectbesluit had moeten afzien. In dit verband acht de rechtbank van belang dat is toegezegd dat een groene haag en keerwand zullen worden geplaatst die bijdragen aan de reductie van het geluid en het licht. Voorts heeft verweerder toegezegd dat voor het bouwplan een nieuwe rioleringsverbinding wordt aangelegd. Dat het bouwplan niet zou voorzien in een adequate afwatering of dat het project tot meer wateroverlast zou leiden, is niet gebleken. Met verweerder ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat door het bouwplan onaanvaardbare windoverlast voor eisers sub 2 wordt veroorzaakt, mede gelet op de overige hoge bebouwing in het gebied. Hierin wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat verweerder het projectbesluit niet had mogen vaststellen.

9.6 Niet in geschil is dat door het bouwplan op deze locatie groen verloren gaat. In de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen dat de bestaande groenstructuur niet verloren gaat. Eisers hebben niet met nadere gegevens of nader onderzoek aannemelijk gemaakt dat het groen dat verloren gaat, zodanig waardevol is dat verweerder daaraan overwegend belang had moeten toekennen. Dit geldt ook voor de op het perceel staande kastanjeboom. Hierbij wijst de rechtbank erop dat ook op grond van het bestemmingsplan de mogelijkheid bestaat het gehele perceel te bestraten, en dat voor het kappen van de kastanjeboom geen afzonderlijke vergunning is vereist. Verweerder mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat geen sprake is van een ernstige aantasting van de groenstructuur.

9.7 Omtrent hetgeen door eisers wordt aangevoerd inzake de eventuele schade aan hun woning, overweegt de rechtbank dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Daarom blijft deze beroepsgrond buiten beschouwing. Evenmin bestaat grond voor de verwachting dat de eventuele waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder bij de afweging van de belangen hieraan groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

9.8 De rechtbank komt tot de slotsom dat, hoewel het bouwplan mogelijk tot gevolg heeft dat het woongenot van eisers enigermate wordt aangetast, niet aannemelijk is dat die aantasting van dien aard is, dat een onaanvaardbare situatie ontstaat. De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom verweerder bij de belangenafweging eisers belangen zwaarder had moeten laten wegen dan die welke met het bouwplan worden gediend. Dit betekent dat verweerder in redelijkheid het in geding zijnde projectbesluit heeft kunnen nemen.

10. Voor de conclusie dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand, bestaat geen grond. De welstandscommissie heeft het bouwplan aanvaardbaar geacht, waarbij aan verschillende criteria uit de gemeentelijke welstandsnota is getoetst. Hierbij is ook de massa en vorm van het bouwplan in ogenschouw genomen. Verweerder heeft zich in navolging van de welstandscommissie op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS - zie onder meer haar uitspraak van 10 februari 2010, LJN: BL3328 - mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Van de hiervoor bedoelde gebreken is in dit geval niet gebleken. Ook hebben eisers geen deskundigenadvies overgelegd waaruit blijkt dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij hebben tegenover genoemd advies van de welstandscommissie slechts hun eigen mening gegeven. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

11. Omdat geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder, gelet op dit artikellid, op goede gronden de gevraagde bouwvergunning verleend.

12. De beroepen zijn ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. L.M. Koenraad, rechter, mr. H.P.M. Meskers, rechter, en mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.W. Koppe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.

De voorzitter is verhinderd te tekenen.

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.