Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2925

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
AWB 10/4090 AWB 10/4099 AWB 10/4101 AWB 10/4103
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3998, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:3692, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Gebruikelijk loon. Zorgvuldigheidsbeginsel.

Eiseres exploiteert een uitzendbureau. Enig aandeelhouder van eiseres is [B], die gehuwd is met [D]. [B] en [D] verrichten werkzaamheden voor eiseres. [B] is vanaf 1999 arbeidsongeschikt en geniet sindsdien een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Sinds 20 juni 2009, de dag dat hij 65 jaar werd, is [B] weer statutair directeur van eiseres.

In 2006, 2007 en 2008 heeft [B] voor zijn werkzaamheden voor eiseres een beloning ontvangen van respectievelijk € 4.899, € 5.112 en € 5.885. [D] ontving over die jaren voor haar werkzaamheden voor eiseres beloningen van respectievelijk € 30.984, € 55.013 en € 45.248.

Na een onderzoek stelt verweerder dat de beloning van [B] over de jaren 2006 tot en met 2008 moet worden gesteld op het normloon van het eerste lid van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting en heeft hij eiseres naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd. In geschil is of dit terecht is.

De rechtbank oordeelt dat eiseres aannemelijk moet maken dat voor de dienstbetrekking van [B] een lager loon dan het normloon gebruikelijk is en daarbij niet zozeer van belang is of [B] door een derde nooit in een vergelijkbare functie zou worden aangesteld, maar wat de loonwaarde is van de door [B] daadwerkelijk voor eiseres uitgevoerde werkzaamheden uit hoofde van zijn functie en met de daarbij horende verantwoordelijkheid. De rechtbank oordeelt dat eiseres daar niet in slaagt omdat [B] de feitelijke leiding van bedrijf heeft, alle uitvoerende werkzaamheden doet en op 20 juni 2009, de dag waarop hij 65 jaar werd, weer is benoemd tot directeur van eiseres. Daarbij hoort geen (bescheiden) beloning op basis van een beperkt aantal gewerkte uren.

De rechtbank merkt nog op dat de hoogte van het loon van [D] niet relevant is en eiseres ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat er vanwege de financiële positie van eiseres zakelijke redenen waren om het loon op een lager bedrag vast te stellen dan het normloon.

Het beroep van eiseres op het zorgvuldigheidsbeginsel wijst de rechtbank op feitelijke gronden af. De beroepen zijn ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/663
V-N 2012/19.2.3
FutD 2012-0690
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4090 AWB 10/4099 AWB 10/4101 AWB 10/4103

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2011 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2006 (2x), 2007 en 2008 naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met aanslagnummers [aanslagnummer a], [aanslagnummer b], [aanslagnummer c] en [aanslagnummer d].

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2010 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 10 juni 2010, ontvangen bij de rechtbank op 11 juni 2010, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gesplitst.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2011 te Den Haag.

Namens eiseres is [A] verschenen, bijgestaan door [B]. Namens verweerder is [C] verschenen.

Naar aanleiding van wat ter zitting is besproken heeft de rechtbank de zaken aangehouden om partijen de gelegenheid te geven tot een schikking te komen. Per brief van 1 september 2011 heeft eiseres de rechtbank meegedeeld dat er geen schikking tot stand is gekomen. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1. Eiseres is opgericht in 1988 en exploiteert een uitzendbureau dat zich met name richt op het verwerven en uitzenden van werknemers die werkzaam zijn in de installatietechniek. Enig aandeelhouder van eiseres is [B]. B is geboren in 1944 en gehuwd met [D], geboren in 1949.

2. B en [D] verrichten werkzaamheden voor eiseres. Deze werkzaamheden bestaan uit het onderhouden van de contacten met de klanten, het bijhouden van de loonadministratie, het verzorgen van de aangiften loonbelasting en omzetbelasting, het opmaken van omzetfacturen en het doen van alle betalingen. Er zijn geen schriftelijke arbeidsovereenkomsten en er wordt geen urenregistratie bijgehouden. B is vanaf 1999 arbeidsongeschikt en geniet sindsdien een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Sinds 20 juni 2009, de dag dat hij 65 jaar werd, is B weer statutair directeur van eiseres.

3. In 2006, 2007 en 2008 heeft B voor zijn werkzaamheden voor eiseres een beloning ontvangen van respectievelijk € 4.899, € 5.112 en € 5.885. [D] ontving over die jaren voor haar werkzaamheden voor eiseres beloningen van respectievelijk € 30.984, € 55.013 en € 45.248.

4. Naar aanleiding van een door eiseres ingediend verzoek tot deblokkering van het saldo op een zogenoemde G-rekening heeft verweerder bij eiseres een onderzoek uitgevoerd. Van dat onderzoek is op 21 augustus 2009 een rapport is uitgebracht dat in kopie tot de gedingstukken behoort. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

"Om inzicht te krijgen in de werkzaamheden van [B] is tijdens het inleidend gesprek hier nader op ingegaan. [B] heeft aangegeven dat hij de volgende werkzaamheden voor de onderneming verricht:

- Onderhoud met cliënten;

- Aanname van personeel;

- Het verwerken van de salarisadministratie;

- Het verzorgen van de aangiften LH en OB;

- Het verzorgen van de crediteuren;

- Het verzorgen van de omzetfacturen.

Hij bezit hiervoor de kennis. De werkzaamheden van [D] bestaan volgens zijn verklaring uit het opnemen van de telefoon en het begeleiden bij sollicitatiegesprekken. Op de vraag hoe de tijdsverdeling is tussen hem en [D] bleef hij het antwoord schuldig.

(...)

Aan de hand van de bevindingen tijdens het onderzoek moet worden geconcludeerd dat de werkelijke leiding van de onderneming in handen is van de [B]. Dit blijkt ook uit de stukken (correspondentie, aangiften, arbeidsovereenkomsten en inkomende facturen) die tijdens het onderzoek zijn ingezien. Deze stukken waren namelijk ondertekend door dan wel gericht aan [B].

Hiervan uitgaande staat het aan [B] toegekende loon in geen verhouding tot de arbeid die door hem binnen de onderneming is verricht. Mede gelet op het aan [D] toegekende loon.

Zoals reeds eerder is vermeld dient het gebruikelijk loon minimaal te worden vastgesteld op € 39.000 respectievelijk € 40.000, tenzij [eiseres] aannemelijk kan maken dat een lager loon gebruikelijk is."

5. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek heeft verweerder zich op standpunt gesteld dat de beloning van B over de jaren 2006 tot en met 2008 moet worden gesteld op het gebruikelijke loon (hierna: het normloon) dat wordt genoemd in het eerste lid van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) en heeft hij eiseres de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Geschil

6. In geschil is de hoogte van het aan B toe te kennen loon over de jaren 2006 tot en met 2008.

7. Eiseres pleit voor handhaving van de in 3 vermelde bedragen. Ter motivering van haar standpunt heeft eiseres - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat B, vanwege zijn zwakke gezondheid werkweken maakte van tussen de tien en twintig procent van een normale werkweek en dat het normloon daarom evenredig is verlaagd. Verder heeft eiseres aangevoerd dat haar vermogenspositie aanleiding geeft tot het vaststellen van een lagere beloning dan het normloon.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beloning voor de jaren 2006 en 2007 moet worden gesteld op € 39.000 en voor het jaar 2008 op € 40.000. Ter motivering van zijn standpunt heeft verweerder - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat B heeft verklaard dat hij de meeste werkzaamheden uitvoert en [D] slechts een ondersteunende rol vervult. Verder stelt verweerder dat B heeft verklaard dat zijn loon laag gehouden is om problemen met zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering te voorkomen, dat hij pas later op deze verklaring is teruggekomen en dat B sinds zijn 65-jarige leeftijd weer statutair directeur van eiseres is.

9. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen.

10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

11. Op grond van artikel 12a, eerste lid, van de Wet LB wordt het loon van een werknemer die arbeid verricht voor een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, gesteld op ten minste het normloon, tenzij aannemelijk is dat ter zake van een soortgelijke dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, een lager loon gebruikelijk is. Is dat het geval, dan wordt het loon wordt gesteld op dat lagere loon. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg de van eiseres om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat ter zake van de dienstbetrekking van B een lager loon dan het normloon gebruikelijk is.

12. Eiseres heeft aangevoerd dat het loon van B, zoals vermeld in 3, was gebaseerd op het normloon, dat evenredig is verlaagd omdat B niet fulltime voor haar werkzaam was. Vanwege zijn slechte gezondheid zou B, aldus eiseres, door een derde slechts in dienst worden genomen op basis van een prestatiecontract en zou hij worden betaald naar de daadwerkelijk gewerkte uren. Eiseres concludeert daaruit dat het aan B toegekende loon gebruikelijk is bij een soortgelijke dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt. Verder heeft eiseres aangevoerd dat haar liquiditeit geen hoger loon toelaat en zij structureel verlies lijdt. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat met B geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten en dat uit wat B daarover heeft verklaard naar voren komt dat de onderneming feitelijk door B werd gedreven. Mede gelet op de werkzaamheden die B volgens het controlerapport heeft uitgevoerd, acht verweerder niet aannemelijk dat B is uitbetaald op basis van de daadwerkelijk gemaakte uren. Verder stelt verweerder dat de continuïteit van eiseres niet in gevaar was omdat zij over 2006 winst maakte en in 2007 een bedrag van € 5.514 aan B heeft geleend.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de vraag of het aan B toegekende loon een voor een soortgelijke dienstbetrekking een gebruikelijk loon is, niet zozeer van belang of B, zoals eiseres met haar in 12 weergegeven stellingen betoogt, door een derde nooit in een vergelijkbare functie zou worden aangesteld. B is immers bij eiseres in dienst, zodat moet worden beoordeeld wat de loonwaarde is van de door B daadwerkelijk voor eiseres uitgevoerde werkzaamheden uit hoofde van zijn functie en met de daarbij horende verantwoordelijkheid. Dit in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat eiseres, met wat zij daarvoor heeft aangevoerd en overgelegd en tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door verweerder, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en aannemelijk gemaakt die er toe leiden dat het loon van B op een lager bedrag moet worden vastgesteld dan het normloon. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking:

- Zoals uit de in 4 vermelde citaten uit het controlerapport naar voren komt, heeft B de feitelijke leiding van bedrijf en worden alle uitvoerende werkzaamheden door hem uitgevoerd. Daarbij hoort, naar het oordeel van de rechtbank, geen (bescheiden) beloning op basis van een beperkt aantal gewerkte uren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat B op 20 juni 2009, de dag waarop hij 65 jaar werd, weer is benoemd tot directeur van eiseres.

- De hoogte van het loon van [D] is voor de toepassing van artikel 12a van de Wet LB niet van belang. B heeft geen antwoord gegeven op de vraag waaruit de werkzaamheden van [D] bestaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er vanwege de financiële positie van eiseres zakelijke redenen waren om het loon op een lager bedrag vast te stellen dan het normloon. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres gedurende de onderhavige jaren voldoende vlottende middelen had het normloon te betalen. Dat het resultaat van eiseres over die jaren daardoor mogelijk negatief zou worden, maakt dit niet anders.

Op grond van het vorenoverwogene is het gelijk aan verweerder.

14. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat de berekening van de hoogte van de aanslagen niet is gemotiveerd en niet duidelijk is op welke wijze de reeds afgedragen loonheffingen zijn verwerkt. De rechtbank verwerpt deze grief omdat verweerder naar haar oordeel voldoende heeft uiteengezet hoe de aanslagen tot stand gekomen zijn.

15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.